getoetst in KT 4.1 & 4.2
Inhoud
Verpleegkundige Zorgverlening – VZ....................................................................1
Geneeskunde – GK...............................................................................................2
Zorginnovatie & Ondernemerschap – ZO.............................................................19
Basistechnologie – BT........................................................................................21
Toegepaste Technologie – TT..............................................................................22
Ergonomie - EG..................................................................................................24
Inhoud KT 4.2....................................................................................................24
Gedragsleer – GL...............................................................................................24
Inhoud KT 4.1
Verpleegkundige Zorgverlening – VZ
College 4.2
Literatuur:
1
, Zorgpad.nl,
uitscheiding: https://zorgpad.digitaal.noordhoff.nl/#/assignments/01a7b4ab-1c16-4fc9-9b40-953dcf261891/6fe792e7-8fda-42a6-9b43-1a31d28aa446/afeb0ba9-cd76-4736-816d-23e837203bee/029e73f5-4bf0-45be-b667-f3ebce35d296
Stomazorg t/m H5: https://zorgpad.digitaal.noordhoff.nl/#/assignments/01a7b4ab-1c16-4fc9-9b40-953dcf261891/7af52dfa-31d7-448d-975f-535108af289e/709af016-cae0-4021-9288-8bcff755a10f/c9dea96a-5c02-4a2f-8698-
51ac7339cd41
Katheterzorg (behalve 2 en 4): https://zorgpad.digitaal.noordhoff.nl/#/assignments/01a7b4ab-1c16-4fc9-9b40-953dcf261891/7af52dfa-31d7-448d-975f-535108af289e/e82402a4-774f-47ce-8b79-b1bd29561180/130fa308-dc26-4c67-a45f-c9e3f4ea3baf
Leerdoel 1: aan de hand van casuïstiek aangeven welke verpleegkundige zorg wordt verwacht bij
ondersteuning bij de uitscheiding
Zorg bij de uitscheiding is een belangrijk onderdeel van de verpleegkundige zorg:
Vanwege de hygiëne
o Was je handen voor en na elke zorghandeling die met de uitscheiding te maken heeft. Dat
geldt ook voor je eigen toiletbezoek.
o Werk volgens het protocol van de instelling.
o Draag handschoenen, als dat voorgeschreven is
Vanwege de zorg om het welbevinden van de zorgvrager
Om de uitscheidingsproducten te kunnen observeren en afwijkingen te signaleren.
o Door de uitscheidingsproducten goed te observeren, zie je afwijkingen snel. Je meldt
bijzonderheden aan de arts of de leidinggevende.
o Als bekend is dat een zorgvrager een besmettelijke ziekte heeft, moet je jezelf altijd
beschermen door handschoenen te dragen bij mogelijk contact met bloed (menstruatie),
ontlasting en urine
Je stemt zorg af op de zorgbehoefte, observeert het uitscheidingspatroon, geeft zorg en coördineert en
evalueert de zorg.
Leerdoel 2: een vochtbalans berekenen
Vochtinname – Vochtverlies = vochtbalans
Leerdoel 3: verschillend incontinentiemateriaal en materiaal voor stomaverzorging herkennen en
toepassen in casuïstiek
Incontinentiemateriaal
Eendelige wegwerpsystemen: ‘luierbroekje’, bij zware vorm van urine- en/of ontlastingsverlies
Tweedelige wegwerpsystemen: absorberende verbanden die door fixatiebroekje op de plaats
worden gehouden, bij een lichte tot zware vorm van incontinentie
Vrouwenverbanden: maandverband, extra absorberend, bij lichte of matig urine verlies
Mannenverbanden: te bevestigen met plakstrip, wordt om penis en scrotum gevouwen
Fixatie- of netbroekjes: om lekkages te voorkomen, moet nauw aansluiten.
Condoomkatheter: uritip, soort condoom met kort slangetje waaraan een urinezak wordt
bevestigd. Van siliconen of rubber, met volledige plaklaag of aparte plakstrip
Anaaltampon: bij beperkte ontlastingsincontinentie
Opvangzakje
Stomazorg
Indicaties: chronische ontsteking, tumoren, aangeboren afwijkingen, verwondingen/trauma’s,
incontinentie
Soorten:
Dubbelloops stoma
enkelloops/eindstandige (colostoma),
continent stoma: het opvang reservoir zit binnen het lichaam.
Colostoma is een kunstmatige uitgang van het colon via de buikwand.
Katheterzorg
Het katheteriseren van de blaas kan op twee manieren:
via de urethra in de urineblaas. Dit noem je een urethrale katheter.
via de voorste buikwand in de urineblaas. Dit noem je een suprapubische kathete
Geneeskunde – GK
College 4.1
Literatuur
Klinisch redeneren bij ouderen. Functiebehoud in levensloopperspectief. Amsterdam: Reed Business
Education.
2
, Hoofdstuk 12 Palliatieve zorg. Link: https://mijn.bsl.nl/12-palliatieve-zorg/10493802?fulltextView=true
Hoofdstuk 4 screening. Link: mijn.bsl.nl/4-screening-en-geriatrisch-assessment/10493816?
fulltextView=true
Geriatrie Basiswerken verpleging en verzorging.. In Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Hoofdstuk 2 Fysieke veranderingen door ouder worden.
Link: https://mijn.bsl.nl/2-fysieke-veranderingen-door-het-ouder-worden/415740?fulltextView=true
Leerdoel 1: formuleren wat het begrip kwetsbaarheid in het kader van de oudere zorgvrager inhoudt
Kwetsbaarheid is een proces van opeenstapeling van lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten
in het functioneren, dat de kans vergroot op negatieve gezondheidsuitkomsten.
Criteria voor kwetsbaarheid (Fried).
Drie of meer van de volgende vijf criteria
1. Vertraagd looppatroon
2. Lage fysieke activiteit
3. Ongewild gewichtsverlies
4. Subjectieve uitputting
5. Algemene spierzwakte
Van screenen naar zorgbehandelplan
Waarom screenen?
Vroegtijdig opsporen
Voorkomen van erger
Voorkomen van cascade breakdown (beginnend met één probleem, waardoor steeds meer
problemen veroorzaakt worden)
Leerdoel 2: benoemen wat palliatieve zorg is en op welke 4 verschillende domeinen deze vorm van
zorg zich kan richten
Concept van (positieve) gezondheid:
“Het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele
en sociale uitdagingen in het leven” (Huber).
Deze benadering sluit goed aan bij de palliatieve zorg.
Palliatieve zorg: “een benadering die de kwaliteit van leven verbetert van patiënten en hun naasten
die te maken hebben met een levensbedreigende aandoening, door het voorkomen en verlichten van
lijden door middel van vroegtijdige signalering en zorgvuldige beoordeling en behandeling van pijn en
andere problemen van lichamelijke, psychische, sociale en spirituele aard” (WHO)
Curatief Palliatief
Primaire doel: genezing Primaire doel: behoud of verbetering van kwaliteit van leven
Behandeling van ziekte Behandeling van ziekte indien mogelijk en alleen na zorgvuldige
afweging van voor- en nadelen
Maximaal reanimeerbeleid Overeengekomen reanimeer beleid
Vaak protocollaire zorg Zorg op maat
Patiënt meestal ADL-onafhankelijk Wisselende ADL-(on)afhankelijkheid
Uiteindelijk: streven naar integratie in persoonlijk Uiteindelijk: gericht op kwaliteit van sterven
en sociaal leven
Palliatieve zorg en dementie
o Palliatieve fase gaat in op het moment dat duidelijk is dat de ziekte niet meer te genezen is
o Beloop dementie: langdurige (6-8 jaar) en geleidelijke achteruitgang
o Bij dementie palliatieve fase minder duidelijk gemarkeerd.
Belangrijke aandachtspunten bij palliatieve zorg (bij dementie)
o Focus op kwaliteit van leven
o Holistische benadering (rekening houden met levenservaringen van zorgvrager en zijn/haar huidige
situatie)
o Zorg voor zowel de persoon met dementie als voor zijn/haar mantelzorger(s) en naasten
o Respect voor de keuzes van de zorgvrager en/of mantelzorger(s) en naasten
o Nadruk op communicatie, naar de zorgvrager maar ook naar de mantelzorgers, naasten en
collega’s.
4 fasen van palliatieve zorg
Ziektegericht: kwaliteit van leven en behandeling zonder genezing
Symptoomgericht: kwaliteit van leven en verminderen van symptomen
Palliatie: kwaliteit van sterven
Nazorg
College 4.2
3
, Literatuur
Klinisch redeneren bij ouderen. Functiebehoud in levensloopperspectief. Amsterdam: Reed Business
Education. [BSL]
8A dementie. Link: https://mijn.bsl.nl/8a-dementie/10493774?fulltextView=true
8B delier. Link: https://mijn.bsl.nl/8b-delier-wisselend-bewolkt-bewustzijn/10493776?fulltextView=true
Leerdoel 1: benoemen welke verschillende vormen van dementie er zijn
Dementie is een syndroom (syndroom is steeds tezamen voorkomende symptomen)
Veel voorkomende symptomen zijn
1. Cognitief: eerst geheugen en oriëntatie, later ook taal, concentratie, ruimtelijk inzicht.
2. Psychisch: ander karakter en gedrag, depressie, agitatie, nachtelijke onrust
Dementie: verzamelnaam voor ruim 50 ziektes
Allen progressief, allen cognitieve problemen
De meest voorkomende is Alzheimer
Vier soorten dementie
1. Alzheimer (70%)
Het is een stapeling van eiwitten in hersencellen (neuronen) afsterven van de hersencellen
Het begint in de hypocampus (onderdeel van het limbisch systeem) geheugen en oriëntatie
Later wordt de cortex (= hersenschors) aangetast abstract denken, taal, handelen en herkenning
2. Vasculaire dementie (20%)
Doorbloeding van de hersenen in slecht hersencellen sterven af
Het begint abrupter dan Alzheimer
Het bestaat uit stabiele perioden met een stapsgewijze verslechtering
Risicofactoren van vasculaire dementie: hoge bloeddruk, diabetes, hartritmestoornissen, roken,
obesitas (wat zorgt voor verslechtering van aderen)
3. Frontotemporale dementie
Atrofie (= afname van massa) frontotemporale hersenschors
Veranderingen in gedrag en persoonlijkheid ontremd gedrag, apathie, veranderingen
persoonlijkheid
25 – 40% erfelijk (tau-eiwit werkt niet goed)
40 – 65 jaar
Vaak laat een diagnose (4 jaar), er wordt vaak eerst gedacht aan psychische stoornis
Herhaling van angst
Prefrontale cortex dooft de aangeleerde angstreacties niet goed uit.
Het staat in verbinding met de amygdalae, hypothalamus en hippocampus
Amygdala kent emoties toe aan waarneming
Hypothalamus verhoogd (nor)adrenaline: verhoogde ademhaling, hartslag, spiertonus, trillen.
Hippocampus: geheugen en oriëntatie
4. Lewy body dementie
Ophoping Lewy-lichaampjes (eiwitten) in de zenuwcel in cortex en substantia nigra (beweging)
Symptomen:
o Verminderde aandacht/concentratie
o Hallucinaties
o Bewegingsstoornissen (Parkinson-achtig)
o Geheugenstoornissen
Fluctuerend verloop over de dag (soms heldere momenten)
Diagnose pas post-mortem (na overlijden)
Leerdoel 2: de symptomen, diagnostiek en behandeling van dementie benoemen
Biologische factoren
o Verhoogde bloeddruk, overgewicht, verhoogd cholesterol, hoog bloedsuiker, roken/alcohol
o Verlaagde neuroplasticiteit bij ouderen (tentakels aan zenuwcellen, dus kunnen een klein
beetje schade opvangen
o Hormonen: verhoogd cortisol (stresshormoon)
Algemene leerfactoren
o Te weinig prikkels
Erfelijkheid
4