Meten & Diagnostiek Deelverslag I
Methode (Betrouwbaarheid)
Deelnemers
In dit onderzoek namen 1087 deelnemers mee, waarvan 524 jongens (48%) en 563
meisjes (52%). De leeftijd van de participanten varieerden tussen 4.73 en 13.41 jaar (M =
9.41, SD = 1.74).
Meetinstrument
In dit onderzoek is er gebruik gemaakt van de Strength and Difficulties Questionnaire
(SDQ). Deze vragenlijst is de Nederlandse versie voor ouder en kind. De vragenlijst meet in
hoeverre kinderen problemen hebben betreft hun gedrag en bestaat uit 25 items die verdeeld
zijn vijf sub schalen: ‘hyperactiviteit’ (item 2, 10, 15, 21 en 25), ‘pro sociaal gedrag’ (item 1,
4, 9, 17 en 20), ‘Gedragsproblemen’ (item 5, 7, 12, 18 en 22, ‘Emotionele problemen’ (item 3,
8, 13, 16 en 24) en ‘Problemen met leeftijdsgenoten’ (item 6, 11, 14, 19 en 23). Er zijn drie
scores: 0 is niet waar, 1 is een beetje waar en 2 is helemaal waar. Op de sub schalen kan er
tussen de 0 en 10 worden gescoord. De vragenlijst beantwoordt ook een ‘totale
probleemschaal’ en deze wordt gemeten doormiddel van alle sub schalen met uitzondering
van de laatste sub schaal ‘pro sociaal gedrag’, waarbij er een minimale score van 0 en een
maximale score van 40 kan uitkomen. Voor dit onderzoek is er interesse voor de totale
probleemschaal en de sub schalen ‘pro sociaal gedrag’ en ‘hyperactiviteit’.
De sub schaal ‘hyperactiviteit’ geeft aan in welke mate een kind druk is. Een vraag die
in deze schaal wordt gesteld is bijvoorbeeld ‘Is gemakkelijk afgeleid, heeft moeite zich te
concentreren’ of ‘Rusteloos, overactief, kan niet goed stilzitten’ (zie vragenlijst). Voor deze
schaal moeten item 21 en 25 om gescoord worden.
De sub schaal ‘pro sociaal gedrag’ kijkt juist naar hoe sociaal het kind is tegenover een
andere leeftijdsgenoot. Een vraag die deze sub schaal beantwoord is ‘Biedt vaak vrijwillig
hulp aan anderen (ouders, leerkrachten, andere kinderen)’ of ‘Houdt rekening met gevoelens
van anderen’ (zie vragenlijst).
De taak van de totale probleemschaal is om aan te geven of het kind een probleem
heeft of niet en of het doorverwezen moet worden. Dit wordt bepaald aan de hand van de
behaalde score. Als er een score uitkomt tussen de 17 en 40, dan wordt ervan uitgegaan dat
het kind echt problemen heeft en doorverwezen moet worden. Voor de totale probleemschaal
moeten de items 7, 11, 14, 21 en 25 om gescoord worden.
1