Deeltentamen 1 - Prikkels
Ontwikkelingspsychologie (OWP)
1. Frankenhuis, W. E., Panchanathan, K., & Nettle, D. (2016). Cognition in harsh and
unpredictable environments. Current Opinion in Psychology, 7, 76–80.
https://doi.org/10.1016/j.copsyc.2015.08.011
Het onderzoek kijkt naar kinderen die opgroeien in een stressvolle en onvoorspelbare
omgeving. Dit leidt vaak tot een present-orientation (= gericht op het heden). Door inzichten
uit de evolutiepsychologie en ontwikkelingspsychologie te combineren, kunnen we beter
begrijpen waarom mensen zich zo gedragen.
De evolutietheorie wordt steeds meer gebruikt in de psychologie, maar er zijn nog steeds
problemen. Een blijvend probleem is de opvatting dat geëvolueerde kenmerken al aanwezig
zijn bij de geboorte, en niet aangeleerd zijn. Echter, evolutiepsychologie gaat niet alleen om
aangeboren, onveranderlijke eigenschappen, maar erkent ook dat evolutionaire mechanismen
juist ontworpen zijn om zich aan te passen aan de omgeving. Twee essentiële vragen bij het
integreren van evolutie- en ontwikkelingspsychologie zijn: Hoe geeft natuurlijke selectie
vorm aan ontwikkeling? En hoe zorgt ontwikkeling voor adaptieve fenotypen?
De twee omgevingsdimensies die fundamenteel zijn voor de individuele ontwikkeling zijn:
Hardheid (harshness): refereert naar de mortaliteit en morbiditeit die ontstaan door
factoren die niet door een individu kunnen worden gecontroleerd. Hoe korter de
levensverwachting is, hoe groter de voordelen zijn van zich vroeg voortplanten.
Onvoorspelbaarheid (unpredictibility): hiervoor wordt gekeken naar de range
verschillende uitkomsten bij een bepaald niveau hardheid en naar de variatie in het
niveau van hardheid.
Deze twee kunnen beide effect hebben op adaptieve ontwikkelingstrajecten.
In ervaringen met harde en onvoorspelbare omgevingen, kan een present-orientation adaptief
zijn. Het manifesteert zich in:
1. Waakzaamheid (vigilantie) om gevaren en mogelijkheden te detecteren;
2. Impulsieve reacties, zodat er snel kan worden gereageerd.
3. Hoge motivatie voor onmiddellijke beloningen, omdat de voorspelbaarheid van
toekomstige beloningen onduidelijk is.
Deze oriëntatie kan ‘adaptief’ zijn in bepaalde contexten, maar dan spreken we wel over de
biologische fitness, en niet over gezondheid of psychologisch welzijn. Er bestaat een behoefte
om zich eerder in het leven voort te planten en dit zorgt voor een grotere fitness. Vanuit het
psychologisch perspectief wordt een lage zelfcontrole vaak gezien als slecht voor het welzijn,
maar vanuit het evolutionair perspectief kan dit dus juist in sommige situaties adaptief zijn.
Enhanced cognition in stressful environments
Functionele impulsiviteit: snel handelen zonder veel na te denken, wanneer dat handig is.
Disfunctionele impulsiviteit: snel handelen zonder voldoende nadenken, wanneer dat leidt
tot problemen.
Mensen met hoge impulsiviteit maken bij een taak met patroonherkenning meer fouten, maar
als de stimuli heel kort worden laten zien, zijn ze vaak iets accurater. Soms kan impulsiviteit
dus ook in het voordeel werken.
,Een nieuwe hypothese is dat mensen die in een stressvolle omgeving opgroeien verbeterde
cognitieve vaardigheden laten zien in specifieke domeinen.
Kinderen die vaak zijn mishandeld in de jeugd zijn vaak beter in het detecteren en
onthouden van dreigende signalen dan kinderen die dit niet zijn.
Kinderen die zijn opgegroeid in een onvoorspelbare omgeving ontwikkelen een betere
‘shifting ability’ = efficiënt van taak wisselen (cognitieve flexibiliteit). Wel laten ze een
verminderde inhibitie/verhoogde impulsiviteit zien.
Onderzoek laat dus zien dat of iemand kiest voor een onmiddellijke beloning, of de beloning
kan uitstellen tot een latere, grotere beloning statistisch de link verklaart tussen blootstelling
aan tegenslag en risicogedrag. Onvoorspelbaarheid in iemands leven leidt tot een soort beeld
dat de wereld chaotisch en oncontroleerbaar is. Dan kies je eerder voor directe winst,
onmiddellijke beloning en korte termijnstrategieën.
Als je mensen laat geloven dat ze meer controle hebben over hun toekomst, kiezen ze eerder
voor gezondere opties.
Jongeren zullen pas echt toekomstig gericht worden als hun omgeving daadwerkelijk veiliger,
stabieler en hoopvoller wordt. Hierop moet dus qua interventie worden ingespeeld.
Onvoorspelbaar Hardheid
heid (omgeving) (omgeving)
Present orientation
Waakzaamheid
Impulsiviteit
Onmiddellijke
beloning
Biologisch adaptief
Snel detecteren
dreigende stimuli
Shifting ability
,2. Kidd, C., Palmeri, H., & Aslin, R. N. (2013). Rational snacking: Young children’s
decisionmaking on the marshmallow task is moderated by beliefs about
environmental reliability. Cognition, 126(1), 109–114.
https://doi.org/10.1016/j.cognition.2012.08.004
De delay of gratification test is een manier om succes bij kinderen op latere leeftijd te
voorspellen. Uit eerder onderzoek blijkt dat er individuele verschillen zijn bij het kunnen
uitstellen van beloning, afhankelijk van de zelfcontrole van kinderen. Echter laat deze studie
zien dat er nog een factor belangrijk is bij hoe lang kinderen een beloning kunnen uitstellen.
Dit is een impliciet rationeel beslissingsproces dat te maken heeft met de betrouwbaarheid
van de omgeving.
Het falen van kinderen bij het uitstellen van een beloning voor een grotere beloning is
waarschijnlijk het resultaat van een combinatie van genetische en omgevingsfactoren. De
twee waarschijnlijk belangrijke factoren zijn dus:
1. Verminderde zelfcontrole: jonge kinderen hebben nog niet de executieve functies voor
inhibitor gedrag. Individuele verschillen in de capaciteit voor zelfcontrole verklaart
ook een deel van de spreiding.
2. Een andere verklaring in de variantie bij kinderen is door de verwachting en
overtuigingen die de kinderen hebben.
Experiment: de marshmallow studie werd gedaan
na het (on)betrouwbaar maken van de proefleider
d.m.v. potlood geven na dit beloofd te hebben of
niet. Er werd een analyse gedaan voor stemming
en ook voor gender en leeftijd, maar dit waren
geen relevante metingen
Als de proefleider betrouwbaar was in het oprecht
geven van de grotere beloning na het wachten,
wachten kinderen significant langer dan in de
conditie waar de proefleider niet te vertrouwen
was (zie figuur).
Kinderen met absente vader hebben minder
de neiging om te wachten en gaan meer
voor de onmiddellijke beloning
Uit dit onderzoek blijkt dus dat succes op latere leeftijd niet alleen kan worden vastgesteld
door de mate van zelfcontrole. Er is nog verder onderzoek nodig om andere factoren bij de
delay of gratification test te vinden.
, Social Healt and Organisational Psychology (SHOP)
3. Loersch, C., & Payne, B. K. (2011). The situated inference model: An integrative
account of the effects of primes on perception, behavior, and motivation. Perspectives
on Psychological Science, 6(3), 234–252. https://doi.org/10.1177/1745691611406921
Mensen denken vaak dat ze volledig vrij hun oordeel, gedrag en motieven kunnen kiezen.
Maar vaak worden onze gevoelens, oordelen en gedragingen in gang gezet door bepaalde cues
of primes. Als mensen worden blootgesteld aan woorden die bijvoorbeeld te maken hebben
met vijandigheid, vind het volgende waarschijnlijk plaats:
Semantische prime: sneller een pistool identificeren;
Construal prime: een ander individu als vijandig zien;
Behavior prime: zelf vijandiger gedragen;
Goal prime: meer gemotiveerd worden om een situatie te zoeken agressief te kunnen
zijn.
De downstream consequenties van priming zijn dus zowel veranderende perceptie van
omgevingsobjecten als veranderd gedrag.
De situated inference model stelt dat de manier waarop individuen een beeld maken van
primed informatie, afhangt van hun huidige situatie. Het model is gebaseerd op een 3-stappen
proces:
1. Prime exposure – Een prime stimulus maakt gerelateerd informatie heel toegankelijk
(= paraatheid om een construct te gebruiken in informatieverwerking). Door dit proces
kan een prime de toegankelijkheid van mentale content verhogen.
o De onderzoekers verschillen met vorige theorieën dat de mate van
toegankelijkheid niet een direct effect heeft op oordeel of gedrag, maar het
zorgt ervoor dat je die informatie sneller gebruikt bij verdere verwerking.
2. Deze informatie wordt gemisattribueerd aan de eigen natuurlijke response op een
object in de situatie (i.p.v. aan de prime). De toegankelijkheid die ontstaat door een
prime heeft vooral effect als het ten onrechte wordt geattribueerd aan de eigen
natuurlijke reactie op een situatie.
o Als een situatie meer ambigue is, heeft de prime meer effect, want het wordt
dan eerder aan de natuurlijke eigen respons gemisattribueerd.
o Als een prime niet opvallend is (blatant/salient), zorgt dit ervoor dat de echte
bron van de mentale content niet duidelijk is en dit is dan gevoeliger voor
misattributie. Een duidelijke prime heeft dus minder effect.
3. De gemisattribueerde informatie wordt gebruik om antwoord te geven op de vragen in
de omgeving (afforded questions). Omdat verschillende situaties zorgen voor
verschillende varianten van oordeel of gedrag, kan de betekenis van een
gemisattribueerde prime erg verschillen. Dit zorgt dus voor dat de manier waarop
eenzelfde prime zorgt voor ‘downstream consequences’ erg groot en algemeen is.
Ontwikkelingspsychologie (OWP)
1. Frankenhuis, W. E., Panchanathan, K., & Nettle, D. (2016). Cognition in harsh and
unpredictable environments. Current Opinion in Psychology, 7, 76–80.
https://doi.org/10.1016/j.copsyc.2015.08.011
Het onderzoek kijkt naar kinderen die opgroeien in een stressvolle en onvoorspelbare
omgeving. Dit leidt vaak tot een present-orientation (= gericht op het heden). Door inzichten
uit de evolutiepsychologie en ontwikkelingspsychologie te combineren, kunnen we beter
begrijpen waarom mensen zich zo gedragen.
De evolutietheorie wordt steeds meer gebruikt in de psychologie, maar er zijn nog steeds
problemen. Een blijvend probleem is de opvatting dat geëvolueerde kenmerken al aanwezig
zijn bij de geboorte, en niet aangeleerd zijn. Echter, evolutiepsychologie gaat niet alleen om
aangeboren, onveranderlijke eigenschappen, maar erkent ook dat evolutionaire mechanismen
juist ontworpen zijn om zich aan te passen aan de omgeving. Twee essentiële vragen bij het
integreren van evolutie- en ontwikkelingspsychologie zijn: Hoe geeft natuurlijke selectie
vorm aan ontwikkeling? En hoe zorgt ontwikkeling voor adaptieve fenotypen?
De twee omgevingsdimensies die fundamenteel zijn voor de individuele ontwikkeling zijn:
Hardheid (harshness): refereert naar de mortaliteit en morbiditeit die ontstaan door
factoren die niet door een individu kunnen worden gecontroleerd. Hoe korter de
levensverwachting is, hoe groter de voordelen zijn van zich vroeg voortplanten.
Onvoorspelbaarheid (unpredictibility): hiervoor wordt gekeken naar de range
verschillende uitkomsten bij een bepaald niveau hardheid en naar de variatie in het
niveau van hardheid.
Deze twee kunnen beide effect hebben op adaptieve ontwikkelingstrajecten.
In ervaringen met harde en onvoorspelbare omgevingen, kan een present-orientation adaptief
zijn. Het manifesteert zich in:
1. Waakzaamheid (vigilantie) om gevaren en mogelijkheden te detecteren;
2. Impulsieve reacties, zodat er snel kan worden gereageerd.
3. Hoge motivatie voor onmiddellijke beloningen, omdat de voorspelbaarheid van
toekomstige beloningen onduidelijk is.
Deze oriëntatie kan ‘adaptief’ zijn in bepaalde contexten, maar dan spreken we wel over de
biologische fitness, en niet over gezondheid of psychologisch welzijn. Er bestaat een behoefte
om zich eerder in het leven voort te planten en dit zorgt voor een grotere fitness. Vanuit het
psychologisch perspectief wordt een lage zelfcontrole vaak gezien als slecht voor het welzijn,
maar vanuit het evolutionair perspectief kan dit dus juist in sommige situaties adaptief zijn.
Enhanced cognition in stressful environments
Functionele impulsiviteit: snel handelen zonder veel na te denken, wanneer dat handig is.
Disfunctionele impulsiviteit: snel handelen zonder voldoende nadenken, wanneer dat leidt
tot problemen.
Mensen met hoge impulsiviteit maken bij een taak met patroonherkenning meer fouten, maar
als de stimuli heel kort worden laten zien, zijn ze vaak iets accurater. Soms kan impulsiviteit
dus ook in het voordeel werken.
,Een nieuwe hypothese is dat mensen die in een stressvolle omgeving opgroeien verbeterde
cognitieve vaardigheden laten zien in specifieke domeinen.
Kinderen die vaak zijn mishandeld in de jeugd zijn vaak beter in het detecteren en
onthouden van dreigende signalen dan kinderen die dit niet zijn.
Kinderen die zijn opgegroeid in een onvoorspelbare omgeving ontwikkelen een betere
‘shifting ability’ = efficiënt van taak wisselen (cognitieve flexibiliteit). Wel laten ze een
verminderde inhibitie/verhoogde impulsiviteit zien.
Onderzoek laat dus zien dat of iemand kiest voor een onmiddellijke beloning, of de beloning
kan uitstellen tot een latere, grotere beloning statistisch de link verklaart tussen blootstelling
aan tegenslag en risicogedrag. Onvoorspelbaarheid in iemands leven leidt tot een soort beeld
dat de wereld chaotisch en oncontroleerbaar is. Dan kies je eerder voor directe winst,
onmiddellijke beloning en korte termijnstrategieën.
Als je mensen laat geloven dat ze meer controle hebben over hun toekomst, kiezen ze eerder
voor gezondere opties.
Jongeren zullen pas echt toekomstig gericht worden als hun omgeving daadwerkelijk veiliger,
stabieler en hoopvoller wordt. Hierop moet dus qua interventie worden ingespeeld.
Onvoorspelbaar Hardheid
heid (omgeving) (omgeving)
Present orientation
Waakzaamheid
Impulsiviteit
Onmiddellijke
beloning
Biologisch adaptief
Snel detecteren
dreigende stimuli
Shifting ability
,2. Kidd, C., Palmeri, H., & Aslin, R. N. (2013). Rational snacking: Young children’s
decisionmaking on the marshmallow task is moderated by beliefs about
environmental reliability. Cognition, 126(1), 109–114.
https://doi.org/10.1016/j.cognition.2012.08.004
De delay of gratification test is een manier om succes bij kinderen op latere leeftijd te
voorspellen. Uit eerder onderzoek blijkt dat er individuele verschillen zijn bij het kunnen
uitstellen van beloning, afhankelijk van de zelfcontrole van kinderen. Echter laat deze studie
zien dat er nog een factor belangrijk is bij hoe lang kinderen een beloning kunnen uitstellen.
Dit is een impliciet rationeel beslissingsproces dat te maken heeft met de betrouwbaarheid
van de omgeving.
Het falen van kinderen bij het uitstellen van een beloning voor een grotere beloning is
waarschijnlijk het resultaat van een combinatie van genetische en omgevingsfactoren. De
twee waarschijnlijk belangrijke factoren zijn dus:
1. Verminderde zelfcontrole: jonge kinderen hebben nog niet de executieve functies voor
inhibitor gedrag. Individuele verschillen in de capaciteit voor zelfcontrole verklaart
ook een deel van de spreiding.
2. Een andere verklaring in de variantie bij kinderen is door de verwachting en
overtuigingen die de kinderen hebben.
Experiment: de marshmallow studie werd gedaan
na het (on)betrouwbaar maken van de proefleider
d.m.v. potlood geven na dit beloofd te hebben of
niet. Er werd een analyse gedaan voor stemming
en ook voor gender en leeftijd, maar dit waren
geen relevante metingen
Als de proefleider betrouwbaar was in het oprecht
geven van de grotere beloning na het wachten,
wachten kinderen significant langer dan in de
conditie waar de proefleider niet te vertrouwen
was (zie figuur).
Kinderen met absente vader hebben minder
de neiging om te wachten en gaan meer
voor de onmiddellijke beloning
Uit dit onderzoek blijkt dus dat succes op latere leeftijd niet alleen kan worden vastgesteld
door de mate van zelfcontrole. Er is nog verder onderzoek nodig om andere factoren bij de
delay of gratification test te vinden.
, Social Healt and Organisational Psychology (SHOP)
3. Loersch, C., & Payne, B. K. (2011). The situated inference model: An integrative
account of the effects of primes on perception, behavior, and motivation. Perspectives
on Psychological Science, 6(3), 234–252. https://doi.org/10.1177/1745691611406921
Mensen denken vaak dat ze volledig vrij hun oordeel, gedrag en motieven kunnen kiezen.
Maar vaak worden onze gevoelens, oordelen en gedragingen in gang gezet door bepaalde cues
of primes. Als mensen worden blootgesteld aan woorden die bijvoorbeeld te maken hebben
met vijandigheid, vind het volgende waarschijnlijk plaats:
Semantische prime: sneller een pistool identificeren;
Construal prime: een ander individu als vijandig zien;
Behavior prime: zelf vijandiger gedragen;
Goal prime: meer gemotiveerd worden om een situatie te zoeken agressief te kunnen
zijn.
De downstream consequenties van priming zijn dus zowel veranderende perceptie van
omgevingsobjecten als veranderd gedrag.
De situated inference model stelt dat de manier waarop individuen een beeld maken van
primed informatie, afhangt van hun huidige situatie. Het model is gebaseerd op een 3-stappen
proces:
1. Prime exposure – Een prime stimulus maakt gerelateerd informatie heel toegankelijk
(= paraatheid om een construct te gebruiken in informatieverwerking). Door dit proces
kan een prime de toegankelijkheid van mentale content verhogen.
o De onderzoekers verschillen met vorige theorieën dat de mate van
toegankelijkheid niet een direct effect heeft op oordeel of gedrag, maar het
zorgt ervoor dat je die informatie sneller gebruikt bij verdere verwerking.
2. Deze informatie wordt gemisattribueerd aan de eigen natuurlijke response op een
object in de situatie (i.p.v. aan de prime). De toegankelijkheid die ontstaat door een
prime heeft vooral effect als het ten onrechte wordt geattribueerd aan de eigen
natuurlijke reactie op een situatie.
o Als een situatie meer ambigue is, heeft de prime meer effect, want het wordt
dan eerder aan de natuurlijke eigen respons gemisattribueerd.
o Als een prime niet opvallend is (blatant/salient), zorgt dit ervoor dat de echte
bron van de mentale content niet duidelijk is en dit is dan gevoeliger voor
misattributie. Een duidelijke prime heeft dus minder effect.
3. De gemisattribueerde informatie wordt gebruik om antwoord te geven op de vragen in
de omgeving (afforded questions). Omdat verschillende situaties zorgen voor
verschillende varianten van oordeel of gedrag, kan de betekenis van een
gemisattribueerde prime erg verschillen. Dit zorgt dus voor dat de manier waarop
eenzelfde prime zorgt voor ‘downstream consequences’ erg groot en algemeen is.