De 7 sleutels en de vragen die we stellen bij elke sleutel stellen
1. Sociale organisatie 1. Wat is het sociale?
2. Cultuur 2. Wat is het object van de studie?
3. Dominantie 3. Welk perspectief nemen we in?
4. Praktijken 4. Wat is het probleem?
5. Relaties 5. Welk gereedschap hebben we?
6. Ecologie 6. Waar gaat dit heen?
7. Reproductie 7. Waar gaat het om?
De 4 sociologische perspectieven
1. Functionalisme (macro)
De samenleving als een functioneel geheel
2. Conflictbenadering (macro)
De samenleving als strijdtoneel
3. Symbolisch interactionisme
De samenleving van betekenis gevende individuen
4. Rationele keuzebenadering
De samenleving van calculerende individuen
Functionalisme (Macro)=
De samenleving als complex sociaal systeem waarvan alle afzonderlijke onderdelen
samenhangen en samenwerken om stabiliteit en solidariteit in de samenleving te produceren
- De onderdelen zijn: Onderwijs, de arbeidsmarkt, de economie, etc.
De centrale vraag van functionalisme:
‘’Wat is de functie van sociale verschijnselen?
- Sociale verschijnselen kunnen het beste worden verklaard in termen van de functies
die zij vervullen door continuïteit van de samenleving
Conflictbenadering (Macro)=
De maatschappelijke verhoudingen zijn het resultaat van constante strijd
tussen sociale groepen. Goed voor het verklaren van veranderingen maar
moeilijker om stabiliteit te theoriseren.
- Sociale conflicten zijn onvermijdelijk en zorgen voor sociale
verandering en vernieuwing
Ongelijkheidsvraagstuk: wie krijgt wat, waarom en hoe is dat zo ontstaan
en hoe wordt dat geproduceerd?
Symbolische interactionisme (Micro) =
Mensen reageren niet direct op elkaars gedragingen, maar op de
bedoeling die ze erachter vermoeden. De basis van de sociologie zijn de
interacties met betekenissen.
,Het gaat er niet om wat mensen doen, maar om de betekenis die eraan
dart gedrag wordt toegeschreven. Het gaat om de interpretatie en niet om
de feiten / echte bedoelingen van mensen. Je kan niets van het sociale
leven begrijpen als je niet de betekenissen weet.
Rationele keuzebenadering (Micro)=
De samenleving bestaat uit rationele individuen die uit eigenbelang
handelen, waarbij ze kosten en baten afwegen
- Rationele keuze niet alleen bij economisch handelen, maar ook bij
niet-economisch handelen
Sociale organisatie
= Een groep mensen, een systeem of een instelling die op een bepaalde manier is
gestructureerd en samenwerkt om een gemeenschappelijk doel of belang te dienen
Comte
Hij was een Franse filosoof en socioloog
Bedacht de naam sociologie >>> Hoe een maatschappij zichzelf in stand houdt.
Hielden zich bezig met industralisatie en keken hoe ze het zo inrichten dat het gestructureerd
loopt. Ze gingen hierdoor naar het sociale leven kijken op dezelfde manier. Dat de
maatschappij op een rationele en efficiente manier zou kunnen draaien.
- Comte sprak de hoofdzaak om sociale vraagstukken wetenschappelijk beantwoord uit
de sociologie. De bestudering van een maatschappelijk lichaam
- Organicisme: We moeten naar de samenleving (de sociale werkelijkheid) kijken alsof
het een lichaam is. De maatschappij zit zo in elkaar dat er allemaal organen zijn, die
ieder iets doen in de maatschappij en zo samen de hele maatschappij draaiende
houden.
Durkheim
Functionalist. Émile Durkheim was een Franse socioloog en wordt gezien als één van de
grondleggers van de moderne sociologie. Hij vond dat veel van zijn voorgangers, zoals
Auguste Comte, te hypothetisch en vaag waren. Durkheim wilde sociologie juist op een
wetenschappelijke basis vestigen. Volgens hem moest dit gebeuren door middel van
duidelijke methodologische principes. Het centrale object van studie in de sociologie moest
volgens Durkheim sociale feiten zijn.
Sociale feiten: Wijzen van handelen, denken en voelen die extern van het individu zijn en
een dwingende macht op hem uitoefenen.
- Sociale feiten zijn objectieve elementen van het sociale leven, zoals religie,
wetgeving, moraal of arbeidsdeling. Ze zijn extern aan het individu maar oefenen wel
invloed op het individu uit.
- Sociale feiten zijn collectief van aard en ontstaan en worden in stand gehouden
door sociale organisaties. Deze organisaties (zoals gezin, school, kerk) dragen normen,
waarden en gedragingen over aan individuen, dit proces heet socialisatie.
,Socialisatie: het proces waarbij een individu, bewust of onbewust, de waarden, normen en
cultuurkenmerken van zijn groep leert en overneemt.
Een bekend principe van Durkheim is:
"Study social facts as things"
Daarmee bedoelt hij dat sociale feiten bestudeerd moeten worden zoals objecten in de
natuurwetenschappen – dus systematisch, objectief en empirisch.
Solidariteit en arbeidsdeling
De samenleving is een systeem van onderlinge afhankelijke delen (instituties; religie, gezin,
politiek, onderwijs)
- Om dit goed te laten functioneren is sociale cohesie (mate waarin (groepen) mensen
zich met elkaar en instituties verbonden voelen) belangrijk.
- Ontstaan begrip organische solidariteit: vorm van verbondenheid die ontstaat in
moderne samenlevingen door arbeidsdeling.
- Omdat mensen in hun werk gespecialiseerd zijn, worden ze juist afhankelijk van
elkaar. Deze onderlinge afhankelijkheid verbindt mensen met elkaar.
o Solidariteit en arbeidsdeling zijn dus beide sociale feiten.
Solidariteit = bewustzijn van saamhorigheid en de bereidheid om de consequenties daarvan
te dragen (helpen van anderen zonder iets direct terug te verwachten).
Arbeidsdeling = het opsplitsen van productieproces in verschillende (gespecialiseerde) taken
die aan verschillende mensen of groepen worden toegewezen.
Integratie, regulatie en zelfmoord
Durkheim stelde dat de mate van integratie (hoe sterk mensen zich verbonden voelen met
een groep) en regulatie (hoe duidelijk de regels en normen zijn) cruciaal zijn voor het
functioneren van een samenleving. Wanneer deze twee uit balans zijn, ontstaan sociale
problemen. In zijn beroemde studie over zelfmoord liet hij zien dat zelfmoord niet alleen een
persoonlijke keuze is, maar sterk beïnvloed wordt door sociale factoren zoals:
- Te weinig integratie → gevoelens van eenzaamheid, isolatie.
- Te veel integratie → opgaan in het collectief, verlies van individualiteit.
- Te weinig regulatie → anomie, een gevoel van doelloosheid door normvervaging.
- Te veel regulatie → leven wordt volledig gestuurd, geen ruimte voor persoonlijke
vrijheid.
Volgens Durkheim zorgt de snelle sociale verandering in moderne samenlevingen ervoor dat
traditionele normen (vaak overgedragen via religie) afbrokkelen, wat leidt tot anomie: een
toestand van normloosheid.
Er kan sprake zijn in de samenleving van anomie, wat invloed heeft op individuen.
Normen boven doeleinden (verband tussen 2 sociale feiten)
- De doelen van mensen in het leven meer betekenen voor hun dan de normen.
(Normen zijn niet belangrijker dan hun doeleinden)
- Om hier mee om te kunnen gaan leidt tot het afwijkend gedrag
Religie en morele orde
In zijn werk The Elementary Forms of the Religious Life onderzocht Durkheim de rol van
religie in het behouden van morele orde. Religie speelt volgens hem een belangrijke rol in
, het versterken van sociale cohesie en het overbrengen van collectieve waarden, zelfs als het
geloof in een god afneemt.
Kernideeën van Durkheim samengevat:
- Sociologie moet zich richten op sociale feiten.
- Sociale feiten zijn extern, dwingend en collectief.
- Socialisatie is het proces waardoor sociale feiten worden overgedragen.
- Solidariteit (mechanisch of organisch) is essentieel voor sociale cohesie.
- Arbeidsdeling vergroot wederzijdse afhankelijkheid.
- Zelfmoord is niet alleen individueel, maar sociaal beïnvloed gedrag.
- Anomie ontstaat door gebrek aan duidelijke normen.
- Religie versterkt collectieve moraal en sociale orde.
Begrippen:
Anomie: de afwezigheid van normen in gedrag, gevoel van vervreemding en sociaal conflict
Door te snellere verandering dan dat organische solidariteit kan veranderen. Mensen
zijn niet samen en ze zijn interdependent
Collectief bewustzijn: overtuigingen en sentimenten die door leden van een samenleving
worden gedeeld schept een gevoel van samenzijn en bestaan in de wereld (ookwel normen).
Religie is de belangrijkste vorm van collectief geweten dat een uniformiteit van
overtuigingen en acties oplegt. >>>> Cohesie en uiteindelijk solidariteit.
- Alleen op kleine schaal. (Triviale samenlevingen)
- In de industriële evolutie (modernisering) is de samenleving in Europa steeds meer
afgaan staan van solidariteit als resultaat van collectief bewustzijn. Mensen worden
steeds individualistischer en maar ook meer geïntegreerd in de samenleving. >>> Dit
komt omdat er een nieuwe vorm van soliditeit is gecreëerd en dit is mogelijk gemaakt
door het concept van de division of labor. (De verdeling van de arbeid) >>>> dus nu niet
meer mechanische solidariteit maar solidariteit door afhankelijkheid van elkaars arbeid.
(Religie vervangen door instituties)
Mechanische solidariteit: de gelijkenissen die mensen in een samenleving hebben en die
gelijkenissen houden de samenleving in stand >>> allemaal hetzelfde activiteiten (of geloof)
Organische solidariteit: Solidariteit als gevolg van de division of labor (mensen hebben elkaar
nodig) waarbij collectief bewustzijn minder belangrijk wordt omdat mensen nu samen
worden gehouden door contracten en beroepen in plaats van verwantschap en sociale
interactie >>> Organische solidariteit is een speciale vorm van sociale interactie waarbij
individuen meer aan elkaar gelinkt zijn dan aan de samenleving als geheel.
Mechanische solidariteit VS organische solidariteit = sociale integratie VS systeemintegratie
- Individuen zijn geïntegreerd door de rollen die ze spelen in de samenleving
- Meer individualistisch + meer afhankelijk (en integratie) van elkaar
Talcott Parsons
Talcott Parsons was een Amerikaanse socioloog (en bioloog van opleiding) en wordt samen
met Niklas Luhmann beschouwd als een grondlegger van de theorie over sociale systemen.
Volgens Parsons begint de sociologie pas echt wanneer de samenleving als een systeem
wordt gezien.