,1. Welke combinatie verklaart het ontstaan van de seizoenen het best?
A. Variaties in afstand aarde–zon en een rechte aardas
B. Constante afstand aarde–zon en een scheefstaande aardas
C. Cyclische veranderingen in zonneactiviteit en een rechte aardas
D. Ecliptica die elk jaar kantelt t.o.v. de evenaar
2. Welke verklaring past het best bij het bestaan van een regenrijke
loefzijde in hooggebergten?
A. Dalende lucht warmt adiabatisch op en verliest waterdamp
B. Stijgende lucht koelt adiabatisch af en condenseert
C. Horizontale advectie van droge continentale lucht
D. Radiatieve afkoeling van de berghelling in de middag
3. Een oceaanrug in de Atlantische Oceaan is primair het gevolg van:
A. Convergentie met subductie van twee oceanische platen
B. Hotspot-vulkanisme onder een continentale plaat
C. Divergentie van twee oceanische platen met opwellend magma
D. Transformbeweging langs een continentale breukzone
4. Welke stelling over brak water in een estuarium is het meest correct?
A. Brak water ontstaat door verdamping van zoet water in een delta
B. Brak water ontstaat door menging van rivierwater en zeewater bij getij-
invloed
C. Brak water betreft uitsluitend ondergronds water met hoog
chloridegehalte
D. Brak water komt alleen voor in mediterrane klimaten met droge zomers
5. Wat is de voornaamste reden dat IJsland bovenzijds vulkanisme kent
midden in een oceaanrug?
A. Subductie van de Euraziatische plaat onder de Noord-Amerikaanse plaat
B. Divergentie plus aanwezigheid van een mantelpluim (hotspot)
C. Transformbreuk die warme lucht aanvoert
D. Slenkvorming door continentale compressie
6. Welke combinatie van bodemkenmerken is het gunstigst voor zavel?
A. 100% klei → hoog vochtvasthoudend, lage doorlaatbaarheid
B. 100% zand → lage vochtvasthoudend, hoge doorlaatbaarheid
C. Mengsel zand + klei → zowel doorlaatbaarheid als vruchtbaarheid in
balans
D. Mengsel leem + grind → hoge capillaire opstijging en lage
vruchtbaarheid
7. Waarom vergroot een warme zeestroom (zoals de Golfstroom) de
kans op een zeeklimaat aan de westkust van Europa?
A. De stroom verlaagt de vochtigheid waardoor wolken oplossen
B. De stroom transporteert warmte en vocht, tempert extremen en
,bevordert neerslag
C. De stroom verhoogt de luchtdruk en stabiliseert luchtlagen
D. De stroom vergroot continentale invloed door aflandige wind
8. Welke configuratie levert de grootste tsunami-kans op?
A. Explosieve stratovulkaanuitbarsting op land
B. Sterke aardbeving in een subductiezone onder de oceaanbodem
C. Tornado met oog over warm zeewater
D. Divergentie met rustige schildvulkanisme op een oceaanrug
9. Waarom ligt laagveen in Nederland vaak onder zeeniveau na
ontginning?
A. Door uitzetting van veen bij oxidatie
B. Door inklinking en oxidatie zodra waterpeil wordt verlaagd
C. Door tektonische daling van de continentale plaat
D. Door neerslagoverschot dat veen naar beneden duwt
10. In de demografische transitie daalt het sterftecijfer doorgaans vóór
het geboortecijfer. Wat is daarvoor de meest plausibele hoofdoorzaak?
A. Strengere wetgeving tegen kinderarbeid
B. Snellere toegang tot medische zorg, hygiëne en voedselzekerheid
C. Directe verlaging van huwelijksleeftijd
D. Snellere economische groei door industrialisatie zonder sociale
veranderingen
11. Welke uitspraak beschrijft het beste het fysische mechanisme achter
stijgingsregen rond de evenaar?
A. Warme vochtige lucht daalt adiabatisch, waardoor condensatie optreedt
B. Afkoelende wind vanaf koude zeestromen vergroot de relatieve
vochtigheid aan het oppervlak
C. Intense instraling verwarmt het aardoppervlak → lucht stijgt, koelt
adiabatisch af en condenseert
D. Frontvorming tussen polaire en tropische lucht dwingt warme lucht op
te stijgen
12. Waarom leiden convectiestromingen in de aardmantel tot
plaattektoniek?
A. Warmte-gedreven dichtheidsverschillen veroorzaken traag stromend
materiaal dat trek- en duwkrachten op lithosferische platen uitoefent
B. Radioactief verval in de kern tilt continentale platen rechtstreeks
omhoog
C. Mantelstromen verlagen de soortelijke massa van basalt zodanig dat
platen gaan drijven op water
D. Mantelconvectie verhoogt overal de viscositeit van de korst, waardoor
platen sneller kunnen glijden
, 13. Een taiga onderscheidt zich van een toendra primair door:
A. Hogere jaarneerslag en lagere albedo-waarde
B. Lagere temperatuuramplitude en kortere groeiseizoenen
C. Dominantie van mossen en dwergstruiken i.p.v. bomen
D. Aanwezigheid van uitgestrekte naaldbossen mogelijk door iets hogere
temperaturen
14. Welk proces leidt het meest direct tot delta-vorming bij de monding
van een rivier?
A. Toename van stroomsnelheid vlak voor de kust
B. Afnemende stroomsnelheid waardoor sediment wordt afgezet in
vertakte rivierarmen
C. Erosie door vloedstromen die materiaal uit zee aanvoeren
D. Verdamping die opgeloste zouten neerslaat als vaste lagen
15. Waarom resulteert subductie vaak in explosief vulkanisme?
A. Indringend water verlaagt het smeltpunt van gesteente; stijgend
silica-rijk magma is stroperig en gasrijk
B. Subducerende plaat levert basisch magma dat altijd rustig uitvloeit
C. Mantelpluimen onder subductiezones genereren dun vloeibaar basalt
D. Transformbewegingen sluiten magma toe en voorkomen gasopbouw
16. Welke combinatie past het best bij het Middellandse-Zee klimaat?
A. Koele zomers, natte zomers; droge winters, milde lentes
B. Koude winters met sneeuw; natte zomers; continentale extremen
C. Hele jaar door neerslag met kleine seizoensverschillen in temperatuur
D. Warme, droge zomers en zachte, nattere winters met subtropische
vegetatie
17. Het verstedelijkingstempo is doorgaans het hoogst in
ontwikkelingslanden omdat:
A. De overheid daar het aantal stadsbewoners wettelijk verhoogt
B. Push-factoren op het platteland en pull-factoren in de stad samen sterk
zijn, bij beperkte woning- en diensten-capaciteit
C. De bevolkingsdichtheid in steden er structureel lager is
D. De industrie overal in dorpen wordt gevestigd i.p.v. in steden
18. Welke bewering over loef- en lijzijde is correct?
A. Aan lijzijde stijgt lucht en treedt stuwingsregen op
B. Aan loefzijde daalt lucht adiabatisch en warmt op → meer neerslag
C. Aan loefzijde wordt lucht gedwongen te stijgen, koelt af en condenseert;
lijzijde is vaak droog (regenschaduw)
D. Beide zijden ontvangen gelijke neerslag omdat wind parallel aan de
kam waait