Bedrijfseconomie
Bedrijfseconomie, Hoofdstuk 1
1.1 – Bedrijfseconomie en maatschappij
Economische wetenschap bestaat uit:
I. Algemene economie: richt zich op het geheel van relaties tussen groepen → de
overheid, producenten, consumenten, de financiële sector (banken) en andere landen
(import en export).
II. Econometrie: richt zich op de wiskundige kant van economie → formules en cijfers.
III. Bedrijfseconomie: richt zich op het gedrag van individuele ondernemingen.
De maatschappij heeft:
I. Ondernemingen: instellingen met het doel om geld te verdienen.
⤷ leveren producten tegen betaling.
II. Verenigingen & stichtingen: zoals een school of sportclub.
1.2 – Personen, ondernemers en organisaties
Organisatie = een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken:
I. Commerciële organisatie: heeft als doel winst maken door producten te maken en
verkopen & diensten verleent.
⤷ winkels, banken, fabrieken en accountantskantoren.
II. Niet-commerciële organisatie: streeft niet naar winst, maar heeft een ander doel.
⤷ school, sportclub.
Rechtsvorm
Een rechtsvorm is de juridische vorm van een organisatie → geeft aan wie de leiding heeft en
wie verantwoordelijk is voor schulden.
Bij commerciële organisaties heb je de volgende rechtsvormen:
Eenmanszaak: 1 eigenaar is heeft de leiding en is volledig verantwoordelijk.
Vennootschap onder firma: 2 of meer eigenaren die samenwerken onder een
gemeenschappelijke naam, elke eigenaar kan apart verantwoordelijk zijn.
Besloten vennootschap (bv) en naamloze vennootschap (nv): rechtspersonen, dus
zelfstandig rechten en plichten, en vaak alleen aansprakelijk voor het bedrag dat ze in
de bv/nv hebben ingebracht.
Bij een niet-commerciële organisatie heb je:
Vereniging: organisatie met leden, een bestuur en een doel (sportvereniging).
Stichting: organisatie met een bestuur en doel (school).
Management
Doelstellen bepalen:
I. Strategische doelstellingen: lange termijn doelstellingen (5-10 jaar), wordt gedaan
door het hogere management (topmanagement).
II. Tactische doelstellingen: invulling en uitwerking van de strategische doelstellingen,
op middellange termijn (2-5 jaar).
III. Operationele doelstellingen: invulling & uitwerking van tactische doelstellingen, op
korte termijn (tot 2 jaar), wordt ingesteld door het lager management.
1
Bedrijfseconomie, Hoofdstuk 1
1.1 – Bedrijfseconomie en maatschappij
Economische wetenschap bestaat uit:
I. Algemene economie: richt zich op het geheel van relaties tussen groepen → de
overheid, producenten, consumenten, de financiële sector (banken) en andere landen
(import en export).
II. Econometrie: richt zich op de wiskundige kant van economie → formules en cijfers.
III. Bedrijfseconomie: richt zich op het gedrag van individuele ondernemingen.
De maatschappij heeft:
I. Ondernemingen: instellingen met het doel om geld te verdienen.
⤷ leveren producten tegen betaling.
II. Verenigingen & stichtingen: zoals een school of sportclub.
1.2 – Personen, ondernemers en organisaties
Organisatie = een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken:
I. Commerciële organisatie: heeft als doel winst maken door producten te maken en
verkopen & diensten verleent.
⤷ winkels, banken, fabrieken en accountantskantoren.
II. Niet-commerciële organisatie: streeft niet naar winst, maar heeft een ander doel.
⤷ school, sportclub.
Rechtsvorm
Een rechtsvorm is de juridische vorm van een organisatie → geeft aan wie de leiding heeft en
wie verantwoordelijk is voor schulden.
Bij commerciële organisaties heb je de volgende rechtsvormen:
Eenmanszaak: 1 eigenaar is heeft de leiding en is volledig verantwoordelijk.
Vennootschap onder firma: 2 of meer eigenaren die samenwerken onder een
gemeenschappelijke naam, elke eigenaar kan apart verantwoordelijk zijn.
Besloten vennootschap (bv) en naamloze vennootschap (nv): rechtspersonen, dus
zelfstandig rechten en plichten, en vaak alleen aansprakelijk voor het bedrag dat ze in
de bv/nv hebben ingebracht.
Bij een niet-commerciële organisatie heb je:
Vereniging: organisatie met leden, een bestuur en een doel (sportvereniging).
Stichting: organisatie met een bestuur en doel (school).
Management
Doelstellen bepalen:
I. Strategische doelstellingen: lange termijn doelstellingen (5-10 jaar), wordt gedaan
door het hogere management (topmanagement).
II. Tactische doelstellingen: invulling en uitwerking van de strategische doelstellingen,
op middellange termijn (2-5 jaar).
III. Operationele doelstellingen: invulling & uitwerking van tactische doelstellingen, op
korte termijn (tot 2 jaar), wordt ingesteld door het lager management.
1