Basiskennis Natuur en
Techniek
Bruikbaar voor de toelatingstoets van de
Zie ook de bijhorende documenten, Let op nu ook beschikbaar in bundel!
Verzoek eerst inlezen voor aankoop!
1
,Wat is natuur en techniek
Onderzoekend leren:
Vragen stellen, meten en conclusies trekken om te begrijpen hoe de wereld
werkt.
Ontwerpend leren:
Oplossingen bedenken, maken en verbeteren voor echte problemen.
Doel van het vak:
Kinderen leren denken en werken als onderzoeker en ontwerper.
Biologische eenheid
Cel:
Kleinste levende eenheid die groeit, deelt en energie gebruikt.
Organellen:
Onderdelen in de cel met elk een eigen taak.
Celmembraan:
Dun vlies dat bepaalt wat de cel in en uit mag.
Celwand:
Stevige laag bij planten en schimmels die vorm en bescherming geeft.
Celkern:
Regiekamer van de cel met het DNA.
Chromosomen:
Pakketjes DNA die erfelijke informatie dragen.
Gen:
Stukje DNA met de instructie voor een eigenschap of eiwit.
Cytoplasma:
Vloeistof waarin organellen drijven en reacties plaatsvinden.
Mitochondrion:
Energiecentrale van de cel die voedsel omzet in energie.
2
,Vacuole:
Blaasje voor opslag en stevigheid; groot in plantencellen.
Bladgroenkorrel:
Deel in plantencellen voor fotosynthese en groene kleur.
Organen en orgaanstelsels
Weefsel:
Groep gelijksoortige cellen met dezelfde taak.
Orgaan:
Onderdeel met een duidelijke functie, opgebouwd uit weefsels.
Orgaanstelsel:
Samenwerkende organen voor één groot proces.
Indelen van het leven
Classificeren:
Indelen op overeenkomsten en verschillen in bouw en gedrag.
Bacterie:
Eenvoudig eencellig organisme zonder celkern.
Eencellige:
Organisme uit één cel met organellen, groter dan bacteriën.
Schimmel:
Organisme met draden (mycelium) en vaak sporen; leeft van organisch
materiaal.
Plant:
Meercellig organisme met fotosynthese.
Vaatplant:
Plant met vaten voor transport van water en voeding.
Mos en varen:
Planten zonder zaden; voortplanting met sporen.
Zaadplant:
Plant met zaden; kan naaktzadig of bedektzadig zijn.
Naaktzadig:
Zaad ligt open op kegels, bijvoorbeeld naaldbomen.
3
, Bedektzadig:
Zaad groeit in een vrucht en vaak met bloemen.
Dier:
Organisme zonder bladgroenkorrels; haalt energie uit voedsel.
Gewerveld:
Dier met wervelkolom, zoals vissen, vogels en zoogdieren.
Ongewerveld:
Dier zonder wervelkolom, zoals insecten en weekdieren.
Niveaus in de natuur
Populatie:
Groep organismen van dezelfde soort in hetzelfde gebied.
Biotoop:
Leefgebied met kenmerkende abiotische omstandigheden.
Biotische factoren:
Invloeden van levende wezens, zoals voedsel en predatie.
Abiotische factoren:
Niet-levende invloeden, zoals licht, water en temperatuur.
Ecosysteem:
Samenhang tussen organismen en hun leefomgeving.
Biosfeer:
Alle ecosystemen samen op aarde.
Instandhouding en energie
Zon als bron:
Alle energie in voedselketens komt uiteindelijk van de zon.
Fotosynthese:
Planten maken glucose uit koolstofdioxide en water met licht; er komt zuurstof
vrij.
Assimilatie:
4