Klinische Praktijk van de
Orthopedagoog
Samenvatting Literatuur & Hoorcolleges
Tara van der Sar
Week 1 – GGZ Jeugd
Thema’s: ggz standard: psyshische klachten in de kindertijd. depressie bij
jeugdigen, gezinsfactoren, behandeling depressie
Bladzijde 1
Week 2 – Jeugd- en Opvoedhulp / Ambulant
Thema’s: ADHD: behandeling en begeleiding, disruptive child behavior
Bladzijde 14
Week 3 – Jeugdbescherming
Thema’s: kindermishandeling, toekomstscenario kind- en gezinsbescherming,
transformative jeugdhulp, resultaatgerichte ontwikkeling interventies in de
jeugdsector
Bladzijde 25
Week 4 – Jeugd- en Opvoedhulp / Residentieel
Thema’s: biopsychosocial model, kinderpsychiatrie, resdidentiële jeugdhulp,
jeughulp met verblijf, richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming, een gat tussen
wetenschap en praktijk
Bladzijde 36
Week 5 – Zorg, Ondersteuning en Behandeling van mensen met een
(licht) verstandelijke beperking
Thema’s: licht verstandelijke beperking, social information processing skills link
executive functions to aggression in adolescents with mild to borderline
intellectual disability, triple-c intervention, AAIDD
Bladzijde 53
Week 6 - Zorg, Ondersteuning en Behandeling van mensen met
meervoudige beperkingen
Thema’s: verstandelijke beperking, VN-verdrag, multidisciplinaire richtlijn
probleemgedrag bij volwassenen met een verstandelijke beperking, met het oog
op meedoen
Bladzijde 74
Week 1
Hoorcollege 1
Dia 1
Belangrijkste kenmerk van Forensische psychiatrie = er is sprake van
grensoverschrijdend gedrag
Doel van forensische psychiatrie is bijvoorbeeld geen schoolverzuim of geen
politie meer betrokken
, 2
Risicotaxatie duurt ongeveer 8 weken. Behandelfase duurt bij haar praktijk 9
maanden en dat vind zij te kort.
Ze proberen uit huis plaatsing en jeugd tbs te voorkomen, soms wel enkelband,
maar dan ga je gewoon naar huis. Ze wil dus echt jeugdgevangenis voorkomen.
Dia 2
Topzorg is 18+, deze zitten volgens mij al diep in de criminele activiteiten.
Verschil met fast begeleiding is dat er hier gericht word op ouders en bij topzorg
gaat het over de individuele jongeren. A&V richt zich ook op de individuele
jongere.
Fast is ontwikkeld uit MST, om zo meer tijd te geven, want MST geeft
bijvoorbeeld minder tijd voor behandeling.
Dia 3
Internaliserende problemen meer meiden
Externaliserende problemener meer jongens
Primaire diagnose moet forensisch zijn en dan kan je nog nevendiagnoses
hebben. Dus er word altijd gekeken ‘is dit forensisch’. Kinderen met alleen
autisme zijn bijvoorbeeld daar niet op de juiste plek
Bij acute dreiging gaan ze niet meer op huisbezoek. Sowieso gaan ze voor de
eerste keer met zijn tweeen op huisbezoek om te zien hoe de situatie is. Daarna
ook huisbezoeken, maar als het te gevaarlijk is dan komen ze niet dus dan
moeten de mensen naar de polikliniek komen of online.
Dia 5:
Multi disciplinair overleg is dat je met alle FAST-medewerkers samenkomt en alle
gezinnen bespreekt, omdat er heel veel aan de hand is.
Dia systeemtherapie:
Als je een koppel hebt en de man zegt ik wil dat je mijn vrouw veranderd en de
vrouw zegt hetzelfde over haar man, dat doe je niet met systeemtherapie. Er
wordt gekeken naar de interactie tussen de man en zijn vrouw. Systeemtherapie
kan voor sommige jongere heel lastig zijn, omdat de emoties van alle andere
mensen ook nu bij hen komen. Deze jongeren zeggen wel dat systeemtherapie
wel echt een verschil heeft gemaakt. Denk aan jongeren met depressie of
suïcidaliteit.
Dia casus:
Welke interventies zijn nodig? Systeemtherapie, want dat is heel erg
breed.
Wie ga je betrekken? Moeder en zoon, misschien oma later. Vader ook bij
betrekken als het veilig genoeg is. Eventueel verdere betrokken
familieleden. Kijken wat je kan doen met die vrienden.
Wat ga je prioriteren? Goed contact met de jongere. Directe veiligheid
vergroten, zicht krijgen op directe veiligheid jongere gaat om met
deviante vrienden. Moeder
Is diagnostiek nodig? En zo ja, wat zou de diagnostiekvraag kunnen zijn?
Ja, want waar komt zo’n depressie vandaan? Is er sprake van trauma? Is er
sprake van trauma bij moeder misschien ook? Denk aan
intergenerationeel trauma van moeder op zoon.
Uiteindelijk blijkt dat de trauma’s van de moeder een heel groot onderdeel
vormden van wat er aan de hand is. Uiteindelijk heeft de moeder buiten de
WAAG ook meer hulp gekregen. In de tussentijd werd het veel rustiger thuis,
, 3
want de moeder kon ook haar verhaal doen. Moeder en zoon houden heel erg
van elkaar. Langzamer aan kwam dat deel dus dan ook weer naar boven.
https://www.ggzstandaarden.nl/generieke-modules/psychische-klachten-in-de-
kindertijd/samenvattingLinks to an external site.
5.1.5 Kernelementen van goede zorg
Kernelementen van goede zorg aan kinderen en jongeren zijn het zoveel mogelijk
betrekken van kinderen/jongeren en ouders bij hun behandelingen, o.a. via
gezamenlijke besluitvorming, rekening houden met cultuurspecifieke diversiteit
en het zorgen voor een goede continuïteit in de zorg. Daarnaast is het belangrijk
dat jeugdhulpverleners problemen en klachten bij kinderen benaderen vanuit
een ontwikkelingsperspectief en de context waarin in het kind opgroeit. Deze
kernelementen zijn van belang ongeacht het stadium van de zorg waarin het
kind en zijn gezin zich bevinden. Hieronder worden deze kernelementen
toegelicht.
Gezamenlijke besluitvorming
Het is van groot belang dat de hulpverlener of professional het kind/de jongere
en zijn ouders gedurende het gehele hulpverleningstraject betrekt bij besluiten
en hen uitnodigt tot samenwerking. Beslissingen hebben een grote impact op
hun leven en daarom horen hun wensen en verwachtingen in de hulpverlening
leidend te zijn. Hun ervaringen, hun kijk op de problematiek en de oplossing
ervan vormen het uitgangspunt voor de afwegingen die de professional maakt.
Gezamenlijke besluitvorming leidt tot beter geïnformeerde patiënten die vaker
tevreden zijn over de hulpverlening. Ook zijn er sterke aanwijzingen dat
gezamenlijke besluitvorming leidt tot betere resultaten van de hulpverlening
tegen lagere kosten.
Zoveel mogelijk informatie uit richtlijnen die de hulpverlener volgt, wordt met het
kind en ouders gedeeld. Het kind/de jongere en zijn ouders moeten antwoord
kunnen krijgen op de vragen: wat is er mogelijk aan de hand? Wat zijn de
mogelijkheden? Wat zijn de voor-en nadelen van deze mogelijkheden? En wat
betekent dat voor mijn situatie? Ook de vragen die de hulpverlener zich stelt
(zoals omschreven in de Landelijke samenwerkingsafspraken tussen huisarts,
generalistische basis GGz en gespecialiseerde GGz (LGA) over (tijdelijk)
afwachten met hulp inzetten en eventueel overdragen van de hulp naar een
andere professional worden besproken met het gezin.
Behandelingsopties worden samen afgewogen en behandeling- en
begeleidingskeuzes worden zoveel mogelijk samen gemaakt. Uiteindelijk beslist
de patiënt en/of zijn ouders.
Keuzevrijheid
Het kind en diens ouders moeten door de hulpverlener worden gewezen op hun
rechten met betrekking tot keuzevrijheid en de mogelijkheid van een second
opinion. Een kind kan eventueel ook aangeven dat het graag een vrouwelijke of
mannelijke hulpverlener heeft.
Behalve het feit dat ouders en kind/jongere de vrijheid moeten kunnen ervaren
dat zij ook hulp kunnen zoeken bij een andere hulpverlener, kan het soms ook
beter zijn voor een hulpverlener om een gezin of kind/jongere over te dragen aan
een collega, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van andere belangen (het kind is
bijvoorbeeld het nichtje van de hulpverlener) of van negatieve gevoelens die de
hulp zouden belemmeren.
Weloverwogen samen besluiten
De Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor
jeugdhulp en jeugdbescherming helpt professionals in de brede jeugdhulp samen
met ouders en kinderen te beslissen over passende hulp, zodat gezinnen tijdig
effectieve hulp krijgen.
, 4
Aan hulpverleners biedt de richtlijn handvatten waarmee zij de hulpvraag,
wensen en verwachtingen van ouders en hun kind kunnen verhelderen en een
samenwerkingsrelatie met hen kunnen aangaan.
In moeilijke situaties waarin emoties de overhand nemen is het voor ouders en
kinderen lastiger om rationele en weloverwogen besluiten te maken. In dit geval
kan een besluit waar mogelijk in stappen worden genomen of eventueel worden
uitgesteld, tenzij de veiligheid van het kind in het geding is. Ook kan een breder
netwerk bij deze stappen betrokken worden (belangrijke ‘anderen’ van het kind
en zijn systeem).
Beslissen over hulp en wilsbekwaamheid
Aan kinderen vanaf 12 jaar moet volgens de wet zelf toestemming gevraagd
worden voor behandeling of onderzoek. Zij mogen behandeling en onderzoek
dus ook weigeren. Zie over geldende leeftijdsgrenzen het achtergronddocument
Verdieping: thema Beslissen over hulp.
5.4 Behandeling, begeleiding en terugvalpreventie
Na een fase van diagnostiek volgt een fase van behandeling, begeleiding en
terugvalpreventie. Kinderen en/of hun ouders kunnen door veel verschillende
hulpverleners, geregistreerd in het BIG-register of SKJ Kwaliteitsregister Jeugd
begeleid en behandeld worden in verschillende settingen. Wanneer in de
diagnostische fase wordt vastgesteld dat er sprake is van een stoornis wordt niet
volstaan met de algemene werkzame factoren in de behandeling zoals in deze
zorgstandaard beschreven. Voor het handelen wordt verwezen naar de
stoornisspecifieke zorgstandaarden en specifieke richtlijnen per beroepsgroep.
5.4.1 Uitgangspunten bij behandeling en begeleiding
Psycho-educatie
Iedere behandeling moet starten met gedegen uitleg over de stoornis, de
gevolgen ervan en de mogelijke behandelingen en hoe er ondersteund kan
worden. Psycho-educatie voor ouders en kind zou altijd de start moeten zijn van
de behandeling.
Evidence based practice
In de behandeling is evidence based practice een belangrijk algemeen
uitgangspunt. Evidence based werken heeft niet alleen betrekking op
‘doen wat werkt’ maar is ook relevant in het kader van doelmatige zorg.
Los van de vraag of we iets kunnen behandelen, moet de vraag ook zijn of
we iets moeten behandelen. Ook de vraag hoe lang we iets moeten blijven
behandelen is hierbij cruciaal. Het tijdig stoppen met behandelen en
begeleiden kan het vertrouwen in eigen kunnen alsmede de veerkracht
van het kind/de jongere en/of zijn ouders vergroten. Jeugdhulpverleners
wordt geadviseerd hierover in gesprek te gaan met het gezin.
Relatie tussen patiënt en behandelaar
Een andere belangrijk algemene factor die van invloed is op de behandeling is de
relatie tussen patiënt en behandelaar. In de jeugd-ggz is sterk bewijs voor de
relevantie van deze factor voor het behandelingseffect. Het is essentieel dat het
perspectief van het kind en zijn ouders wordt meegenomen in de behandeling.
Inbreng van het kind en ouders heeft vaak een positieve invloed op de
behandeling.
Het gedrag van het kind/de jongere blijkt de relatie met de hulpverlener sterk te
beïnvloeden gedurende de behandeling. Ook leidt een goede relatie tussen kind
en hulpverlener vaak tot een betere samenwerking met de ouder(s). Dit is geldig
voor iedere vorm van hulpverlening, ook buiten de jeugd-ggz.
5.4.2 Interventies
In de databank effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut
zijn goed onderbouwde en effectieve jeugdinterventies opgenomen, maar niet