Tijdvak 1: Tijd van jagers en boeren
1.3.1 – Jagers-verzamelaars worden boeren
Jagers-verzamelaars leven als nomaden.
Kenmerken van de nomadische levenswijze (rondtrekkend bestaan):
Het voedsel wordt verkregen door verzamelen, jagen en vissen.
De mensen wonen in tijdelijke kampementen in de nabijheid van
voedsel.
De mensen volgen hun kudde dieren.
De enige sporen die de mensen achterlaten, zijn sporen van hun
kampementen.
Ze leven in groepen van ca. 25 mensen. Zo’n groep maakt deel uit van
een stam die gemiddeld bestaat uit 500 leden. Splitsing en fusie hangen
samen met de aanwezigheid van voedsel.
Agrarische revolutie: de overgang van jagen en verzamelen naar
landbouw (eerst landbouw, daarna veeteelt). De aanwezigheid van granen
en dieren en ontstaan van (semi)permanente nederzettingen zorgden
ervoor dat jagers-verzamelaars minder nomadisch gingen leven. Dankzij
de voedselproductie via de landbouw konden mensen zich specialiseren en
wordt de samenleving op een geheel andere wijze georganiseerd. Door
migratie van volkeren of door overname van technieken breidt de
landbouw zich uit naar het westen.
1.3.2 – Bandkeramiekers
In Midden-Europa ontstaat een cultuur van landbouwers, die genoemd is
naar hun aardwerk: bandkeramische cultuur. De bandkeramiekers bouwen
lange, rechthoekige huizen, waarvan de plattegronden teruggevonden zijn
dankzij de verkleuringen in de grond.
1.3.3 – Hunebedbouwers
Toetsvraag: Teken een hunebed en benoem hierbij minimaal vijf
onderdelen.
Toetsvraag: Waar komt het woord “hunebed” vandaan?
Het woord ‘hunebed’ komt voor het eerst voor in de 17e eeuw. ‘Hunen’
betekent ‘huijnen’ of reuzen, die eerst voor de bouwers zijn aangezien.
Een andere schrijfwijze is ‘hunebed’, verwijzend naar de hypothese dat de
Hunnen de bouwers zijn.
,Een andere naam voor de cultuur van de Hunebedbouwers is
Trechterbekercultuur. Deze naam verwijst naar een kenmerkende vorm
van een veel voorkomende pot: de trechterbeker.
De Hunebedbouwers wonen op de zandgronden van het Drents plateau.
Veel gebruiksvoorwerpen zijn van vuursteen. De bodemvondsten wijzen
op handelscontacten met Scandinavië, Helgoland, Noord-Duitsland,
Bohemen en de noordelijke Franse kust: vuurstenen bijlen, barnsteen,
koperen sieraden, gitkralen en donkerrode vuursteenknollen.
De Hunebedbouwers maken fraai versierd aardewerk in verschillende
vormen. Dit aardewerk kregen de doden in hun hunebedden mee, gevuld
met voedsel.
1.3.4 – Latere bewoners van de Lage Landen tot de komst van de
Romeinen
Neolithische culturen: Vlaardingen cultuur, Strijdhamer- of
Standvoetbekervolk, Klokbekervolk
Steentijd Bronstijd IJzertijd
De voorwerpen of grondstoffen moeten worden geïmporteerd. Dit wijst op
een levendige handel in Europa. Het maken van bronzen voorwerpen eist
specifieke vakkennis en gereedschap, dus ontstaat er een gespecialiseerd
ambacht: de bronsgieter. Zulke specialisten trekken door Europa.
Tijdens de ijzertijd gaan bewoners van Drenthe zich vestigen in de Fries-
Groningse kleistreek. Ze houden vee en verbouwen gewassen die geschikt
zijn voor de zoute grond (gerst, vlas en tuinbonen). Ze gaan wonen op
terpen (verhogingen voor boerderijen en later een heel dorp), omdat
delen van het land regelmatig overstromen. De terpentijd in Noord-
Nederland duurde tot ong. 1000 na Chr. Daarna komen er dijken en wordt
het land beschermd tegen de zee.
, Tegen het einde van de IJzertijd leefden er verschillende Germaanse
stammen in de Lage Landen. In het noorden de Friezen, in het oosten de
Tubanten en in het zuiden de Kelten.
Het exact jaartal voor het einde van de prehistorie is niet voor ieder
gebied hetzelfde, want die eindigt wanneer er geschreven geschriften zijn
gevonden. Daarna begint de historie. Voor de Lage Landen eindigde de
prehistorie rond 50 v. Chr. omdat Romeinse geschriften zijn gevonden in
de Lage Landen uit die tijd.
Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen
2.2 – De agrarisch-stedelijke levenswijze: het verschijnsel stad
Kenmerken van een stad:
Aanwezigheid stadsrechten (eigen bestuur, eigen rechtsspraak);
Concentratie van grote aantallen mensen op een klein grondgebied;
Samenstelling van de beroepsbevolking, waarbij handelaren en
ambachtslieden ver in de meerderheid zijn t.o.v. de landbouwers;
Veelheid aan functies (bestuurlijke, economische, culturele, militaire
met daaraan gekoppelde gebouwen en ruimten zoals het
bestuurscentrum, markten, werkplaatsen, theaters etc.)
Afbakening t.o.v. het platteland (stadsmuren met toegangspoorten)
2.2.1 – De oudste steden
De Soemeriërs leefden in Mesopotamië van 5000 tot 2000 v. Chr. Ze
bedachten een systeem van irrigatie. De dorpen groeiden uit tot
stadstaten met een eigen bestuur onder leiding van een vorst. Centraal in
de stad staat de tempel, de ziggoerat. Daaromheen bouwden ze hun
huizen. De tempels ontvangen van de bewoners giften. Om alle
bezittingen te registreren ontstond er een behoefte aan schrift. Er ontstaat
spijkerschrift op kleitabletten.
Door overstromingen van de Nijl is er vruchtbare grond ontstaan. Dit is de
basis voor de hoogontwikkelde cultuur van het oude Egypte met een
bloeitijd van 2800 tot 700 v. Chr. De geschiedenis van Egypte is verdeeld
in rijken.
- Tijdens het Oude rijk (2800 tot 2200 v. Chr.) was Memphis de hoofdstad.
Daar woonde de farao, die koning en ook god is. De farao’s werden
begraven in piramiden dicht bij Memphis bij Gizeh.
- Tijdens het Middenrijk (2100 tot 1650 v. Chr.) was Thebe de hoofdstad.
- Tijdens het Nieuwe rijk (1600 tot 700 v. Chr.) was El Amarna de
hoofdstad.