,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1.................................................................................................................................. 2
1.1 Scheepvaartreglement Westerschelde ........................................................................................2
1.2 SRW Voorrangsregels .................................................................................................................3
1.3 SRW Verlichting en Dagtekens .....................................................................................................6
Hoofdstuk 2.................................................................................................................................. 8
2.1 Kaarten en Symbolen ..................................................................................................................8
Hoofdstuk 3................................................................................................................................. 10
3.1 Coördinaten en koersen ............................................................................................................ 10
3.2 Koersformule ........................................................................................................................... 16
3.3 Constructies en peilingen ......................................................................................................... 24
3.3.1 Constructies ..................................................................................................................... 24
3.3.2 Peilingen ........................................................................................................................... 33
Hoofdstuk 4................................................................................................................................. 40
4.1 Getijden ................................................................................................................................... 40
4.2 Meteorologie ............................................................................................................................ 48
4.2.1. Klein vaarbewijs I .............................................................................................................. 48
4.2.2. Bewolking ........................................................................................................................ 50
4.2.3. Frontvlakken .................................................................................................................... 52
4.2.4. Luchtsoorten ................................................................................................................... 53
Hoofdstuk 5................................................................................................................................. 54
5.1 Maritiem Betonningssysteem .................................................................................................... 54
5.1.1 Betonning ......................................................................................................................... 54
5.1.2 Belichting ......................................................................................................................... 55
1
,Hoofdstuk 1
1.1 Scheepvaartreglement Westerschelde
Klein vaarbewijs I focuste zich vooral op de scheepvaartreglementen voor de
binnenwateren. Bij Klein vaarbewijs II ligt de focus op ruim water en water langs de kust.
Als je op ruim water of langs de kust vaart kan je te maken krijgen met:
- Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR),
- Het Scheepvaartreglement Eemsmonding (SRE),
- De Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee (BVA), of
- Het Scheepvaartreglement Westerschelde (SRW).
Verder is het van belang dat je weet waar het Rijnvaartpolitiereglement (RPR), het
Scheepvaartpolitiereglement Kanaal Gent Terneuzen (SRKGT) en het
Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas (SRGM) van toepassing zijn.
Als je in het gebied van de SRW vaart is het verplicht om een recent exemplaar van het
SRW-reglement en een bijgewerkte zeekaart van het SRW-gebied aan boord hebt.
Bij het SRW is ook bepaald dat er sprake is van een groot schip als het schip groter is dan
20 meter lang. Er zijn echter drie uitzonderingen op deze regel. De volgende kleine
schepen worden bij het SRW aangemerkt als groot schip:
- Een sleepboot,
- Een duwboot, en
- Een vissersschip.
Een baggerschip wordt in het SRW aangemerkt als beperkt manoeuvreerbaar schip. Het
schip is dan dus niet in staat om op tijd uit te wijken.
Volgens het SRW is het vaarwater het gedeelte waar je vrij kunt varen en de vaargeul is
het water waar de betonning of boeien ligt/liggen.
Het is verboden om watersport uit te oefenen in de vaargeul. Dit is ook verboden in:
- Gebieden aangewezen door de rijkshavenmeester,
- Nabij de ingang van havens,
- In de route van veerponten, en
- Bij anker- en aanmeerplaatsen.
2
, Ook dien je volgens het SRW altijd de bevelen van de kapitein of schipper op te volgen
m.b.t. het naleven van de reglementen.
Als schepen ‘in het zich zijn van elkaar’ betekent dat dat de schepen elkaar met het blote
oog kunnen zien.
Volgens het SRW moeten zowel grote schepen als kleine schepen (die uitgerust zijn met
een radar) een marifoon aan boord hebben.
Daarnaast is een klein schip op de Westerschelde altijd verplicht om een radarreflector
te voeren, ook bij mooi weer. Deze regel geldt alleen niet voor een zeilplank.
Een bovenmaats zeeschip is volgens het SRW een schip dat door zijn grote diepgang of
lengte slechts een beperkt deel van de vaarweg kan gebruiken, en dus beperkt
manoeuvreerbaar zijn (meestal langer dan 210 meter of een diepgang van 10 meter of
meer).
Bovenstaand bord geeft aan dat er een kabel op die plek ligt. Je mag niet ankeren of iets
over de grond slepen binnen 200 meter van dit bord.
1.2 SRW Voorrangsregels
Een klein schip dat gestrekte koers stuurboordzijde vaart heeft altijd voorrang op een
ander klein schip.
Kleine schepen moeten altijd voorrang verlenen aan grote schepen, ook als het kleine
schip gestrekte koers stuurboordzijde vaart. Daarbij geldt ook dat grote motorschepen
voorrang hebben op grote zeilschepen.
Uitzondering: Bij een engte geldt de vraag; is er stroming? Zo ja, dan heeft het schip dat
met de stroming meevaart voorrang, ongeacht of dit een groot of klein schip is.
3