Samenvatting Maw periode 1:
Ideologie: een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in
ideeën over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
Paragraaf 12.1
De cultuurdimensies van Hofstede:
Grote machtsafstand – Kleine machtsafstand
Individualistisch – Collectivistisch
Lage onzekerheidsvermijding – Hoge onzekerheidsvermijding
Langetermijngerichtheid – Korte termijngerichtheid
Masculien – Feminien
6 Politieke vereisten van democratie:
Gekozen volksvertegenwoordigers die de regering controleren
Vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen
Vrijheid van meningsuiting
Toegang tot meerdere onafhankelijke informatie bronnen, geen censuur of een monopolie
voor staatsmedia
Vrijheid van vereniging
Inclusief burgerschap: alle volwassenen hebben dezelfde rechten
Drietal probleemgebieden m.b.t politiek cohesie:
De politieke betrokkenheid
De bestuurlijke schaalvergroting
Gemankeerde communicatie
Visies representativiteit:
Afspiegelingsmodel: volksvertegenwoordiging moet zoveel mogelijk lijken op de
samenstelling van het volk.
Rolmodel: de standpunten van de volksvertegenwoordiger moeten lijken op die van het volk.
Partijenmodel: verschillende politiek partijen vertegenwoordigen verschillende standpunten
binnen het volk.
Paragraaf 12.2
Indeling standpunten:
Links – Rechts
Pregressief – conservatief
Nationalisme – internationalisme
Materialisme – postmaterialisme
Socialisme/sociaaldemocratie: gelijkwaardigheid en een sterke, steunende rol van de overheid om
dit te kunnen realiseren (Midden/Links)
Liberalisme: individuele rechten en vrijheden (Midden/Rechts)
Confessionalisme: Christelijke waarden, samenwerking en harmonie (Bijbel, kan zowel links als
rechts)
, Paragraaf 12.3
Scheiding der machten:
Trias Politica:
Wetgevende macht – uitvoerende macht – rechtsprekende macht
Ambtenaren(4e macht) – Massamedia(5e macht) – Externe adviseurs(6 e macht)
Functie Politieke partijen:
Rekrutering en selectie: het verwerven en opleiden van mensen tot nieuwe politici.
Articulatie: het inventariseren van wensen, eisen en belangen vanuit de samenleving en dit
vervolgens op de politieke agenda plaatsen
Participatie : het interesseren van mensen om politiek actief te worden
Aggregatie: het afwegen van wensen, eisen en belangen
Communicatie: een brug vervullen tussen de overheid en de burger
Pressiegroep:
Lijkt op een politieke partij maar heeft geen kandidaten bij verkiezingen en is gericht op één specifiek
terrein van de samenleving zoals onderwijs of verkeer.
Massamedia:
Framing: dominante probleemdefinitie bepalen. Politici proberen zo te spreken over een
onderwerp dat het past binnen hun manier van denken en zo het publiek willen overtuigen.
Priming: eigenaar worden van een thema. Politici claimen een onderwerp alsof zijzelf de
expert zijn of de beste oplossing kunnen bieden.
Paragraad 12.4
Besluitvormingsmodellen: systeemmodel, barrièremodel, stromenmodel. Die leggen nadruk op
verschillende zaken die een rol spelen bij politieke besluitvorming als een soort gebruiksaanwijzing
van deze besluitvorming .
Systeemmodel: er worden eisen en wensen in gebracht, die worden in de politiek omgezet en daar
komt dan een wet uit. We onderscheiden hierin de volgende fasen:
Input: invoer van wensen en eisen en de steun. Eisen kunnen naar voren komen in
verkiezingen maar ook demonstraties of stakingen. Steun heeft juist te maken met actoren
die het eens zijn met het beleid. Hierin heb je actieve steun en passieve steun.
Poortwachters: bepalen of een probleem ‘naar binnen mag’ bij de politiek. Bv. Massamedia,
politieke partijen en pressiegroepen.
Omzetting: politieksysteem. Drie subfasen binnen het proces van omzetting:
Politieke agendavorming. Komt een probleem op de politieke agenda?
Beleidsvoorbereiding. Adviezen en alternatieven worden gegeven.
Beleidsbepaling: beslissingen over welk beleid uitgevoerd moet worden, worden
gemaakt.
Output: uitvoer. Een politiek besluit, vaak een wet of maatregel, wordt uitgevoerd. Vaak
gedaan door ambtenaren.
Terugkoppeling: feedback. Bepaalde actoren kunnen het oneens zijn met het nieuwe beleid
en dat kan leiden tot nieuwe invoer van wensen en eisen.
Ideologie: een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in
ideeën over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
Paragraaf 12.1
De cultuurdimensies van Hofstede:
Grote machtsafstand – Kleine machtsafstand
Individualistisch – Collectivistisch
Lage onzekerheidsvermijding – Hoge onzekerheidsvermijding
Langetermijngerichtheid – Korte termijngerichtheid
Masculien – Feminien
6 Politieke vereisten van democratie:
Gekozen volksvertegenwoordigers die de regering controleren
Vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen
Vrijheid van meningsuiting
Toegang tot meerdere onafhankelijke informatie bronnen, geen censuur of een monopolie
voor staatsmedia
Vrijheid van vereniging
Inclusief burgerschap: alle volwassenen hebben dezelfde rechten
Drietal probleemgebieden m.b.t politiek cohesie:
De politieke betrokkenheid
De bestuurlijke schaalvergroting
Gemankeerde communicatie
Visies representativiteit:
Afspiegelingsmodel: volksvertegenwoordiging moet zoveel mogelijk lijken op de
samenstelling van het volk.
Rolmodel: de standpunten van de volksvertegenwoordiger moeten lijken op die van het volk.
Partijenmodel: verschillende politiek partijen vertegenwoordigen verschillende standpunten
binnen het volk.
Paragraaf 12.2
Indeling standpunten:
Links – Rechts
Pregressief – conservatief
Nationalisme – internationalisme
Materialisme – postmaterialisme
Socialisme/sociaaldemocratie: gelijkwaardigheid en een sterke, steunende rol van de overheid om
dit te kunnen realiseren (Midden/Links)
Liberalisme: individuele rechten en vrijheden (Midden/Rechts)
Confessionalisme: Christelijke waarden, samenwerking en harmonie (Bijbel, kan zowel links als
rechts)
, Paragraaf 12.3
Scheiding der machten:
Trias Politica:
Wetgevende macht – uitvoerende macht – rechtsprekende macht
Ambtenaren(4e macht) – Massamedia(5e macht) – Externe adviseurs(6 e macht)
Functie Politieke partijen:
Rekrutering en selectie: het verwerven en opleiden van mensen tot nieuwe politici.
Articulatie: het inventariseren van wensen, eisen en belangen vanuit de samenleving en dit
vervolgens op de politieke agenda plaatsen
Participatie : het interesseren van mensen om politiek actief te worden
Aggregatie: het afwegen van wensen, eisen en belangen
Communicatie: een brug vervullen tussen de overheid en de burger
Pressiegroep:
Lijkt op een politieke partij maar heeft geen kandidaten bij verkiezingen en is gericht op één specifiek
terrein van de samenleving zoals onderwijs of verkeer.
Massamedia:
Framing: dominante probleemdefinitie bepalen. Politici proberen zo te spreken over een
onderwerp dat het past binnen hun manier van denken en zo het publiek willen overtuigen.
Priming: eigenaar worden van een thema. Politici claimen een onderwerp alsof zijzelf de
expert zijn of de beste oplossing kunnen bieden.
Paragraad 12.4
Besluitvormingsmodellen: systeemmodel, barrièremodel, stromenmodel. Die leggen nadruk op
verschillende zaken die een rol spelen bij politieke besluitvorming als een soort gebruiksaanwijzing
van deze besluitvorming .
Systeemmodel: er worden eisen en wensen in gebracht, die worden in de politiek omgezet en daar
komt dan een wet uit. We onderscheiden hierin de volgende fasen:
Input: invoer van wensen en eisen en de steun. Eisen kunnen naar voren komen in
verkiezingen maar ook demonstraties of stakingen. Steun heeft juist te maken met actoren
die het eens zijn met het beleid. Hierin heb je actieve steun en passieve steun.
Poortwachters: bepalen of een probleem ‘naar binnen mag’ bij de politiek. Bv. Massamedia,
politieke partijen en pressiegroepen.
Omzetting: politieksysteem. Drie subfasen binnen het proces van omzetting:
Politieke agendavorming. Komt een probleem op de politieke agenda?
Beleidsvoorbereiding. Adviezen en alternatieven worden gegeven.
Beleidsbepaling: beslissingen over welk beleid uitgevoerd moet worden, worden
gemaakt.
Output: uitvoer. Een politiek besluit, vaak een wet of maatregel, wordt uitgevoerd. Vaak
gedaan door ambtenaren.
Terugkoppeling: feedback. Bepaalde actoren kunnen het oneens zijn met het nieuwe beleid
en dat kan leiden tot nieuwe invoer van wensen en eisen.