,
, Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1 Wat is een organisatie?
Een organisatie is een samenwerkingsverband waarin mensen doelgericht samenwerken en daarbij gebruikmaken
van middelen. Organisaties hebben altijd een bepaald doel en bestaan uit mensen die met behulp van kennis, geld
en materialen dat doel proberen te bereiken.
We onderscheiden grofweg twee typen organisaties:
Bedrijven: ondernemingen die producten of diensten verkopen aan klanten.
o Profitorganisaties richten zich op het behalen van winst. Voorbeelden zijn Philips en Douwe
Egberts.
o Non-profitorganisaties kunnen wel winst maken, maar mogen die winst niet uitkeren aan
eigenaren of aandeelhouders. Denk aan ziekenhuizen, ministeries en scholen. Ze investeren hun
opbrengsten terug in de organisatie of maatschappelijke doelen.
Overige organisaties zijn niet afhankelijk van betalende klanten, maar draaien op en voor hun leden.
Voorbeelden zijn sportclubs, kerken of buurtverenigingen.
Een andere manier om organisaties te onderscheiden is via hun juridische vorm:
Met rechtspersoonlijkheid: de organisatie staat juridisch los van de personen die haar leiden of bezitten.
Dit geldt bijvoorbeeld voor:
o De besloten vennootschap (bv), waarvan de aandelen op naam staan en niet vrij verhandeld
kunnen worden.
o De naamloze vennootschap (nv), waarvan de aandelen vrij overdraagbaar zijn. Deze rechtsvorm
maakt het eenvoudiger om extern kapitaal aan te trekken.
o Andere vormen zijn de stichting, vereniging en coöperatie.
Zonder rechtspersoonlijkheid: hierbij zijn de eigenaren ook privé aansprakelijk. Dit geldt voor de
eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof) en commanditaire vennootschap (cv).
Volgens Ten Berge (2021) bepaalt de rechtsvorm onder andere de aansprakelijkheid, zeggenschap en
fiscale behandeling van een organisatie, wat van grote invloed is op de strategische keuzes van
ondernemers.
1.2 Globale ontwikkelingen in de organisatietheorie
Vanaf de Industriële Revolutie (ca. 1760–1830) groeiden organisaties snel, mede door mechanisering. Fabrieken
ontstonden en vervingen ambachtelijke productie.
Hiermee werd de basis gelegd voor het vakgebied organisatiekunde, dat zich vanaf eind 19e eeuw begon te
ontwikkelen. De theorieën daarbinnen zijn te verdelen in drie periodes.
1.2.1 De periode van eind 19e eeuw tot 1935
In deze periode lag de nadruk op efficiëntie en beheersing. De klassieke school, ook wel scientific management
genoemd, werd vooral vertegenwoordigd door Frederick Taylor.
Hij stelde dat werknemers vooral gemotiveerd worden door financiële beloning. Werk werd daarom sterk
opgedeeld, gestandaardiseerd en gecontroleerd, met als doel maximale output.