Hoofdstuk 3: Technisch lezen en spellen
1. Leren lezen en spellen
1.1 Taakanalytische modellen
In taakanalytische modellen worden technisch lezen en spellen beschouwd als eindpunt van een
ontwikkelingspsychologisch groeiproces waarin specifiek deelvaardigheden in een relatief vaste volgorde
verworven worden. De specifieke deelvaardigheden van lezen en spellen worden in een hiërarchisch schema
samengebracht, ervan uitgaande dat de latere vaardigheden voortbouwen op de vroegere.
Technisch lezen -> aanvankelijk lezen van klankzuivere woorden is het resultaat van de kennis van de teken-
klankkoppelingen en auditief synthetiseren. Om deze spellende leesstrategie op een adequate wijze te kunnen
uitvoeren, moeten de klanken in juiste volgorde onthouden worden (auditief sequentieel geheugen) en
moeten tekens en klanken op een adequate wijze onderscheiden kunnen worden (visuele en auditieve
discriminatie). In latere fase kan lln via visuele synthese clusters van tekens verklanken en synthetiseren om
uiteindelijk in nog later stadium tot directe woordherkenning te komen.
Spellen -> Bij correct spellen staat auditieve analyse centraal. Klankzuiver woord moet in afzonderlijke klanken
opgesplitst worden voor de klanken één voor één in tekens omgezet kunnen worden. Hiervoor moet auditief
sequentiële geheugen en visuele en auditieve discriminatie voldoende ontwikkeld zijn. In latere fase komt lln
tot direct spellingstrategie, kan woord zonder voorafgaande auditieve analyse schrijven.
Dit model heeft echter alleen betrekking op spellen van klankzuivere woorden (woorden die volledig volgens
fonologische principes van NLse taal geschreven worden).
Lezen
Spellen
1.2 Informatieverwerkingstheorie
Andere invalshoek binnen cognitieve psychologie is de informatieverwerkingstheorie. Lezen en spellen worden
in benadering opgevat als verwerken van info. Informatieverwerker selecteert sensorische prikkels uit
omgeving en kan deze kort vasthouden in kortetermijngeheugen om ze daarna in werkgeheugen te verwerken.
Informatieverwerker kiest hiervoor een verwerkingsstrategie en voert die uit o.b.v. kennis die ter beschikking is
in langetermijngeheugen (voorkennis). Dit kennisbestand bestaat uit
declaratieve kennis (feitenkennis), procedurele kennis en
metacognitieve kennis (weten wanneer je welke kennis nodig hebt).
De info en resultaten van verwerking worden vergeleken met
, aanwezig kennisbestand en daar vervolgens bij opgeslagen.
Kenmerkend voor deze benadering is dat ervan uitgegaan wordt dat informatieverwerker kan beschikken over
strategieën om dezelfde taak aan te pakken. De verschillende oplossingsstrategieën worden ingedeeld in
procedurele strategieën (volgen van bepaalde oplossingsweg, bv spellende leesstrategie en auditieve
spellingsstrategie) en geheugen strategieën (onmiddellijk beschikken over juiste oplossing, bv direct
woordherkenning en direct woordspelling). Automatisering vindt plaats als er een overgang gemaakt wordt van
overwegend gebruik van tijdsconsumerende procedurele strategieën naar geheugenstrategieën.
Technisch lezen -> 3 leesstrategieën:
1. Indirecte woordherkenning: het decoderend lezen van woorden die nog niet direct herkend worden,
waarbij we onderscheid kunnen maken tussen verklanken op niveau van individuele tekens en verklankend
gebruik makend van clusters of woorddelen (sublexicaal decoderen).
2. Directe woordherkenning: woord wordt o.b.v. volledige woordbeeld onmiddellijk herkend. Eindpunt van
decoderend leen, waarbij clusters zo groot zijn dat ze volledige woorden dan wel grote woorddelen
bevatten en de herkenning snel en geautomatiseerd plaatsvindt (lexicaal decoderen). Dit ontstaat door
leeservaring en frequente confrontatie met het woord.
3. Gebruik maken van context: o.b.v. tekstbegripstrategieën hoeft niet alle geschreven info gebruikt te
worden om adequaat te lezen. Leessnelheid wordt bevorderd doordat lezer zich door inhoud laat leiden en
via verkorte informatieverwerking tot woordherkenning kan komen (anticiperend lezen). In geval dat een
tekst onbekende woorden bevat, zal teruggevallen worden op indirecte woordherkenning. Om context te
kunnen gebruiken, moet lezer strategieën voor lees- en luisterbegrip toepassen en voldoende woord- en
wereldkennis hebben.
Voor deze drie strategieën is sprake van een interactief-compensatorisch proces. Lln kan diverse strategieën
naast elkaar gebruiken, en zwaktes in ene strategie kunnen door sterktes in andere gecompenseerd worden.
Spellen -> volgende strategieën:
1. Auditieve strategie: klank voor klank in tekens omzetten. Geschikt voor klankzuivere woorden.
2. Regelstrategie: het systematisch toepassen van een spellingregel.
3. Inprentingstrategie: actief oproepen van de schrijfwijze van woorden of woorddelen uit het geheugen.
4. Analogiestrategie: schrijven van woord analoog aan een gekend woord (cadeau, bureau).
5. Mnemotechnische strategie: gebruiken van ezelsbruggetjes om spellingproblemen te onthouden
6. Hulpmiddelenstrategie: gebruik van externe hulpmiddelen (woordenboek, spelling checker) om een
spellingprobleem op te lossen.
7. Visueel-motorische strategie (direct spellen): woorden kunnen zonder nadenken geschreven worden.
Ook spellen kan als interactief-compensatorisch proces beschouwd worden. Gevorderde lezer of speller maakt
meestal flexibel gebruik van diverse strategieën. De basisstrategie is dan de directe strategie. Zwakke lezers en
spellers zijn meestal niet flexibel in strategiegebruik en vervallen bij moeilijkheden vaak in dezelfde strategie.
2. Lees- en spellingproblemen
Technisch lees- en spellingproblemen kenmerken zich als gebrekkige ontwikkeling, onvoldoende beheersing,
inadequaat gebruik of inadequate keuze van lees- of spellingstrategieën, of het ontbreken van noodzakelijke
taakspecifieke voorkennis. Onderliggende oorzaken van lees- en spellingproblemen kunnen divers zijn.
Leerstoornissen of specifieke leerproblemen -> problemen zijn gevolg van tamelijk geïsoleerde neurocogntieve
problemen die zich vooral manifesteren in leren van schoolse vaardigheden, zonder dat in principe andere
gebieden van ontwikkeling vertraagd hoeven te zijn. Niet-specifieke leerproblemen zijn gevolg van factoren
buiten het leren van de schoolse vaardigheden. Deze kunnen gelegen zijn in omgeving van kind of in ander
probleem van kind zelf (handicap gedrags- of emotioneel probleem, gering leervermogen).
Er zijn diverse factoren in omgeving van kind die tot niet-specifieke lees-en spellingproblemen kunnen leiden:
Factoren op school: kwaliteit van instructie, didactische en pedagogische vaardigheden leerkracht,
kwaliteit en vormgeving leeromgeving, afstemming op specifieke pedagogische-didactische behoeften van
lln, functioneren van leerlingengroep en onderwijsoriëntatie van school betreffende basisvaardigheden.
Factoren in gezin: geringe mate van taalstimulering en taalaanbod, povere sfeer van geletterdheid,
moeizame pedagogische relatie met ouders, zwakke schoolbetrokkenheid, andere gesproken taal thuis,
culturele, ideologische of etnische conflicten op school.
Bij individu kunnen ook verschillende factoren leiden tot ontstaan niet-specifieke lees- en spellingproblemen:
problemen van fysieke aard, psychosociale problemen, verstandelijke beperking.