NB: Termen met een * zijn al eerder aan de orde geweest
Medische term NLse term Engelse term Omschrijving (bijv. functie); definitie; synoniem
Gonaden. Geslachtsklieren. Gonads. De geslachtsklieren (teelballen bij mannen, eierstokken bij vrouwen)
die geslachtscellen (zaadcellen/eicellen) produceren én
geslachtshormonen (zoals testosteron en oestrogeen) afscheiden,
essentieel voor de voortplanting en ontwikkeling van secundaire
geslachtskenmerken. Geslachtsklieren.
Gameten*. Geslachtscellen. Gametes. Geslachtscellen (zoals zaadcellen en eicellen) die een organisme
voortplanten bij geslachtelijke voortplanting; ze zijn haploïd
(bevatten de helft van het aantal chromosomen) en versmelten
tijdens de bevruchting tot een diploïde zygote, de eerste cel van een
nieuw individu. Geslachtscellen.
Anatomie man
Testis/testes*. Teelbal/teelballen. Testes/testicles. De Latijnse wetenschappelijke term voor de teelbal of zaadbal, de
mannelijke geslachtsklier die verantwoordelijk is voor de productie
van zaadcellen (sperma) en het hormoon testosteron/de
wetenschappelijke, Latijnse term voor teelballen of zaadballen, de
mannelijke geslachtsklieren die zaadcellen produceren en het
hormoon testosteron aanmaken, gelegen in de balzak (scrotum).
Zaadbal.
Spermatogonia. Spermatogonia. Ongedifferentieerde, diploïde mannelijke kiemcellen in de
zaadbuisjes van testikels; ze zijn de voorlopers van spermacellen en
stamcellen die zich delen via mitose om de productie van zaadcellen
(spermatogenese) te garanderen, waarbij ze zowel reserve-
stamcellen in stand houden als differentiëren tot spermatocyten en
uiteindelijk rijpe zaadcellen. Zaadcel-voorlopers.
Spermatozoën. Zaadcellen. Spermatozoa/sperm cells. De mannelijke voortplantingscellen die samen met vocht het
sperma vormen en essentieel zijn voor bevruchting; ze worden in de
, teelballen geproduceerd, rijpen in de bijballen, en worden bij een
zaadlozing (ejaculatie) uitgestoten. Zaadcellen.
Sertolicel. Sertoli cell. Een voedingscel in de teelballen (testes) die essentieel is voor de
ontwikkeling en rijping van zaadcellen, ook wel spermatogenese
genoemd; ze voeden de zaadcellen, vormen de bloed-testisbarriere,
en produceren hormonen zoals inhibine, dat helpt bij het reguleren
van de testosteronproductie, waardoor een gezond microklimaat
ontstaat voor vruchtbaarheid. Steuncel.
Epididymis*. Bijbal. Epididymis. Een gekronkelde buis achter de teelbal die zaadcellen opslaat, laat
rijpen en transporteert naar de zaadleider; het is een cruciaal
onderdeel van het mannelijke voortplantingssysteem. Bijbal.
Scrotum*. Balzak. Scrotum. Het Latijnse woord voor balzak (ook wel balzakje genoemd), de
huidplooi die de testikels (zaadballen), bijballen (epididymis) en
zaadstrengen bevat, en zich onder de penis bevindt. Balzak.
Ductus deferens*. Zaadleider. Ductus deferens. Een lange spierbuis in het mannelijke voortplantingssysteem die
rijpe spermacellen vanuit de bijbal (epididymis) transporteert naar
de urinebuis (urethra) tijdens de ejaculatie, waarbij ze worden
gemengd met vocht uit de zaadblaasjes en prostaat om sperma te
vormen. Zaadleider.
Vesicula seminalis*. Zaadblaasje. Seminal vesicles. Een klier in het mannelijke voortplantingssysteem die samen met de
prostaat een groot deel van het spermavocht produceert, een
alkalische vloeistof die zaadcellen van voedingsstoffen voorziet en
hun overleving in de vagina vergemakkelijkt, en verantwoordelijk is
voor een aanzienlijk deel (ongeveer 70%) van het totale volume van
het sperma. Zaadblaasje.
Prostaat(klier)*. Prostate. Een klier bij mannen, ter grootte van een walnoot, die onder de
blaas ligt en rond de plasbuis zit; het produceert prostaatvocht dat
samen met zaadcellen sperma vormt om zaadcellen te beschermen
en te helpen overleven, en is cruciaal voor de vruchtbaarheid.