‘Cardiovasculaire aandoeningen’
N.B. de antwoorden op de vragen zijn op de laatste pagina’s te vinden
,Vraag 1 Hart/vaten/nieren (18 pt)
Mevrouw de Mol is een 68-jarige vrouw met hypertensie, waarvoor zij sinds kort
hydrochloorthiazide 12,5 mg 1 maal daags gebruikt. Ze komt op controle bij de
huisarts vanwege vermoeidheid, spierkrampen in haar benen en duizeligheid bij het
opstaan. Daarnaast komt de arts erachter dat het kaliumgehalte in het bloed van
mevrouw fors verlaagd is.
a) Waar grijpt hydrochloorthiazide aan in het nefron? Leg het
werkingsmechanisme achter dit diureticum uit en verklaar daarmee het lage
kaliumgehalte in het bloed. (3pt)
Tijdens het spreekuur wordt er bij mevrouw een cardiovasculaire risicobeoordeling
gedaan. Mevrouw heeft geen voorgeschiedenis van hart- en vaatziekten. Ze rookt
dagelijks een half pakje sigaretten en heeft een matig actieve leefstijl. Er is sprake
van lichte hypertensie en licht verhoogd LDL-cholesterol. Mevrouw haar
totaalcholesterol en haar HDL-cholesterol zijn respectievelijk 6,1 en 1,4 mmol/L. De
bloeddruk van mevrouw is gemeten: 146/98 mmHg.
b) Bekijk de SCORE2-tabel (bijlage 1) en geef aan wat het tienjaarsrisico is van
mevrouw de Mol. Leg ook uit wat dit tienjaarsrisico inhoudt. (3pt)
In figuur 1 is een schematische weergave te
zien van het nefron dat uit verschillende
onderdelen bestaat. Een belangrijke component
in het nefron is de Lus van Henle.
c) Leg uit wat voor transport er plaatsvindt in
het dalende deel en het stijgende deel
van de Lus van Henle. (2pt)
Bij mensen met diabetes insipidus reageren
mensen niet meer op het ADH, een hormoon dat
in de hypothalamus geproduceerd wordt.
Figuur 1: schematische weergave van het nefron
Hierdoor moeten mensen met diabetes insipidus
veel drinken en veel plassen.
d) Leg uit hoe het kan dat mensen met diabetes insipidus zoveel moeten drinken
en plassen. Baseer je antwoord op de nierfysiologie en het effect van ADH op
de nier. (3pt)
, Mevrouw krijgt te horen dat er ook vele andere middelen zijn om de bloeddruk te
verlagen. Zo heeft een kennis van mevrouw De Mol weleens gehoord over enalapril.
Het probleem hierbij is echter dat enalapril een vervelende bijwerking kan hebben.
e) Welke (vervelende) bijwerking heeft enalapril? En hoe ontstaat deze
bijwerking? Leg je antwoord uit door het werkingsmechanisme te beschrijven
van enalapril. (3pt)
f) Leg uit waarom de dosis van enalapril langzaam opgebouwd moet worden.
(2 pt)
Volgens de wet van Poiseuille kan de bloedstroom op verschillende manieren
beïnvloed worden.
g) Noem drie manieren waardoor je, volgens de wet van Poiseuille, een
verandering kunt bewerkstelligen in de bloedstroom. (2pt)