Werkgroep week 1 Successiewet en Estateplanning
VRAAG 1
Beluister ter gedachtevorming het radiofragment via NPO Radio 1 van 15 augustus 2024
waarin Stefan Tax en Sander Schimmelpenninck in debat gaan over de erfbelasting in “je
geld of je leven”.
Tax: “In een ideale wereld zou er geen erfbelasting zijn." Als jij geld verdiend hebt, waar je
belasting over hebt betaald, dan is dat van jou. Als je daar iemand mee wil helpen, als je dat
aan iemand wilt geven, dan vind ik dat de overheid daar geen rol in hoeft te spelen.”
Schimmelpenninck: “Vroeger had je een ongelijke maatschappij waarin de plek waar je wieg
stond, bepaalt wat je kansen in het leven waren. "Kansengelijkheid is een belangrijke
waarde: je moet het zelf doen, niet je handje ophouden bij de overheid of bij je papa.” En
“Het is onverdiend inkomen”.
Tax: “Er zitten in Nederland honderdduizenden mensen in de bijstand, die hebben er ook
niks voor gedaan." "Je hoeft niet altijd iets gedaan te hebben om iets te ontvangen.”
Volgens sommigen is de erfbelasting één van de meest gehate belastingen. Wat is uw visie
ten aanzien van de erfbelasting? Licht uw mening toe.
Zelf ben ik van mening dat de erfbelasting een goed middel is om de vermogensongelijkheid
tegen te gaan. Ook voelen mensen de erfbelasting meestal niet zo erg, aangezien de
erfbelasting wordt geheven voordat het vermogen daadwerkelijk wordt verkregen door de
erfgenamen. Daarbij komt dat de erfbelasting meer een soort extraatje is op het al bestaande
vermogen van de erfgenamen, en dus als het goed is geen vermogen is die de erfgenamen
echt nodig hebben om te overleven, zoals bij inkomen uit loon of dergelijke wel het geval is.
VRAAG HET AI; laat AI een tegenargument genereren op jouw standpunt, en versterk zo
jouw redenering.
Antwoord Chatgpt: Een goed tegenargument op jouw standpunt zou kunnen zijn:
- De erfbelasting is een vorm van dubbele belasting en tast het recht op eigendom
aan.** Dit argument wordt vaak gegeven, en is onjuist, aangezien de belasting is
betaald door de erflater, en niet door de erfgenaam. De erfgenaam zelf betaald geen
dubbele belasting.
- Mensen hebben tijdens hun leven al belasting betaald over hun inkomen, vermogen
en investeringen. Wanneer ze overlijden, wordt hun vermogen nogmaals belast
voordat het naar hun erfgenamen gaat. Dat voelt voor velen als onrechtvaardig,
omdat de overheid daarmee tweemaal geld int van hetzelfde bezit. Bovendien kan het
voor erfgenamen van bijvoorbeeld familiebedrijven of woningen leiden tot financiële
druk — zij moeten soms delen van de erfenis verkopen om de erfbelasting te kunnen
betalen. Dit kan leiden tot het verdwijnen van familiebedrijven of het gedwongen
verkopen van ouderlijk bezit, wat niet bijdraagt aan maatschappelijk welzijn of
stabiliteit. Dit is inderdaad een goed tegenargument. De bedrijven in kwestie zijn
ondernemingen van al erg rijke families, en zij hebben naast de onderneming
meerdere middelen om de erfbelasting uit te betalen.
VRAAG 2
De Successiewet 1956 kan gekenschetst worden als een zogenoemde verkrijgingsbelasting.
Vraag a: Wat wordt bedoeld met een “verkrijgingsbelasting”?
Antwoord:
Een verkrijgingsbelasting is een belasting die wordt geheven over iets wat verkregen wordt
en wordt betaald door de verkrijger/erfgenaam, niet door de schenker/erflater. We kijken
,niet naar wat iemand als geheel achterlaat, maar naar wat iedere afzonderlijke verkrijger
verkrijgt, en dat betrekken we in de heffing.
Toevoeging: Zowel de erfbelasting als de schenkbelasting zijn verkrijgingsbelastingen. We
kijken naar individuele tarieven. In welke verhouding staat de erfgenaam ten aanzien van de
erflater.
Vraag b: Waar in de SW 1956 treft u bepalingen aan die kenmerkend zijn voor een
verkrijgingsbelasting?
Antwoord:
Art. 5 SW: ‘De erfbelasting wordt geheven van hetgeen ieder verkrijgt, eventueel na aftrek
van zijn aandeel in de volgens deze wet voor aftrek in aanmerking komende schulden,
legaten en lasten.’ Het gaat over hetgeen dat ieder verkrijgt. Hiermee wordt verwezen naar
de verkrijgingsbelasting.
Toevoeging: Ook wordt er verwezen naar art. 1 en 2 SW, art. 24, art. 36 en 38. Ook de
vrijstellingen zijn afhankelijk van de verkrijger. Lees goed of het gaat om een bepaling
krachtens erfrecht of schenking.
Vraag c: In de SW 1956 treft u echter ook bepalingen aan die juist niet in lijn zijn met een
(zuivere) verkrijgingsbelasting. Noem deze en licht kort toe waarom zij niet in lijn zijn met
een (zuivere) verkrijgingsbelasting.
Antwoord:
Art. 3 lid 1 SW: Een Nederlander die in Nederland heeft gewoond en binnen tien jaren nadat
hij Nederland metterwoon heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan, wordt
geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de schenking in Nederland te hebben
gewoond. Hier gaat het over de woonplaats van de erflater/schenker, en dit is niet in lijn met
de zuivere verkrijgingsbelasting.
Toevoeging: Art. 1 lid 1 nummer 1: Er wordt geheven op het moment dat je iets verkrijgt van
de erflater/schenker. Dit is een voorbeeld van een artikel dat meer past bij een
boedelbelasting.
Vraag d: Past het toepassen van een zogenoemde derde progressie in de tariefstructuur bij
een verkrijgingsbelasting?
Antwoord:
De derde progressie hebben we momenteel nog niet, maar in de loop van de tijd is er meer
discussie over een derde: Er moet niet alleen worden gekeken naar hoeveel je krijgt, maar
wat het je als verkrijger al hebt op het moment van de schenking of erfenis. Als je al veel hebt
betaal je meer, als je minder hebt, betaal je minder. In Spanje heb je dit al wel. 3 redenen niet
gedaan
I. Het is heel raar als 2 personen hetzelfde bedrag krijgen, en ze betalen aar iets
verschillend over (parlement gs)
II. Draagkracht is al tot uiting gebracht in de tweede progressie
III. Sparen wordt ontmoedigd (beetje een onzin argument)
Deze derde progressie past ook niet per se binnen de Nederlandse belastingstructuur,
aangezien we heffen aan de hand van de hoeveelheid van het bedrag dat iemand krijgt, en
niet naar hoeveel vermogen iemand al heeft.
Correctie: Er wordt gekeken naar het al bestaande vermogen van de verkrijger, en dit is in
lijn met de verkrijgingsbelasting, aangezien daar ook wordt gekeken naar de verkrijging. Je
wil de draagkracht van de verkrijger gebruiken om de hoogte van het tarief erf of
schenkbelasting te betalen.
Vraag e: Anglo-Amerikaanse landen richten zich juist niet op de verkrijger. Waar richten
deze landen hun belasting dan wel op en wat houdt het in?
Antwoord:
In Anglo-Amerikaanse landen is de erf- en schenkbelasting een boedelbelasting, en wordt
dus geheven als belasting op het ‘vermogen’ van de erflater. Het wordt geheven over de
,erfenis in zijn geheel. De belasting is dus gericht op de erflater/schenker. De overledene is de
belastingplichtige. De boedel is dus belastingplichtig (ook als persoon), de boedel doet
aangifte en gaat langs de rechtbank voor de toestemming tot inkering. Vertegenwoordigd
door een natuurlijk persoon.
Toevoeging: Zij zien de boedel echt als een soort rechtspersoon. Probate en estate leeft voort
en wordt verdeeld.
VRAAG 3
Bestudeer artikel 1a, 24, 32 en 33 SW 1956. Alsmede de navolgende passage uit een
document van de KNB (Input KNB voor Tweede Kamer verkiezingen 2021).
Vraag a: Vindt u dat de erf- en schenkbelasting te veel zijn opgesteld voor de traditionele
gezinssituatie? Licht uw antwoord toe.
Antwoord:
Zelf ben ik het eens met de stelling dat er modernisatie moet plaatsvinden op het gebied van
erfbelasting, aangezien deze wetgeving is gebaseerd op de typische verhouding waar er twee
ouders zijn. Met de vorderingen op gebied van meerouderschap en alleenstaanden is het
nodig om de wetgeving hierop aan te passen. Wel is het nodig om zorgvuldig te bekijken
wanneer de vrijstellingen worden vergeven om zo te voorkomen dat er misbruik zal worden
gemaakt van de kwalificatie van het meerouderschap.
Deze artikelen zien op wie de partners zijn en wie daaronder vallen, alsmede de vrijstellingen
en tarieven. Deze zijn gericht op de traditionele gezinssituatie, en niet op hedendaagse
andere gezinssituaties. Art. 1a is een aanvulling op art. 5 AWR. De artikelen zijn erg
traditioneel ingesteld. Er zou rekening kunnen worden gehouden door bijvoorbeeld zelf te
mogen kiezen welke personen je voor welk tarief in aanmerking kan nemen, dit zou dan
beperkt zijn tot een aantal personen.
Vraag b: Hoe zou in de Successiewet 1956 meer rekening gehouden kunnen worden met de
moderne maatschappelijke wensen zoals deze hierboven worden benoemd?
Antwoord:
Naar mijn mening kan er op een juiste manier rekening worden gehouden met deze kwesties
door bij alleenstaande bijvoorbeeld het percentage aan erfbelasting voor personen die buiten
de relationele sferen vallen van de erflater gelijk te stellen aan die van personen die daar wel
binnen vallen, indien de alleenstaande geen personen om zich heen heeft die buiten deze
relationele sferen vallen.
VRAAG HET AI: gebruik AI om een samenvatting te maken van de Successiewet-artikelen
die u bestudeert.
Artikel 1a SW 1956 – Fictieve verkrijgingen bij overlijden
Kern:
Artikel 1a regelt dat bepaalde vermogensbestanddelen die niet rechtstreeks tot de
nalatenschap behoren, toch als erfenis worden beschouwd voor de erfbelasting.
, Samengevat:
Sommige vermogensoverdrachten die kort vóór het overlijden van de erflater zijn
gedaan, worden fictief tot de erfenis gerekend.
Dit voorkomt dat mensen vlak voor hun dood hun vermogen wegsluizen (bijvoorbeeld door
schenkingen of aanpassingen in eigendom) om erfbelasting te ontwijken.
Voorbeelden:
Een schenking “op papier” (schuldigerkenning uit vrijgevigheid).
Het recht van vruchtgebruik dat eindigt door overlijden.
Doel: Voorkomen van belastingontwijking door kunstmatige constructies vóór overlijden.
Artikel 24 SW 1956 – Tarieven van de erfbelasting
Kern: Artikel 24 bepaalt hoe hoog de erfbelasting is en welke tarieven gelden
afhankelijk van de relatie tussen erflater en erfgenaam.
Samengevat:
De erfbelasting kent progressieve tarieven: hoe groter de erfenis, hoe hoger het
percentage.
Er zijn drie tariefgroepen:
Partner en (klein)kinderen – laag tarief (10–20%).
Broers, zussen, neven, nichten en verdere familie – middelmatig tarief
(30–40%).
Overige verkrijgers (niet-familie) – hoog tarief (40%).
De precieze percentages en schijven worden periodiek aangepast.
Doel: Een rechtvaardige en gedifferentieerde belastingdruk afhankelijk van de relatie tot de
overledene.
Artikel 32 SW 1956 – Vrijstellingen
Kern: Artikel 32 regelt wie recht heeft op vrijstellingen van erfbelasting en hoe hoog
die bedragen zijn.
Samengevat:
Bepaalde verkrijgers krijgen een bedrag vrijgesteld van erfbelasting.
Vrijstellingen gelden bijvoorbeeld voor:
Partners (de grootste vrijstelling, ruim boven €700.000).
Kinderen (ongeveer €22.000).
Kleinkinderen (ongeveer €22.000).
Overige verkrijgers (ongeveer €2.000).
Ook zijn er bijzondere vrijstellingen, bijvoorbeeld voor gehandicapte kinderen of ANBI’s
(goede doelen).
Doel: Bescherming van nabestaanden en stimuleren van maatschappelijke doelen (zoals
schenkingen aan goede doelen).
Artikel 33 SW 1956 – Bijzondere vrijstellingen (niet in geld)
Kern: Artikel 33 vult artikel 32 aan en noemt specifieke situaties waarin ook
vrijstellingen gelden, bijvoorbeeld voor bepaalde goederen of situaties.
Samengevat:
Vrijstelling geldt o.a. voor:
Pensioen- of lijfrente-uitkeringen van de overledene aan de partner of kinderen.
Verkrijgingen van culturele of openbare instellingen.
Verkrijgingen van oorlogsslachtoffers of verzetsdeelnemers (historisch
onderdeel).
Deze vrijstellingen zijn meer inhoudelijk of doelgericht dan de algemene bedragen uit
artikel 32.
Doel: Rekening houden met bijzondere maatschappelijke of persoonlijke omstandigheden.
VRAAG 1
Beluister ter gedachtevorming het radiofragment via NPO Radio 1 van 15 augustus 2024
waarin Stefan Tax en Sander Schimmelpenninck in debat gaan over de erfbelasting in “je
geld of je leven”.
Tax: “In een ideale wereld zou er geen erfbelasting zijn." Als jij geld verdiend hebt, waar je
belasting over hebt betaald, dan is dat van jou. Als je daar iemand mee wil helpen, als je dat
aan iemand wilt geven, dan vind ik dat de overheid daar geen rol in hoeft te spelen.”
Schimmelpenninck: “Vroeger had je een ongelijke maatschappij waarin de plek waar je wieg
stond, bepaalt wat je kansen in het leven waren. "Kansengelijkheid is een belangrijke
waarde: je moet het zelf doen, niet je handje ophouden bij de overheid of bij je papa.” En
“Het is onverdiend inkomen”.
Tax: “Er zitten in Nederland honderdduizenden mensen in de bijstand, die hebben er ook
niks voor gedaan." "Je hoeft niet altijd iets gedaan te hebben om iets te ontvangen.”
Volgens sommigen is de erfbelasting één van de meest gehate belastingen. Wat is uw visie
ten aanzien van de erfbelasting? Licht uw mening toe.
Zelf ben ik van mening dat de erfbelasting een goed middel is om de vermogensongelijkheid
tegen te gaan. Ook voelen mensen de erfbelasting meestal niet zo erg, aangezien de
erfbelasting wordt geheven voordat het vermogen daadwerkelijk wordt verkregen door de
erfgenamen. Daarbij komt dat de erfbelasting meer een soort extraatje is op het al bestaande
vermogen van de erfgenamen, en dus als het goed is geen vermogen is die de erfgenamen
echt nodig hebben om te overleven, zoals bij inkomen uit loon of dergelijke wel het geval is.
VRAAG HET AI; laat AI een tegenargument genereren op jouw standpunt, en versterk zo
jouw redenering.
Antwoord Chatgpt: Een goed tegenargument op jouw standpunt zou kunnen zijn:
- De erfbelasting is een vorm van dubbele belasting en tast het recht op eigendom
aan.** Dit argument wordt vaak gegeven, en is onjuist, aangezien de belasting is
betaald door de erflater, en niet door de erfgenaam. De erfgenaam zelf betaald geen
dubbele belasting.
- Mensen hebben tijdens hun leven al belasting betaald over hun inkomen, vermogen
en investeringen. Wanneer ze overlijden, wordt hun vermogen nogmaals belast
voordat het naar hun erfgenamen gaat. Dat voelt voor velen als onrechtvaardig,
omdat de overheid daarmee tweemaal geld int van hetzelfde bezit. Bovendien kan het
voor erfgenamen van bijvoorbeeld familiebedrijven of woningen leiden tot financiële
druk — zij moeten soms delen van de erfenis verkopen om de erfbelasting te kunnen
betalen. Dit kan leiden tot het verdwijnen van familiebedrijven of het gedwongen
verkopen van ouderlijk bezit, wat niet bijdraagt aan maatschappelijk welzijn of
stabiliteit. Dit is inderdaad een goed tegenargument. De bedrijven in kwestie zijn
ondernemingen van al erg rijke families, en zij hebben naast de onderneming
meerdere middelen om de erfbelasting uit te betalen.
VRAAG 2
De Successiewet 1956 kan gekenschetst worden als een zogenoemde verkrijgingsbelasting.
Vraag a: Wat wordt bedoeld met een “verkrijgingsbelasting”?
Antwoord:
Een verkrijgingsbelasting is een belasting die wordt geheven over iets wat verkregen wordt
en wordt betaald door de verkrijger/erfgenaam, niet door de schenker/erflater. We kijken
,niet naar wat iemand als geheel achterlaat, maar naar wat iedere afzonderlijke verkrijger
verkrijgt, en dat betrekken we in de heffing.
Toevoeging: Zowel de erfbelasting als de schenkbelasting zijn verkrijgingsbelastingen. We
kijken naar individuele tarieven. In welke verhouding staat de erfgenaam ten aanzien van de
erflater.
Vraag b: Waar in de SW 1956 treft u bepalingen aan die kenmerkend zijn voor een
verkrijgingsbelasting?
Antwoord:
Art. 5 SW: ‘De erfbelasting wordt geheven van hetgeen ieder verkrijgt, eventueel na aftrek
van zijn aandeel in de volgens deze wet voor aftrek in aanmerking komende schulden,
legaten en lasten.’ Het gaat over hetgeen dat ieder verkrijgt. Hiermee wordt verwezen naar
de verkrijgingsbelasting.
Toevoeging: Ook wordt er verwezen naar art. 1 en 2 SW, art. 24, art. 36 en 38. Ook de
vrijstellingen zijn afhankelijk van de verkrijger. Lees goed of het gaat om een bepaling
krachtens erfrecht of schenking.
Vraag c: In de SW 1956 treft u echter ook bepalingen aan die juist niet in lijn zijn met een
(zuivere) verkrijgingsbelasting. Noem deze en licht kort toe waarom zij niet in lijn zijn met
een (zuivere) verkrijgingsbelasting.
Antwoord:
Art. 3 lid 1 SW: Een Nederlander die in Nederland heeft gewoond en binnen tien jaren nadat
hij Nederland metterwoon heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan, wordt
geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de schenking in Nederland te hebben
gewoond. Hier gaat het over de woonplaats van de erflater/schenker, en dit is niet in lijn met
de zuivere verkrijgingsbelasting.
Toevoeging: Art. 1 lid 1 nummer 1: Er wordt geheven op het moment dat je iets verkrijgt van
de erflater/schenker. Dit is een voorbeeld van een artikel dat meer past bij een
boedelbelasting.
Vraag d: Past het toepassen van een zogenoemde derde progressie in de tariefstructuur bij
een verkrijgingsbelasting?
Antwoord:
De derde progressie hebben we momenteel nog niet, maar in de loop van de tijd is er meer
discussie over een derde: Er moet niet alleen worden gekeken naar hoeveel je krijgt, maar
wat het je als verkrijger al hebt op het moment van de schenking of erfenis. Als je al veel hebt
betaal je meer, als je minder hebt, betaal je minder. In Spanje heb je dit al wel. 3 redenen niet
gedaan
I. Het is heel raar als 2 personen hetzelfde bedrag krijgen, en ze betalen aar iets
verschillend over (parlement gs)
II. Draagkracht is al tot uiting gebracht in de tweede progressie
III. Sparen wordt ontmoedigd (beetje een onzin argument)
Deze derde progressie past ook niet per se binnen de Nederlandse belastingstructuur,
aangezien we heffen aan de hand van de hoeveelheid van het bedrag dat iemand krijgt, en
niet naar hoeveel vermogen iemand al heeft.
Correctie: Er wordt gekeken naar het al bestaande vermogen van de verkrijger, en dit is in
lijn met de verkrijgingsbelasting, aangezien daar ook wordt gekeken naar de verkrijging. Je
wil de draagkracht van de verkrijger gebruiken om de hoogte van het tarief erf of
schenkbelasting te betalen.
Vraag e: Anglo-Amerikaanse landen richten zich juist niet op de verkrijger. Waar richten
deze landen hun belasting dan wel op en wat houdt het in?
Antwoord:
In Anglo-Amerikaanse landen is de erf- en schenkbelasting een boedelbelasting, en wordt
dus geheven als belasting op het ‘vermogen’ van de erflater. Het wordt geheven over de
,erfenis in zijn geheel. De belasting is dus gericht op de erflater/schenker. De overledene is de
belastingplichtige. De boedel is dus belastingplichtig (ook als persoon), de boedel doet
aangifte en gaat langs de rechtbank voor de toestemming tot inkering. Vertegenwoordigd
door een natuurlijk persoon.
Toevoeging: Zij zien de boedel echt als een soort rechtspersoon. Probate en estate leeft voort
en wordt verdeeld.
VRAAG 3
Bestudeer artikel 1a, 24, 32 en 33 SW 1956. Alsmede de navolgende passage uit een
document van de KNB (Input KNB voor Tweede Kamer verkiezingen 2021).
Vraag a: Vindt u dat de erf- en schenkbelasting te veel zijn opgesteld voor de traditionele
gezinssituatie? Licht uw antwoord toe.
Antwoord:
Zelf ben ik het eens met de stelling dat er modernisatie moet plaatsvinden op het gebied van
erfbelasting, aangezien deze wetgeving is gebaseerd op de typische verhouding waar er twee
ouders zijn. Met de vorderingen op gebied van meerouderschap en alleenstaanden is het
nodig om de wetgeving hierop aan te passen. Wel is het nodig om zorgvuldig te bekijken
wanneer de vrijstellingen worden vergeven om zo te voorkomen dat er misbruik zal worden
gemaakt van de kwalificatie van het meerouderschap.
Deze artikelen zien op wie de partners zijn en wie daaronder vallen, alsmede de vrijstellingen
en tarieven. Deze zijn gericht op de traditionele gezinssituatie, en niet op hedendaagse
andere gezinssituaties. Art. 1a is een aanvulling op art. 5 AWR. De artikelen zijn erg
traditioneel ingesteld. Er zou rekening kunnen worden gehouden door bijvoorbeeld zelf te
mogen kiezen welke personen je voor welk tarief in aanmerking kan nemen, dit zou dan
beperkt zijn tot een aantal personen.
Vraag b: Hoe zou in de Successiewet 1956 meer rekening gehouden kunnen worden met de
moderne maatschappelijke wensen zoals deze hierboven worden benoemd?
Antwoord:
Naar mijn mening kan er op een juiste manier rekening worden gehouden met deze kwesties
door bij alleenstaande bijvoorbeeld het percentage aan erfbelasting voor personen die buiten
de relationele sferen vallen van de erflater gelijk te stellen aan die van personen die daar wel
binnen vallen, indien de alleenstaande geen personen om zich heen heeft die buiten deze
relationele sferen vallen.
VRAAG HET AI: gebruik AI om een samenvatting te maken van de Successiewet-artikelen
die u bestudeert.
Artikel 1a SW 1956 – Fictieve verkrijgingen bij overlijden
Kern:
Artikel 1a regelt dat bepaalde vermogensbestanddelen die niet rechtstreeks tot de
nalatenschap behoren, toch als erfenis worden beschouwd voor de erfbelasting.
, Samengevat:
Sommige vermogensoverdrachten die kort vóór het overlijden van de erflater zijn
gedaan, worden fictief tot de erfenis gerekend.
Dit voorkomt dat mensen vlak voor hun dood hun vermogen wegsluizen (bijvoorbeeld door
schenkingen of aanpassingen in eigendom) om erfbelasting te ontwijken.
Voorbeelden:
Een schenking “op papier” (schuldigerkenning uit vrijgevigheid).
Het recht van vruchtgebruik dat eindigt door overlijden.
Doel: Voorkomen van belastingontwijking door kunstmatige constructies vóór overlijden.
Artikel 24 SW 1956 – Tarieven van de erfbelasting
Kern: Artikel 24 bepaalt hoe hoog de erfbelasting is en welke tarieven gelden
afhankelijk van de relatie tussen erflater en erfgenaam.
Samengevat:
De erfbelasting kent progressieve tarieven: hoe groter de erfenis, hoe hoger het
percentage.
Er zijn drie tariefgroepen:
Partner en (klein)kinderen – laag tarief (10–20%).
Broers, zussen, neven, nichten en verdere familie – middelmatig tarief
(30–40%).
Overige verkrijgers (niet-familie) – hoog tarief (40%).
De precieze percentages en schijven worden periodiek aangepast.
Doel: Een rechtvaardige en gedifferentieerde belastingdruk afhankelijk van de relatie tot de
overledene.
Artikel 32 SW 1956 – Vrijstellingen
Kern: Artikel 32 regelt wie recht heeft op vrijstellingen van erfbelasting en hoe hoog
die bedragen zijn.
Samengevat:
Bepaalde verkrijgers krijgen een bedrag vrijgesteld van erfbelasting.
Vrijstellingen gelden bijvoorbeeld voor:
Partners (de grootste vrijstelling, ruim boven €700.000).
Kinderen (ongeveer €22.000).
Kleinkinderen (ongeveer €22.000).
Overige verkrijgers (ongeveer €2.000).
Ook zijn er bijzondere vrijstellingen, bijvoorbeeld voor gehandicapte kinderen of ANBI’s
(goede doelen).
Doel: Bescherming van nabestaanden en stimuleren van maatschappelijke doelen (zoals
schenkingen aan goede doelen).
Artikel 33 SW 1956 – Bijzondere vrijstellingen (niet in geld)
Kern: Artikel 33 vult artikel 32 aan en noemt specifieke situaties waarin ook
vrijstellingen gelden, bijvoorbeeld voor bepaalde goederen of situaties.
Samengevat:
Vrijstelling geldt o.a. voor:
Pensioen- of lijfrente-uitkeringen van de overledene aan de partner of kinderen.
Verkrijgingen van culturele of openbare instellingen.
Verkrijgingen van oorlogsslachtoffers of verzetsdeelnemers (historisch
onderdeel).
Deze vrijstellingen zijn meer inhoudelijk of doelgericht dan de algemene bedragen uit
artikel 32.
Doel: Rekening houden met bijzondere maatschappelijke of persoonlijke omstandigheden.