Prehistorie en oudheid
COLLEGE INTROWEEK
Het begin: Trijntje, oudste vrouw van nl. 5500 v chr. Op basis van skelet: gezond, 1 kind enzovoort.
Eerste mens in NL/EU:
Homo heidelbergensis: 800.000-250.000 jaar geleden in Europa
Neanderthaler: 250.00-28.000 jaar geleden EU
- Ook resten in nl gevonden
- Weg gedreven door homo sapiens
Homo Sapiens: 46.000 jaar geleden in EU
- Rendier jagers
- 9000 jaar gelden in nl oudste resten in nl
- Sneeuw in nl in die tijd.
Taal, instrument, vuur, communicatie is in die tijd ontstaan. Belangrijke ontwikkeling. Maakt waar wij
nu zijn. Is een grote periode, geeft les over klein stukje geschiedenis.
Klimaatverandering: wegtrekken laatste ijstijd 116.000-11.700 jaar geleden.
Weinig vegetatie, kunnen dus weinig mensen leven. IJs weg dus grond vruchtbaar, landbouw
ontstaat. Eerst de vruchtbare halve maan.
Trijntje leefde in de Steentijd. Welke steentijd?
Oude steentijd: jagers en verzamelaars
Midden steentijd: de overgang
Nieuwe steentijd: landbouw revolutie (Neolithische revolutie)
Door stijging zeespiegel, want ijs smolt, liep veel onder water en ontstond nl. Veel rivierduinen. Op
Donk is Trijntje gevonden. Zee spiegel bleef toen stijgen, donk brokkelde af, donk liep onderwater,
dus Trijntje lag onder water en is dus beter geconserveerd.
Onderzoek Trijntje
Op basis van het lichaam van Trijntje en omgeving is onderzoek gepleegd:
Plantaardige resten
Botanische archeologen keken verder met een pollenonderzoek. Dus weten ze de bomen, struiken
en planten. En verkoolde resten zoals pitten en noten. Waternoten bijv.
Dierlijke resten
Vlees, pels . Snijsporen bij de skeletten van dieren dus er is een val gebruikt. Ging dus ook om pels.
Huisdier is ook gevonden. Want mooi begraven en geen hoop botten. Dus andere relatie met die
“hond”.
Menselijke resten
Verstoord graf, snijsporen, resten ook van kinderen gevonden.
Grondsporen
Paalgaten, kuilen en verbrandingsresten. Dus wellicht ingegraven hutten.
Voorwerpen
Vuurstenen voorwerpen, steen bleef goed bewaard ze hebben miss nog meer gebruikt is niet
bewaard gebleven. Plantenvezels(touw maken en dus netten en dus vis vangen), been(bijlhouder) en
gewei. Steentijd is dus verkeerde tijd, gebruikte niet alleen vuursteen.
Ze vonden ook bewerkte stenen met punten, krabbers, messen en boren.
,Prehistorie & Oudheid Blok 1
Stenen komen uit verschillende plaatsen. Groot gebied, door handel kan dat daar alleen maar
komen. Dus er was contact vanuit de Donk van Trijntje met bijv. de Ardennen.
Op bijlhouder (van been) zijn versieringen aangetroffen. Sprake van cultuur, uitten esthetiek of taal
en symboliek. Patronen werden ook in Zuid Frankrijk herkend dus er was daar een cultuurgebied.
Conclusies:
Dierlijk(wild, watervogels en vis) en plantaardig(appels, hazelnoten, wortels, zaden en bessen) eten.
Dingen die niet verbouwd werden maar verzameld.
Bewoning: basiskamp, vrouwen en kinderen aanwezig. Verbleven lange tijd. Voornamelijk in winter
blijkt uit pels.
Met een of enkele kerngezinnen. Ongeveer 15 man.
Vragen
Waarom begraven: geloof in hiernamaals? Was ze belangrijker dan de rest.
Connectie met groepen in FR: kunstuitingen op gewei.
Connectie met Limburg: vuursteen daar vandaan
Waar in zomer: niet op donk, botten van oerrund.
Hoe komen ze aan nieuw bloed: voor voorplanting. Weten niet welk geslacht bij ander kerngezin
ging.
Voornamelijk vrouwelijke beeldjes gevonden, zegt iets over positie van de vrouw. Verzamelen is ook
belangrijker dan jagen dus dat idee verstrekt de positie van de vrouw uit die tijd.
COLLEGE 1 WEEK 1
Tijd van jagers en boeren:
Leefwijze van jagen en verzamelen
Beperkt draagkracht van de natuur: kleine groepen want weinig voedsel – taal en symbolisch denken
Nomadisch bestaan – dus weinig bezit. – egalitair, dus gelijk (wel
rolverdeling)
Paleolithicum(oude steentijd): primitieve stenen werktuigen ( want weinig bezit)
Waarom tekening in grot maken: symbolische bedoeling, taal.
Neanderthales in Noordzee gevonden. (onderwater gelopen, na het einde van de IJstijd. )
In de landbouwsamenleving is meer bezit, dus word er meer gestolen, en dus meer geweld.
Ze wonen nu op 1 plek. Deze verandering/ revolutie is nog steeds gaande in afgelegen gebieden in
bijvoorbeeld Afrika.
Drieduizend jaar gelden was landbouwrevolutie in midden oosten (vruchtbare halve maan) , tijdens
de Trojaanse oorlog.
Hierna bronstijd, ijzertijd.
Trijntje: jagers en verzamelaars leefde in een kleine groep, weinig bezit wel taal en symboliek.
Egalitair? Niet want waarom zij wel een graf?
Trijntje landbouw: klimaatverandering want graf bewaard gebleven. Verfijnde stenen werktuigen
gevonden. Keerde terug naar die Donk in winter is semi nomadisch.
Dus Trijntje komt uit steentijd van Jagers en verzamelaars. Uit het midden( Mesolithicum) steentijd.
Is al wel landbouw toen in nl. Er vinden tegelijk dingen plaats er waren jagers en verzamelaars en
tegelijk ook landbouw. Dus het volgt elkaar niet precies op maar tegelijk. Continuïteit en
discontinuïteit.
,Prehistorie & Oudheid Blok 1
Invalshoeken geschiedenis:
Geografie: landschap klimaat
Politiek: wie heeft macht en hoe uitgeoefend
Sociale verhoudingen: groepen en hoe verhouden ze zich tot elkaar
Economie: middelen van bestaan, hoe geld verdient.
Immateriële cultuur: geestelijke leven, hoe omgaan met dood, waar geloven ze in?
Materiele cultuur: ontwikkelingen in techniek, taal en kunst.
Jagers en verzamelaars:
De natuur had een lage draagkracht- er was weinig voedsel-dus weinig mensen- en dus kleine
groepen.
Ze hadden welk contact met andere groepen: ze kwamen een paar keer per jaar bij elkaar om handel
te drijven en voor een huwelijksmarkt.
Landbouwsamenleving:
Klimaatverandering, het wegtrekken van de laatste ijstijd. Het wordt warmer en vochtiger en dus
geschikt voor de landbouw, vooral in de vruchtbare halve maan. Er was meer voedsel en dus meer
mensen en dit was een vicieuze cirkel. Dit kon door de technische verbeteringen zoals de
brandcultuur.
In het mesolithicum was de overgangstijd van jagers en verzamelaars naar boeren. Ze trokken rond in
vaste patronen. In het Neolithicum ontstond er een sedentaire boerensamenleving.
Doordat er meer voedsel was ontstond er een surplus wat mogelijkheid gaf tot surplus.
COLLEGE 2 WEEK 1
Verschil tussen prehistorie en oudheid?
Prehistorie had GEEN schrift, oudheid had WEL schrift; kan per cultuur verschillen wanneer oudheid/
prehistorie begint.
Belang van deze periodes?
Is fundament van onze beschaving.
Waarom leerlingen hier lastig mee vallen?
Leren van de geschiedenis; leerlingen krijgen een brede oriëntatie.
Historische significantie = waarom moeten leerlingen dit leren?
Criteria voor het bepalen van historische significatie:
o Belangrijkheid: hoe belangrijk was het voor mensen in het verleden?
o Impact: welk impact had het op het leven van mensen?
o Hoeveelheid: hoeveel levens werden erdoor beïnvloed?
o Duur: hoelang had het invloed?
o Relevantie: draagt het bij aan een beter begrip van de huidige tijd?
Personen of ontwikkelingen zijn historisch significant als zij veranderingen teweegbrachten
die grote gevolgen hadden voor veel mensen over een langere periode en/of als ze iets
onthullen over dat verleden, nieuwe aspecten belichten of aspecten die voortduren tot in het
heden.
- Een onderwerp hoeft niet aan alle criteria te voldoen, maar een onderwerp kan
wel minder/meer significant zijn dan een ander onderwerp!
Waarom is Trijntje historisch significant?
, Prehistorie & Oudheid Blok 1
Trijntje onthult iets over het verleden, wat we anders nooit te weten waren gekomen.
COLLEGE 3 WEEK 2
Relatie tussen monument als Stonehenge (is megalithisch monument) en de neolithische revolutie.
Oorzakelijke relatie. -> samenwerken, dus meer mensen, bepalen seizoenen en dat staat in relatie
met de landbouw. Tijd over, als je sedentair bent maak je zo’n monument want je maakt het niet en
gaat vervolgens weg, je komt er terug dus sedentair leven. Dit is een vorm van specialisatie en die
was er in de landbouw want tijd over.
Oorzaken voor de revolutie: wegtrekken ijstijd, vruchtbare grond, bevolkingsdruk en succes zelf.
Gevolgen revolutie landbouw: Toegenomen draagkracht van de natuur na revolutie en surplus en
sedentair specialisatie, bezitsvorming, hiërarchie
Cyclus:
Grotere draagkracht-> grotere groepen-> meer landbouwgrond-> grotere groepen-> landbouw
innovatie-> grotere groepen-> grotere draagkracht. Niet alleen in prehistorie vind dit plaats ook nu
nog en in de middeleeuwen. Let op: er waren ook hongersnoden die niet zijn meegenomen in deze
cyclus en dan stopt de bevolkingsgroei dus!!
Vroeg stedelijke samenlevingen:
In vruchtbare rivierdalen kan irrigatielandbouw ontstaan en dat zorgt voor surplus. Vruchtbaar slib na
overstroming zorgt voor vruchtbaar land. Rivieren zorgde ook voor klei waar ze stenen van maakte.
Bronstijd-> 3000 voor Christus
IJzertijd-> 1200 v. Chr.
Eerste stad: Uruk. In Sumer leidde priesters de irrigatielandbouw en daardoor kwamen er ook
tempels. Spijkerschrift was Sumerisch. Het was zo ingewikkeld dat er speciale scholen voor kwamen.
Paleiseconomie (tempeleconomie)-> Deel van de overschot van de boer gaat naar paleis en of
tempel en vanuit daar wordt het verdeeld over de niet productieve beroepen. Zo ontstaat ook de
behoefte aan administratie en schrift/schrijvers. Mesopotamië kennen wij spijkerschrift en in Egypte
Hiëroglyfen schrift. Dorpen groeien uit tot autonome steden, eigen beslissingen nemen en dat is een
stadstaten = stad en omliggend platteland.
Ongelijkheid door arbeidsspecialisatie en bezitsvorming.
Door het leven in grote groepen is wetgeving nodig (wetboek van Hammurabi, uit Babylonië).
Klassenjustitie, per laag uit de samenleving zijn er andere regels. Voorbeelden van zijn wetten waren
dat als een man zijn vrouw betrapte op overspel zij vastgebonden in de rivier moest worden gegooid.
Oog om oog en tand om tand. Als de crimineel en het slachtoffer uit de zelfde sociale laag kwamen
kon het slachtoffer de exacte wraak terug eisen.
Sommige stadstaten groeien uit tot koninkrijken.
Sargon, koning van het noorden van Sumer, startte een groot koninkrijk en zorgde dat zijn zonen aan
de macht kwamen en zijn dochter, Enheduana priesteres werd, zij schreef hyms. Door droogte viel
zijn gebied uit elkaar en er ontstonden stadstaten.