praktijkleer (Bruyn et al.)
Bruyn H1: Inleiding
- Diagnostiek op basis van intuïtie en eigen ervaringen wordt ook wel
‘ongewapend oordeel’ genoemd, hierbij wordt geen beroep gedaan op de
methodologische principes.
Bruyn H2: Uitgangspunten
- Drietal bronnen die het belang van dit onderzoek oor de diagnostische
praktijk illustreren:
o Onderzoek naar de wijze waarop mensen met kansen en
waarschijnlijkheden omgaan;
o onderzoek naar vuistregels en heuristieken die Mensen doorgaans
geneigd zijn te volgen;
o onderzoek naar de kwaliteit van professionele diagnostiek.
- Een substantieel deel van het werk van de diagnosticus bestaat uit het
schatten, afwegen en herzien van kansen.
- Gebruik de term ‘prescriptief’ in plaats van ‘normatief’ om een drietal
redenen:
o De term normatief heeft een algoritmische en niet een heuristieken
betekenis.
o Deze term wordt In de besliskunde eveneens in algoritmische zin
gebruikt.
o Uitgerekend in het domein van het besliskunde stemmen opgaan
om de term prescriptief te gebruiken voor beslissingsondersteuning
in complexe, naturalistische situaties.
- Prescriptieve diagnostiek is een internationaal bruikbare term en in het
Nederlands is het bekend als ‘leer van de diagnostiek’.
Bruyn H3: de diagnostische cyclus
- Het diagnostische proces In de klinische praktijk start wanneer de cliënt
zich heeft aangemeld met een of meer hulpvragen.
o De diagnostische hulpvraag wordt uiteindelijk gezamenlijk
geherformuleerd tot een vraagstelling.
o Dit kan als volgt worden afgebeeld, de inbreng van de cliënt wordt
aangeduid met de afkorting C en de inbreng van de diagnosticus
wordt aangeduid met de afkorting D:
hulpvraag (C) Type diagnostische hulpvraag (D) Type
vraagstelling (C + D) type onderzoek (D)
o de keuze van het onderzoekstype is als het ware het technische
antwoord van de diagnosticus op de hulpvraag van de cliënt.
o Als er combinaties van hulpvragen voorkomen dan is de volgorde
van de diverse typen onderzoek nooit willekeurig.
o Bij elk type vraagstelling hoort een type onderzoek:
Type vraagstelling Type onderzoek Code
Verheldering Verhelderend VHD
, Onderkenning Onde4rkennend ODK
Verklaring Verklarend VKR
Indicatie Indicerend IDC
o De hulpvraag is vaak complex en dus gecombineerd. Er is sprake
van een 0-scenario wanneer de cliënt en de onderzoeker tot de
conclusie komen dat verder onderzoek niet nodig is na het
verhelderend onderzoek. Als er wel sprake is van verder onderzoek
benoemd met het scenario naar het aantal overgangen dat heeft
plaats gevonden, als het 0-scenario met 1 type onderzoek wordt
uitgebreid noemt men dat een 1-scenario etc.
o In het meest volledige geval is er sprake van een 3-scenario, dat
volgt uit de geordende combinatie van de volgende hulpvragen: hoe
moet ik verwoorden wat ik t.o.v. mij/ dit kind ervaar? Wat is er met
mij/ dit kind aan de hand? Waarom is dit met mij/ dit kind aan de
hand? en: hoe kan ik/ dit kind het beste geholpen worden?
Verheldering van de klacht (oftewel hoe is het te verwoorden)
levert kennis op die bijdraagt tot de goede onderkenning van
het probleem (wat is er aan de hand). Als het probleem
onderkent is, kan de verklaring of eventueel een combinatie
van verklaringen worden gegeven (Waarom is er een
probleem?). Tot slot gaan we ervan uit dat we voor een
indicatie van de interventie moeten beschikken over de
antwoorden bij de eerdere vraagstellingen uit de gevolgde
sequentie.
o Stappen:
Klachtanalyse= de klachten van de cliënt (en vaak ook
omgeving van cliënt). Diagnosticus verzamelt de klachten van
de cliënt en gaat na of de verwoording van de cliënt ook is
wat deze bedoeld.
Probleemanalyse= de problemen zijn situaties of
gedragingen van de cliënt waarvan de diagnosticus op
empirische of theoretische gronden kan aannemen dat er
sprake is van een voor de cliënt ongunstige toestand.
Ongunstig= de psychosociale aanpassing en
ontwikkeling van de cliënt wordt verstoord of dreigt te
worden.
De uitkomst van de probleemanalyse os een
benoeming van het probleem = de onderkennende
diagnose
Verklaringsanalyse= Verklaringen zijn empirisch getoetst
de uitspraken over condities, die afzonderlijk of in samenhang
het probleem hebben doen ontstaan dan wel in stand houden.
, Verklarende uitspraken die nog niet gaan toetsen zijn
hypotheses.
In de verklaringsanalyse genereert de diagnosticus de
hypothese, leidt er empirische toetsbare voorspellingen
uit af, formuleert een toets deze, en stelt een
integratief beeld op.
De uitkomst van de verklaring analyse is een
samenhangend beeld waarin een of meerdere condities
met een bepaalde mate van waarschijnlijkheid als
verklaring voor het probleem gelden: de verklarende
diagnose.
Indicatieanalyse= Indicaties zijn empirisch of theoretisch
onderbouwde aanbevelingen voor een of meerdere
interventies. In de diagnose cyclus hoeven deze interventie is
nog niet gedetailleerd te worden gespecificeerd en zijn het
eerder behandelings- en begeleidingsvoorstellen.
De diagnosticus formuleert in overleg met de cliënten
een globaal interventie doel, Ook inventariseert de
diagnosticus de in aanmerking komende typen
interventie hij overlegt onderling het nuts van de
mogelijke alternatieven, onderzoekt of de
indicatiecriteria voor de verschillende interventies van
toepassing zijn en hij schat de kans van slagen van een
mogelijke keuze. Ook formulier zijn uiteindelijke
aanbeveling. De uitkomst van indicatie analyse is een
lijst van indicaties In de zin van aanbevelingen voor
mogelijke interventies: De indicerende diagnose.
Een aantal belangrijke Cognitieve vuistregels (=heuristieken) en de fase in een
diagnostische cyclus waarin zij vooral geacht wordt naar rol te spelen bij de
toepassing van klinische oordeelvorming.
1. Causale attributie: de persoon die handelt verklaart zijn gedrag doorgaans
vanuit externe situationele omstandigheden.
2. Gedragsconfirmatie: het door eigen gedrag uitlokken van informatie die de
eigen denkbeelden ondersteund.
3. Beschikbaarheid: het oordeel over de mate waarin een verschijnsel
voorkomt, wordt geleid door het gemak waarmee men voorbeelden kan
bedenken.
4. Representativiteit: het oordeel over de kans waarmee je verschijnsel
optreedt, wordt geleid door de mate waarin het te beoordelen verschijnsel
overeenkomt met wat als daarvoor typerend wordt opgevat.
5. Verankering: oordelen over de frequentie of omgang van verschijnselen
blijven sterk verankerd In de aanvangswaarden die de beoordelaar
hanteert.
6. Confirmatorische teststrategie: het opzoeken van informatie die bij de
eigen mening aansluit.