leaving and subjective well-being in emerging adulthood: The role of motivational
processes and parental autonomy support. Developmental Psychology, 45(5),
1416-1429. https://dx.doi.org/10.1037/a0015580
De gemiddelde leeftijd waarop jongvolwassenen het ouderlijk huis verlaten, is
toegenomen. Deze trend is nog weinig onderzocht vanuit een psychologische
invalshoek. In dit onderzoek is het eerste doel om verschillen in woonsituaties
van jongvolwassenen te onderzoeken en of het welzijn van jongvolwassenen
varieert naar aanleiding van hun woonsituatie. Het tweede doel is, gebaseerd op
de zelfdeterminatietheorie, om het voorstel te onderzoeken dat de kwaliteit van
de motivatie, die onderliggend is aan de woonsituatie, belangrijk is voor het
voorspellen van tevredenheid met de woonsituatie en voor het subjectieve
welzijn. Ten derde wordt onderzocht of een autonomie-ondersteunende
ouderschapsstijl een voorspeller is voor de motieven voor de woonsituatie.
In Westerse samenlevingen is de transitie naar volwassenheid verlengd. In deze
samenlevingen is er vaak een hoger niveau van educatie nodig om een goed
betaalde baan te krijgen, waardoor prestaties die de volwassenheid kenmerken
worden uitgesteld (trouwen en kinderen krijgen). Het concept emerging adults of
jongvolwassenen werd geïntroduceerd om de periode tussen de adolescentie en
de volwassenheid te benoemen. Deze periode geldt vaak voor mensen tussen de
18 en 25 jaar waarin er nog veel veranderingen plaatsvinden en exploratie van
verschillende richtingen in het leven. De mensen in deze groep tonen
overeenkomsten, maar ook verschillen. Zo wonen sommigen nog thuis, terwijl
anderen alleen wonen of samenwonen met een partner of vrienden. Steeds meer
jongvolwassenen echter leven langer met hun ouders of keren weer terug naar
het ouderlijk huis na korte periode uit huis.
De separatie-individuatie theorie stelt dat oudere adolescenten de
ontwikkelingstaak krijgen om de banden met de ouders te verzwakken en
onafhankelijk te worden. Op basis van deze theorie kan het langer blijven wonen
met de ouders een signaal afgeven van een tekort aan onafhankelijkheid en
volwassenheid. Ook het proces van het meer ontwikkelen van een gelijke relatie
met de ouders wordt hierdoor verstoord. Consistent met deze ideeën heeft
onderzoek aangetoond dat jonge mensen die onafhankelijk leven zichzelf als
meer volwassen zien dan leeftijdsgenoten die nog thuis wonen. Ook rapporteren
jongvolwassenen die onafhankelijk wonen een betere relatie met hun ouders. Een
relatie van hoge kwaliteit met de ouders draagt weer bij aan het psychologisch
welzijn tijdens de adolescentie en jongvolwassenheid. Ander onderzoek heeft
echter verondersteld dat langer thuis blijven wonen voornamelijk gebeurd in
families met positieve ouder-kind relaties. Jongvolwassenen ervaren dan een
gevoel van welzijn in het ouderlijk huis en blijven daarom thuis wonen. Op basis
hiervan stellen de onderzoekers dat individuen verschillende motieven hebben
voor welke woonsituatie ze hebben en dat deze motieven belangrijker zijn voor
het voorspellen van het welzijn dan de woonsituatie op zichzelf.
De ervaring van autonomie wordt gedefinieerd als de mate waarin individuen
zich gedragen volgens zelf verworven en authentieke waarden. Aan het ene
extreme eind wordt het gedrag van een individu gereguleerd door externe
invloeden. Zo voelen sommige jongvolwassenen externe druk om thuis te blijven
wonen (vanwege kritiek als de jongvolwassene uit huis wil) of juist om het huis te
, verlaten (vanwege de financiële situatie van de ouders). Verder op het continuüm
bevindt zich gedrag gereguleerd op basis van introjectie, oftewel het uitvoeren
van bepaalde acties om schuldgevoelens of angst te voorkomen. Zo blijven
sommige jongvolwassenen thuis wonen om gevoelens van schuld over
disloyaliteit te voorkomen of ze vertrekken uit huis om gevoelens van schaamte
over nog thuis wonen te voorkomen. Deze motieven bevinden zich in de persoon,
maar worden nog steeds ervaren als conflicterend en als druk. Identificatie
representeert een meer autonome regulatie waarbij acties volledig worden
geaccepteerd als belangrijk, waardevol en betekenisvol. Zo zijn er ook
jongvolwassenen die volledig achter hun keuze staan om thuis te wonen of om
uit huis te zijn. Het meest andere extreme eind van het continuüm is intrinsieke
motivatie. Jongvolwassenen ervaren dan een bepaalde mate van plezier in het
leven bij hun ouders of het leven op zichzelf. De zelfdeterminatietheorie stelt dat
hoe meer een gedraging gereguleerd wordt door autonome motieven, hoe beter
het subjectieve welzijn is.
Een autonomie-ondersteunende ouderschapsstijl wordt gezien als een belangrijke
factor als het gaat om het bevorderen van autonome gedragsregulatie. Een
autonomie-ondersteunende ouderschapsstijl wordt gekenmerkt door het
aannemen van een empathische houding tegenover het kind, het toestaan van
kiezen tussen opties en het aanbieden van een uitleg als mogelijkheden beperkt
zijn. Controlerende ouders falen in het aannemen van het perspectief van het
kind en zetten hun kind onder druk om het te laten gehoorzamen.
Het huidige onderzoek heeft vier doelen:
1. Het verschaffen van een meer genuanceerd beeld van de woonsituaties
van jongvolwassenen waarbij niet alleen het onderscheid wordt gemaakt
tussen jongvolwassenen die bij hun ouders wonen en jongvolwassenen die
niet bij hun ouders wonen.
2. Het onderzoeken of de tevredenheid van jongvolwassenen over hun
woonsituatie en hun subjectieve welzijn varieert naar aanleiding van hun
woonsituatie. De hypothese wordt gesteld dat jongvolwassenen die nog in
het ouderlijk huis wonen minder tevredenheid en welzijn ervaren.
3. De hypothese, dat de motieven van jongvolwassenen onderliggend aan
hun huidige woonsituatie sterker gerelateerd zijn aan tevredenheid en
subjectief welzijn dan de woonsituatie op zichzelf, wordt onderzocht. Een
autonome motivatie voor de woonsituatie wordt verwacht positief te
correleren met het welzijn; een gecontroleerde motivatie wordt verwacht
negatief te correleren met het welzijn.
4. De volgende hypothese wordt ook onderzocht: een autonomie-
ondersteunende ouderschapsstijl is positief gecorreleerd met een
autonome motivatie voor de woonsituatie en het is negatief gecorreleerd
met meer controlerende motivaties. De relatie tussen de ouderschapsstijl
en het subjectieve welzijn wordt hierbij deels gemedieerd door motieven
voor de woonsituatie.
Als eerste is er met de resultaten een set aan klassen ontwikkeld om de
verschillende woonsituaties in te classificeren. Hieruit kwamen er drie
onderliggende categorieën van woonsituaties naar voren. De eerste categorie
bestaat uit participanten die permanent in het ouderlijk huis wonen en die
zichzelf zien als een persoon dat nog niet de status van onafhankelijk wonen
heeft bereikt. De tweede categorie bestaat uit grotendeels uit participanten die