Hoorcollege 8
1. Wat is het grootste verschil tussen experimenteel onderzoek en correlationeel onderzoek?
2. Benoem kort de 3 voorwaarden voor causaliteit met korte uitleg voor beide.
3. Doormiddel van wat kan je je het beste voldoen aan deze voorwaarden bij experimenteel
onderzoek?
4. Noem ten minste 3 onderdelen van het bovenstaande begrip (antwoord op 3)
5. Benoem de elementen voor een experimentele onderzoeksvraag + uitleg
6. Welke elementen van experimenteel onderzoek horen bij de gemanipuleerde waarden en
welke bij de gemeten variabelen?
7. -Afhankelijke variabele =
- Onafhankelijke =
8. Waarom kan je bij experimenteel onderzoek geen correlatiecoëfficiënt berekenen?
9. Noem twee bedreigingen voor de interne validiteit + leg beide begrippen uit
10. Wat zijn de drie dingen die mis kunnen gaan bij willekeurige toewijzing (randomisatie)?
11. Wat voor soort steekproef (aselect of select) wordt het liefst gebruikt bij experimenteel
onderzoek? En waarop heeft deze soort steekproef direct invloed?
12. Wat betekent het als er geen R staat bij een aselecte steekproef?
13. Waar of niet waar:
- spreidingsdiagram en boxplot zijn niet bruikbaar bij experimentele onderzoeken bij data
analsye.
- Bij de data analyse wil je van beschrijvende statistiek naar infertiele statistiek
- T toets laat niet het relatieve verschil maar het exacte verschil zien
- Als de t waarde is gegeven moeten verplicht het gemiddelde en de standaardfout ook
gegeven worden
14. Noem de 5 stappen van NHST bij inferentiële statistiek
15. Maak twee tweetallen van de juiste woorden die bij elkaar horen: grieks, romeins, populatie,
steekproef.
16. Zet achter de letters de juiste betekenis en + aangeven of het grieks of romeins is
- μ
- σ
- M
- β
- s (SD)
- d
- ρ
- t
- r(s)
- α
17. bij een t toets heb je altijd de zelfde schaal deze loopt van -…. Tot +….
18. Benoem bij de volgende uitleggen de bij behorende begrippen:
- Twee de zelfde groepen waarbij er één groep gemanipuleerd wordt waardoor er een
effect kan worden gemeten (verschil tussen beide groepen)
- In plaats van willekeurige toewijzing een extra stap toevoegen waarbij alle variabele die
mogelijk van belang zijn gemeten worden om er zeker van te zijn dat iedereen gelijk
verdeeld is.
,- Deelnemers in experimentele groep vertellen deelnemers in de controle groep over
deelname
- Operationalisatie van de verwachting van de onderzoeker
- Een meetbare, toetsbare voorspelling/hypothese in cijfers over de populatie.
- Gemiddelde grote van steekproeffouten (wat we vinden in de steek proef en wat waar is
in de populatie
- Wanneer we M1 – M2 delen door de standaardfout krijgen we een …
, Hoorcollege 9
1. Vul aan:
- als de SD (standaarddeviatie) groter wordt word de standaardfout groter/kleiner
- als de steekproef groter wordt word de SD groter/kleiner
2. welke dingen hebben effect op de t waarde + leg ook uit of de t juist hoger wordt of juist
kleiner
3. benoem hierbij nu ook of de p waarde juist groter of kleiner wordt
4. waar of niet waar:
- hoe groter de t waarde hoe minder kans op toevallig significant effect
- bij een kleine p-waarde moet je altijd de nulhypothese verwerpen
- grenswaarde bij α is meestal 0.5
- hoe kleiner de alfa, hoe groter de power (leg uit wat het nadeel hierbij is)
- een t toets kan ook worden gebruikt bij geen experimenteel onderzoek (dus bijv.
correlationeelonderzoek)
5. leg kort uit welke soorten fouten je kan maken bij het verwerpen van een specifieke
hypothese? + leg de fout uit.
6. Wanneer verwerp je een p waarde?
7. Leg uit hoe de alfa wordt gekozen door een onderzoeker
8. Wanneer spreek je van een significant resultaat?
9. Waarom spreek je bij onderscheidingsvermogen van power = 1 – β?
10. Noem zoveel mogelijk factoren waarmee je de power kan beinvloeden en leg kort uit wat er
met de p gebeurt bij alle verschillende factoren
11. Waarom zou je juist wel ongericht (tweezijdig) toetsen en waarom juist niet?
12. Je kan de t toets gebruiken om twee groepen te vergelijken. Noem de 3 situaties waarin dit
kan
13. Benoem bij de volgende uitleggen de bij behorende begrippen:
- De maximale kans die je accepteert om ten onrechte de nulhypothese te verwerpen
- Kans op het juist verwerpen van een nulhypothese