1. Soorten spierweefsel
Er zijn drie soorten spierweefsel in het lichaam, elk met een eigen structuur, functie en
werking:
1. Glad spierweefsel
○ Vindplaats: Wand van holle organen zoals de darm, maag, bloedvaten.
○ Structuur: Spoelvormige cellen met één kern.
○ Kenmerken: Trekt langzaam samen, reageert traag, vrijwel onvermoeibaar.
○ Werking: Onwillekeurig, wordt niet door de wil aangestuurd.
2. Dwarsgestreept spierweefsel
○ Vindplaats: Skeletspieren.
○ Structuur: Lange ketens van spiercellen met meerdere kernen aan de
buitenzijde.
○ Kenmerken: Reageert en werkt snel, raakt snel vermoeid.
○ Werking: Willekeurig, kan met de wil worden aangestuurd.
3. Hartspierweefsel
○ Vindplaats: Hart.
○ Structuur: Dwarsgestreept maar met één kern per cel.
○ Kenmerken: Reageert snel, onvermoeibaar.
○ Werking: Onwillekeurig, aangestuurd door het autonome zenuwstelsel.
2. Diffusie & Osmose
● Diffusie: Spontane beweging van moleculen van een hoge naar lage concentratie.
○ Voorbeeld: Zuurstof diffundeert vanuit de longblaasjes naar het bloed.
● Osmose: Diffusie van water door een semipermeabel membraan, waarbij opgeloste
stoffen beperkt passeren.
○ Voorbeeld: Wateropname in de dunne darm via darmwandcellen.
3. Hartcyclus
1. Hartrustfase: AV-kleppen open, arteriële kleppen gesloten; atria en ventrikels
ontspannen.
2. Atriumsystole: Atria trekken samen, extra bloed naar ventrikels; AV-kleppen nog
open.
3. Ventrikelsystole: Ventrikels trekken samen, AV-kleppen sluiten; arteriële kleppen
openen bij voldoende druk.
4. Spijsvertering
4a. Koolhydraten
● Monosachariden: Glucose, fructose, galactose → direct opname in bloed.
● Disachariden: Maltose, lactose, sacharose → gesplitst door specifieke enzymen
(maltase, lactase, sacharase) → glucose of andere monosachariden.
, ● Polysachariden: Zetmeel → amylase → maltose → glucose → opname of opslag als
glycogeen.
4b. Eiwitten
● Maag: Pepsine + zoutzuur ontvouwen en splitsen eiwitten tot polypeptiden.
● Dunne darm: Trypsine en andere pancreasen breken verder → aminozuren.
● Opname: Bloed → lichaamseigen eiwitten of energieproductie; overtollige
aminogroepen → ureum in lever.
4c. Vetten
● Begin in duodenum, gal emulgeert triglyceriden → lipase splitst → di- en
monoglyceriden + vetzuren.
● Wateroplosbare vetten: poortader → bloed.
● Niet-wateroplosbare vetten: chylomicronen → lymfe → bloed.
● Circulatie: Vrije vetzuren gebonden aan albumine; triglyceriden afgegeven aan
weefsels.
5. Hormonen en energieregulatie
● Insuline: Bloedsuiker ↓, glycogeenopslag, vetopslag (anabool).
● Glucagon: Bloedsuiker ↑, glycogenolyse, vetafbraak (katabool).
● Verzadigingshormonen:
○ Ghreline → stimuleert honger
○ Leptine → stimuleert verzadiging
○ PYY → stimuleert verzadiging
6. Diabetes mellitus
● Type 1: Geen/ weinig insuline; risico ketoacidose, glucosurie, polyurie, dorst,
neurotoxiciteit van ketonen.
● Type 2: Verminderde insulinegevoeligheid; verhoogde bloedsuiker; risico hart- en
vaatziekten, hypoglykemie.
7. Botbalans
● Cellen: Osteoblasten (opbouw), osteoclasten (afbraak), osteocyten (onderhoud).
● Factoren:
○ Positief: calcium, vitamine D, botbelasting.
○ Negatief: leeftijd, menopauze, corticosteroïden, genetica.
, 8. Schildklier
● Hormonen T3 & T4: Reguleren stofwisseling.
● Hyperthyreoïde: Snelle hartslag, gewichtsverlies, nervositeit, tremoren, diarree.
● Hypothyreoïde: Trage hartslag, gewichtstoename, obstipatie, myxoedeem, moeheid.
9. Enzymen
● Functie: Biokatalysatoren, versnellen chemische reacties, ongewijzigd na reactie.
● Structuur: Eiwit + co-enzym.
● Invloed: Specifiek per substraat, pH- en temperatuurgevoelig.
● Voorbeelden in spijsvertering:
○ Amylase → zetmeel → maltose
○ Lipase → triglyceriden → vetzuren
○ Pepsine → eiwitten → polypeptiden
10. Risicofactoren bloeddruk
● Inspanning, roken, koffie, pijn, kou, angst, lichaamstemperatuur.
● RAAS: hormonale regeling van bloeddruk via renine → angiotensine → aldosteron.
Oefententamen Module 3 – 11 open vragen
Vraag 1 – Soorten spierweefsel
Beschrijf de drie soorten spierweefsel, hun vindplaats, kenmerken en of ze willekeurig of
onwillekeurig zijn.
Vraag 2 – Diffusie & Osmose
Leg het verschil uit tussen diffusie en osmose en geef per proces een voorbeeld in het
menselijk lichaam.