gespreksvaardigheden
Hoofdstuk 6 Basisvaardigheden
6.1 inleiding
De vraag die in hoofdstuk 6,7,8 centraal staat is wat moet een
hulpverlener doen om zijn theoretische kennis te laten voortkomen in
daden tijdens een gesprek?
Een hulpverlener moet kunnen kiezen uit vaardigheden. Hierdoor kan een
hulpverlener op de goede momenten de goede vaardigheden toepassen.
Je moet deze vaardigheden eerst bewust aanleren, hoe meer je ermee
oefent hoe meer je deze vaardigheden als vanzelfsprekend gaat zien en je
ze dus vanzelf toe zal passen.
In hoofdstukken 6,7 en 8 worden de belangrijkste vaardigheden concreet
en uitvoerig besproken.
6.1.1 Doelen van het eerste gesprek
Het doel van het eerste gesprek is een zodanige werkrelatie opvouwen
met de client zodat hij of zij zich veilig genoeg voelt om zich te uiten.
Het eerste gesprek kan voor de client een bedreigend karakter hebben
omdat de client niet weet wat hem of haar te wachten staat.
Het 2de doel is de problemen eerst eens rustig te verkennen, zonder dat
de client daarbij het gevoel heeft dat hij of zij alles moet delen en alles
van hem of haar verwacht wordt.
Het 3de doel is samen met de client enige ordening in de problemen aan
te brengen. In veel gevallen komen mensen ‘in de problemen’ omdat ze
door een complex van factoren in henzelf en in hun omstandigheden het
overzicht kwijtraken.
Het 4de doel is ten slotte de client vanaf begin af aan zo veel mogelijk
duidelijkheid te geven over wat hij van de hulpverlener kan verwachten.
De client moet ook zo goed mogelijk voorgelicht worden. Dat draagt ook
bij aan het eerst genoemde doel namelijk rust en veiligheid.
,6.1.2 Basishouding en basisvaardigheden
Om goed contact op te bouwen hebben we een clientgerichte houding
nodig. Er moet niet alleen kennis van de basishouding zijn maar deze
moet ook terug komen in het gedrag van de hulpverlener.
Bij de basisvaardigheden is een onderscheid te maken tussen 2 soorten
vaardigheden
1. Luistervaardigheden
2. Regulerende vaardigheden
Luistervaardigheden hebben als doel de client de ruimte te geven om
zijn verhaal op zijn manier te vertellen. het initiatief ligt bij hem. Het gaat
hier om actief luisteren naar de client. Knikken bijvoorbeeld kan helpen
om aan de client te laten weten dat je aandachtig luistert en dit valt dan
ook onder actief luisteren.
Regulerende vaardigheden hebben als doel om er voor te zorgen dat
er duidelijkheid is over de gang van zaken van het gesprek voor zowel de
hulpverlener als voor de client. Dat hoort bij een goede samenwerking.
6.2 Opening van het gesprek en begincontract
De opening van het gesprek en het sluiten van een begincontract behoren
tot de regulerende vaardigheden.
De hulpverlener moet bij het begin van een gesprek enige duidelijkheid
over de situatie scheppen, hij neemt daarbij zelf het initiatief. Het is
wenselijk dat een client in een vroeg stadium van het gesprek al weet wat
hem of haar te wachten staat en wat de gang van zaken is bij een
hulpverlener.
Het is hierbij dat je verwachtingen van zowel de hulpverlener als client
bespreekt en over de manier van werken en de verwachtingen hiervan in
overeenstemming komt.
Wanneer er enige duidelijkheid geschapen is over de samenwerking wordt
het initiatief overgedragen naar de client en krijgt hij of zij de kans om te
vertellen waarom hij gekomen is. Het is hier wel van belang dat de
hulpverlener er nog steeds alles aan doet om ervoor te zorgen dat de
client op zijn gemak is.
Dit kun je doen door aandacht te tonen voor het gene wat de client te
vertellen heeft.
, Ten tweede kun je dit doen door rust uit te stralen. Door te laten zien dat
je geen haast hebt en tijd hebt om op het gemak te luisteren naar het
verhaal van de client stel je hem op gemak.
6.3 ‘Niet’-selectieve luistervaardigheden,
aandachtgevend gedrag
Het is veel makkelijker om een verhaal te vertellen aan iemand als deze
ook daadwerkelijk luistert dan een verhaal te vertellen aan iemand die als
het ware het gesprek naar zichzelf toe trekt.
Voor een hulpverlener betekent dit dus dat deze echt geïnteresseerd
moet zijn in de client en zichzelf moet vergeten en zich helemaal op de
client moet richten.
Echter mag een hulpverlener zichzelf niet vergeten omdat dan het doel
van het gesprek verloren gaat, door als het ware met een leeg hoofd te
luisteren naar de client doet de client zijn verhaal wel maar onthoud je er
niet veel van en kun je er niet zoveel mee.
Door onderzoekers wordt er een onderscheid gemaakt tussen het
inhouds- en betrekkingsaspect van communicatie. Het
betrekkingsaspect verwijst naar de houding tussen de partijen en het
inhoudsaspect verwijst naar de feitelijke informatie die wordt
overgedragen.
6.3.1 Non verbaal-gedrag
De gelaatuitdrukking/gezichtsuitdrukking
Uit iemands gezichtsuitdrukking kan al opgemaakt worden of hij
geïnteresseerd is in wat de ander verteld of dat hij bezig is met wat
anders.
Gezichtsuitdrukkingen zijn een belangrijk communicatiemiddel; ze zijn
vaak directer gekoppeld aan gevoelens en intenties dan dat je zelf merkt.
Mensen zijn vaak niet heel bewust over hun gezichtsuitdrukking maar dit
betekend niet dat je er geen controle over kan uitoefenen.
Oogcontact
Stimulerend oogcontact houdt in dat de ogen van de hulpverlener zo nu
en dan die van de client ontmoeten. Er moet echter niet sprake zijn van
een fixatie of het staren in iemands ziel. Maar je moet ook niet het
oogcontact geheel vermijden.