Chemisch rekenen
De ontwikkeling van het atoommodel
- Demokritos (450 v.Chr.) -> materie kon eindeloos
worden opgedeeld.
- Dalton (1808) -> massief bolltetje
- Thomson (1897) -> massief bolletje met
elektronen.
- Rutherford (1911) -> atoomkern met
elektronenwolk
- Bohr (1914) -> atoomkern omringd door schilden.
De schilden hebben de naam K, L en M. De K schil heeft 2 elektronen. De L schil heeft 8
elektronen en de M schil heeft er 18.
- Chadwick (1932) -> atoom bestaat uit negatief, positief en neutraal geladen deeltjes.
- Moleculen bestaan uit atomen. Een atoom bevat:
1. Protonen (p+)
2. Neutronen (nᵒ)
3. Elektronen (e-)
Atoomnummer en massagetal
- Massagetal -> protonen en neutronen bij elkaar
opgeteld.
- Atoomnummer -> zijn de protonen.
- De protonen en elektronen zijn het zelfde in een atoom.
- Massa proton = 1,7 · 10-27 kg = 1,7 · 10-24 g.
- Atomaire massaeenheid (u) = 1,7 · 10-27 kg.
- De massa van proton/neutron -> 1 u.
- De massa van een elektron is verwaarloosbaar.
- Isotopen -> zelfde element maar met een andere atoommassa. Verschil door aantal neutronen.
- Hoe bereken je de relatieve atoommassa? Van alle isotopen maak je de volgende berekening:
Massa isotoop x percentage
- Antwoord van elk isotoop bij elkaar opgeteld geeft de relatieve atoommassa.
Perioden en groepen
- Elementen met een atoomnummer > 92 zijn gemaakt, synthetische elementen. Deze
vervallen/zijn radioactief. Radioactief -> Instabiel zijn van elementen. Vallen uit elkaar na een
bepaalde tijd -> halveringstijd.
- De eigenschappen worden bepaald door het aantal elektronen in de buitenste schil -> de
valentie-elektronen. De elementen met hetzelfde aantal valentie-elektronen hebben dus
overeenkomstige chemische eigenschappen. De verdeling van de elektronen over de schillen
noemen de elektronenconfiguratie.
- Geeft een rangschikking van alle elementen weer op volgorde van opklimmend atoomnummer.
De rangschikking is bedacht door Mendelejev.
- Horizontaal = perioden -> opklimmend atoomnummer.
De ontwikkeling van het atoommodel
- Demokritos (450 v.Chr.) -> materie kon eindeloos
worden opgedeeld.
- Dalton (1808) -> massief bolltetje
- Thomson (1897) -> massief bolletje met
elektronen.
- Rutherford (1911) -> atoomkern met
elektronenwolk
- Bohr (1914) -> atoomkern omringd door schilden.
De schilden hebben de naam K, L en M. De K schil heeft 2 elektronen. De L schil heeft 8
elektronen en de M schil heeft er 18.
- Chadwick (1932) -> atoom bestaat uit negatief, positief en neutraal geladen deeltjes.
- Moleculen bestaan uit atomen. Een atoom bevat:
1. Protonen (p+)
2. Neutronen (nᵒ)
3. Elektronen (e-)
Atoomnummer en massagetal
- Massagetal -> protonen en neutronen bij elkaar
opgeteld.
- Atoomnummer -> zijn de protonen.
- De protonen en elektronen zijn het zelfde in een atoom.
- Massa proton = 1,7 · 10-27 kg = 1,7 · 10-24 g.
- Atomaire massaeenheid (u) = 1,7 · 10-27 kg.
- De massa van proton/neutron -> 1 u.
- De massa van een elektron is verwaarloosbaar.
- Isotopen -> zelfde element maar met een andere atoommassa. Verschil door aantal neutronen.
- Hoe bereken je de relatieve atoommassa? Van alle isotopen maak je de volgende berekening:
Massa isotoop x percentage
- Antwoord van elk isotoop bij elkaar opgeteld geeft de relatieve atoommassa.
Perioden en groepen
- Elementen met een atoomnummer > 92 zijn gemaakt, synthetische elementen. Deze
vervallen/zijn radioactief. Radioactief -> Instabiel zijn van elementen. Vallen uit elkaar na een
bepaalde tijd -> halveringstijd.
- De eigenschappen worden bepaald door het aantal elektronen in de buitenste schil -> de
valentie-elektronen. De elementen met hetzelfde aantal valentie-elektronen hebben dus
overeenkomstige chemische eigenschappen. De verdeling van de elektronen over de schillen
noemen de elektronenconfiguratie.
- Geeft een rangschikking van alle elementen weer op volgorde van opklimmend atoomnummer.
De rangschikking is bedacht door Mendelejev.
- Horizontaal = perioden -> opklimmend atoomnummer.