HOORCOLLEGE 1: INTRODUCTIE
Theorie Definitie
Theorie = een reeks uitspraken die, zo eenvoudig mogelijk, beschrijft hoe
variabelen zich tot elkaar verhouden
Bronnen van informatie
Intuïtie
Er zijn 5 verschillende manieren waarop onze intuïtie is bevooroordeeld
(biased-thinking)
1. Availability: Recente gebeurtenissen makkelijk kunnen herinneren waardoor
je deze zwaarder laat meewegen dan andere dingen. Overtuigd worden door
wat gemakkelijk in je opkomt (doordat je het bv vaak op het nieuws hebt
gezien of je het pas hebt meegemaakt) → BV: Je ziet op het nieuws een paar
keer een vliegtuigongeluk. Daardoor denk je: “Vliegen is supergevaarlijk.”
Maar eigenlijk is de kans op een ongeluk heel klein — je denkt alleen dat het
groot is omdat je het makkelijk kunt herinneren.
2. Bias blind spot: Geloven dat je niet of minder bevooroordeeld bent dan
anderen → Meer uitleg: Als je een bias blind spot hebt, vertrouw je te veel
op je eigen intuïtie,
omdat je denkt: “Mijn gevoel is eerlijk en objectief — ik heb geen
vooroordelen.”
3. Confirmation bias: Het (on)opzettelijk negeren van resultaten die niet
overeenkomen met je eigen verwachtingen (net zolang naar iets zoeken
totdat het overeenkomt met je persoonlijke mening)
4. Good story: Beïnvloed worden door een goed verhaal (dat niet altijd waar
hoeft te zijn) → BV: Iemand zegt: “Als je elke ochtend citroenwater drinkt,
Tentamenstof KOM 1
, word je nooit ziek.”
→ Dat klinkt als een mooi en logisch verhaal, dus je gelooft het sneller. Maar
er is geen bewijs voor — het is gewoon een goed klinkend verhaal.
5. Present bias: We onthouden alleen de keren dat iets wél gebeurt, maar
denken niet na over
de keren dat het niet gebeurde. We trekken dus een conclusie op basis van
de beschikbare informatie. → BV: Je hebt het gevoel dat het stoplicht altijd
bij jou op rood springt, maar je vergeet al die keren dat hij al groen was toen
je aankwam fietsen
Ervaring
Er zijn 2 problemen bij het maken van conclusies op basis van ervaringen
1. Het dagelijks leven bevat geen vergelijkende ervaringen. Je voelt je beter
door x, maar hoe zou je je hebben gevoeld zonder x? Beter, slechter of
gewoon hetzelfde?
BV: Je neemt een paracetamol en voelt je daarna beter. Maar je weet niet: zou je
je ook beter hebben gevoeld als je de pil niet had genomen? Omdat je die andere
situatie (zonder pil) niet kunt meemaken, kun je niet zeker weten dat de pil de
reden was → Dus: je hebt geen vergelijkingsgroep om mee te vergelijken.
2. Er gebeuren meerdere dingen tegelijk, dus je weet niet wat nou precies de
oorzaak is van een bepaald iets. De alternatieve verklaringen heten
confounds (verwarringen).
Meer uitleg: In het echte leven gebeuren altijd meerdere dingen tegelijk. Als je je
beter voelt na iets, kan dat door heel veel andere dingen komen die ook tegelijk
gebeurden (bijv. goed geslapen, minder stress) Dat noemen ze "confounds"
(verwarrende factoren) → Daardoor kun je niet zeker weten welke factor echt de
oorzaak was.
1. Autoriteit: een autoriteit kan iets beweren op basis van zijn ervaring, intuïtie of
wetenschappelijk onderzoek ← alleen in dat laatste geval kan je er vaak op
vertrouwen dat het klopt
Wetenschap
Je hebt 2 soorten artikelen:
Tentamenstof KOM 2
, Empirical journal articles → Resultaten van nieuw empirisch onderzoek
waarbij alles goed wordt beschreven.
Review journal articles → Een samenvatting van meerdere studies over het
onderwerp. Bij een meta-analyse gaat het om heel veel studies waarbij een
effect size wordt berekend. Dit zegt iets over de relatie tussen de studies.
Kenmerken Wetenschappelijk Onderzoek
Empirisch: het onderzoek is gebaseerd op systematische waarnemingen
Controleerbaar: onderzoek moet transparant zijn → een belangrijk middel om
dat te bereiken is een peer review (onafhankelijke collega kijkt kritisch naar het
onderzoek)
Probabilistisch: we doen uitspraken met onzekerheid, we doen uitspraken voor
een gehele groep, maar we weten niet of het daadwerkelijk voor de gehele
groep geldt (BV: niet iedereen die eenzaam is, zal een groot risico hebben op
gezondheidsproblemen)
Theorie Data Cyclus
Tentamenstof KOM 3
, Kenmerken van een goede wetenschappelijke theorie (FOS)
Ondersteund door data (data uit wetenschappelijk onderzoek)
Falsifieerbaar: een theorie moet weerlegd kunnen worden aan de hand van
verzamelde gegevens → BV: de theorie dat God bestaat is niet te weerleggen
met verzamelde gegevens, hierdoor kunnen we deze theorie niet onderzoeken
en is het niet falsifieerbaar
Spaarzaam (parsimonious): als een eenvoudige theorie voldoende is, is het niet
nodig om deze complexer te maken
In wetenschappelijk onderzoek zijn er 2 soorten onderzoeksvragen →
1. Fundamenteel (basic): gaat het om het beantwoorden van kennisvragen (Hoe zit
dit, hoe werkt dit eigenlijk?)
Voorbeelden:
a. Wat is dyslexie?
b. Is er een relatie tussen eenzaamheid en gezondheid?
c. Wat is de capaciteit van het menselijk geheugen?
d. Hoe werkt het brein van een kind met ADHD?
2. Toegepast (applied): gaat om vragen m.b.t. het vinden van oplossingen (Ik heb
een probleem, hoe los ik dit op?)
Voorbeelden:
a. Hoe help ik een kind in de klas om ervoor te zorgen dat…?
b. Hoe kan je eenzaamheid bestrijden?
Kwantitatief en Kwalitatief
Kwantitatieve gegevens = cijfermatige gegevens, of data die gemakkelijk in
cijfermatige gegevens kunnen worden omgezet
Tentamenstof KOM 4