Literatuur SSM..............................................................................................5
Artikel 1 (SP) “The need to belong: Desire for interpersonal attachments
as a fundamental human motivation”......................................................5
Vormen van sociale banden...................................................................7
Niet breken van banden.........................................................................8
Cognitie.................................................................................................9
Emotie.................................................................................................10
Consequenties van deprivatie.............................................................13
Gedeeltelijke deprivatie: verbondenheid zonder interactie.................15
Gedeeltelijke deprivatie: interactie zonder een zorgzame band..........15
Verzadiging en vervanging..................................................................17
Aangeborenheid, universaliteit en evolutionaire perspectieven..........19
Artikel 2 (CP): “Motivated empathy: a social neuroscience perspective”
................................................................................................................20
Empathische motieven op neuraal niveau...........................................21
Empathische ervaringen afstemmen door interventie.........................22
Artikel 3 (OWP): “The building blocks of social competence:
Contributions of the consortium of individual development”..................23
Artikel 4 (SP): “Pair-bonding as inclusion of other in the self: A literature
review”....................................................................................................32
Meten van zelfexpansie.......................................................................32
Predictoren van zelfexpansie...............................................................33
Uitkomsten van zelfexpansie...............................................................33
Recente theoretische richtingen..........................................................35
Artikel 5 (CP): “The neurobiology of human attachments”.....................36
De neurobiologie van zoogdierlijke affiliatie........................................38
Time-keeping pulsatility.......................................................................42
Dopamine............................................................................................42
Oxytocine.............................................................................................42
Zoogdierlijke affiliatieve banden: ouders, partners en leeftijdsgenoten
.............................................................................................................43
Biogedragsmatige synchronie in menselijke hechtingen.....................45
1
, Menselijke hechtingen en het brein.....................................................47
Artikel 6 (OWP): “Parents or peers? Predictors of prosocial behavior and
aggression”.............................................................................................50
Artikel 7 (KP): “Need supportive and need-thwarting socialization: A
circumplex model”..................................................................................56
Autonomie ondersteuning en controle.................................................57
Autonomie-ondersteuning en structuur...............................................58
Circumplex model................................................................................59
Relaties met uitkomsten......................................................................62
Relaties met antecedenten..................................................................63
De voordelen van een circumplex perspectief.....................................63
Motiverend maatwerk en het vermogen tot kalibratie.........................64
Artikel 8 (SP): “Are groups more or less than the sum of their members?
The moderating role of the individual identification...............................66
Theorie: waarom groepen zichzelf differentiëren.................................67
Review van het bewijs.........................................................................71
Discussie..............................................................................................80
Conclusie.............................................................................................81
De hoe en waaroms van wij (en ik) in groepen....................................81
Identiteit betekent iets voor individuen: groepsbeoordeling kan niet
gereduceerd worden tot collectieve prestatie.....................................82
De unieke rol van de agent binnen een romantische groep................84
Groep en individu als complementaire conceptuele categorieën........86
Maar is het sociaal? Hoe weet je wanneer groepen meer zijn dan de
som van hun leden?.............................................................................88
Sociale, niet individuele, identificatie is de sleutel tot het begrijpen van
groepsfenomenen................................................................................89
De subtiele effecten van stimulansen en competitie op groepsprestatie
.............................................................................................................91
Overwegen van de rol van ecologie op individuele differentiatie........92
Opgeloste paradozen en oude houden? Het onderzoek dat nodig is
over gedifferentieerde zelven..............................................................93
Hoe groepsleden bijdragen aan groepsprestatie: bewijs van agent-
gebaseerde simulaties.........................................................................95
2
, Reputatieproblemen als algemene bepalende factor voor het
functioneren van een groep.................................................................96
Mensen zijn geen borg: persoonlijke en sociale zelven functioneren als
componenten in een verenigd zelfsysteem.........................................98
Sociale identificatie is over het algemeen een voorwaarde voor
groepssucces en sluit intragroepsdifferentiatie niet uit.......................99
Groepen hebben zelven nodig, maar welke zelven?..........................101
We zijn het eens en oneens, wat exact is wat de meeste mensen
meestal doen.....................................................................................102
Groepsleden verschillen relatief prototypisch: effecten op het individu
en de groep........................................................................................103
Verder dan oude dichotomieën: individuele differentiatie kan zich
voordoen via groepscommitment, niet ondanks................................105
Groep lidmaatschap: wie mag kiezen................................................106
Taak specificiteit en de impact van zowel individu als groep gedurende
het vormen van groepen...................................................................108
Leden differentiatie en groepstaken..................................................109
Groepsgedrag in militaire dienst kan een uniek geval bieden...........110
Differentiatie van de zelven: differentiëren van een vaag concept. . .111
Gedifferentieerde zelven helpen alleen wanneer identificatie sterk is
en taken complex..............................................................................112
De-individualisering betwisten: waarom negatief groepsgedrag
voortkomt uit groepsnormen, niet uit groepsonderdompeling..........113
Plaatsvervangende besmetting vermindert differentiatie en brengt
kosten met zich mee..........................................................................115
Niet eens fout: onnauwkeurigheid houdt de illusie van begrip in stand
ten koste van daadwerkelijk begrip...................................................117
Groepswerk in reanimatieteams........................................................118
Gedifferentieerde zelven kunnen goed zijn voor de groep, maar laten
we helder zijn over waarom...............................................................119
Rollen en rangen: het belang van hiërarchie in groepsfunctioneren. 120
Differentiëren van zelven faciliteert groepsuitkomsten.....................122
Artikel 9 (SP): “The social identity approach: Appraising the Tajfellian
legacy”..................................................................................................123
Sociale identiteitstheorie en intergroep relaties................................123
3
, Sociale identiteitstheorie als een algemene theorie voor
intergroepconflict...............................................................................124
Sociale identiteitstheorie als een theorie voor identiteit...................125
Sociale identiteitstheorie als een theorie voor vooroordelen en
discriminatie......................................................................................127
Het sociale identiteitsperspectief op tijdelijke sociale psychologie. . .128
Artikel 10 (CP): “The Neuroscience of social decision-making”............132
Taken..................................................................................................132
Neurowetenschappelijke methoden...................................................134
Wederzijdse uitwisseling....................................................................135
Delen en verdelen van middelen.......................................................141
Altruïsme...........................................................................................144
Normatieve besluitvorming................................................................145
Altruïstische straf...............................................................................147
Sociaal leren......................................................................................147
Competitieve sociale interacties........................................................148
Artikel 11 (OWP): “Race and ethnicity in the context of children’s social
development”.......................................................................................149
Sociaal cognitieve ontwikkelingstheorieën over ras..........................150
Sociale groepsconcepten en raciale voorkeuren................................153
De rol van sociale status op raciale attitudes....................................153
Redeneren over raciale en socioeconomische ongelijkheden............154
De rol van groepsnormen op raciale attitudes...................................155
Het verminderen van vooroordelen in de kindertijd..........................156
Artikel 12 (KP): “Self-determination theory: Basic psychological needs in
motivation, development, and wellness”..............................................157
Het zelf binnen culturen: psychologische behoeften en hun
universaliteit......................................................................................159
Waarden, motieven en behoeften binnen culturen............................161
Basisbehoeftenbevredigingen: zijn de effecten universeel?..............161
Van theorie tot bewijs: cross-cultureel onderzoek met gebruik van SDT
...........................................................................................................164
Niet alle culturele normen kunnen makkelijk geïntegreerd worden...170
Culturele competentie en interventies voor bloei en ontwikkeling....171
4