Samenvatting Biologie
Hoofdstuk 7 en 8
Hoofdstuk 7 Paragraaf 1
Je skelet bestaat uit meer dan 200 beenderen. {beenderen is een ander woord voor
botten}
Het lichaam van de mens bestaat uit het: het hoofd, de romp en de ledematen
{ledematen = armen en benen}
De mens heeft een inwendig skelet.
Je skelet geeft stevigheid en vorm aan je lichaam. ook zorgt het voor bescherming
van tere organen.
Het skelet heeft 2 typen beenderen: pijpbeenderen en platte beenderen.
Pijpbeenderen zijn langwerpige en komen vooral voor in de ledematen. In de
koppen van de pijpbeenderen zitten veel kleine holten in het beenweefsel, in
deze holten zit rood beenmerg. In het rode beenmerg worden bloedcellen
gevormd. Bij een pijpbeen zit tussen de koppen de mergholte. In de mergholte
zit geel beenmerg. In het gele beenmerg is vet opgeslagen.
Platte beenderen komen vooral voor in de schedel en in de romp. In platte
beenderen zit wel roodbenmerg maar geen mergholte en geen geel
beenmerg.
Hoofdstuk 7 paragraaf 2
Tussencelstof word gemaakt door cellen.
Bij kraakbeenweefstel liggen de cellen in groepjes bij elkaar in de tussencelstof.
De tussencelstof is zo samengesteld dat het kraakbeen stevig is maar toch ook
buigzaam.
Bij beenweefsel liggen de cellen in kringen rondom fijne kanaaltjes. Door die
kanaaltjes lopen bloedvaten. De tussencelstof van been is harder dan de
tussencelstof van kraakbeen. De tussencelstof van been bestaat voor een groot deel
uit kalkzouten en lijmstof. Kalkzouten geven stevigheid en lijmstof zorgt ervoor dat het
beenweefsel een beetje buigzaam blijft.
Hoofdstuk 7 paragraaf 3
Beenderen zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden de 4 verschillende
beenverbindingen zijn:
Vergroeid {vormt samen het heiligbeen]
Door een naad {schedelbeenderen}
Door kraakbeen {wervels}
Door gewrichten {vingerkootjes}
Bij veel gewrichten zitten stevige kapselbanden om het gewricht heen. Deze
kapselbanden helpen mee de botten op hun plaats te houden.
Er zijn 3 typen gewrichten: kogelgewrichten, scharniergewrichten en rolgewrichten.
Bij een kogelgewricht draait de gewrichtskogel van het ene bot in de gewrichtskom
van de andere.
Bij een rolgewricht draait het ene bot in de lengteas om het andere bot.
Bij een scharniergewricht beweegt het ene bot als een scharnier ten opzichte van het
andere bot.
Hoofdstuk 7 paragraaf 4
Hoofdstuk 7 en 8
Hoofdstuk 7 Paragraaf 1
Je skelet bestaat uit meer dan 200 beenderen. {beenderen is een ander woord voor
botten}
Het lichaam van de mens bestaat uit het: het hoofd, de romp en de ledematen
{ledematen = armen en benen}
De mens heeft een inwendig skelet.
Je skelet geeft stevigheid en vorm aan je lichaam. ook zorgt het voor bescherming
van tere organen.
Het skelet heeft 2 typen beenderen: pijpbeenderen en platte beenderen.
Pijpbeenderen zijn langwerpige en komen vooral voor in de ledematen. In de
koppen van de pijpbeenderen zitten veel kleine holten in het beenweefsel, in
deze holten zit rood beenmerg. In het rode beenmerg worden bloedcellen
gevormd. Bij een pijpbeen zit tussen de koppen de mergholte. In de mergholte
zit geel beenmerg. In het gele beenmerg is vet opgeslagen.
Platte beenderen komen vooral voor in de schedel en in de romp. In platte
beenderen zit wel roodbenmerg maar geen mergholte en geen geel
beenmerg.
Hoofdstuk 7 paragraaf 2
Tussencelstof word gemaakt door cellen.
Bij kraakbeenweefstel liggen de cellen in groepjes bij elkaar in de tussencelstof.
De tussencelstof is zo samengesteld dat het kraakbeen stevig is maar toch ook
buigzaam.
Bij beenweefsel liggen de cellen in kringen rondom fijne kanaaltjes. Door die
kanaaltjes lopen bloedvaten. De tussencelstof van been is harder dan de
tussencelstof van kraakbeen. De tussencelstof van been bestaat voor een groot deel
uit kalkzouten en lijmstof. Kalkzouten geven stevigheid en lijmstof zorgt ervoor dat het
beenweefsel een beetje buigzaam blijft.
Hoofdstuk 7 paragraaf 3
Beenderen zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden de 4 verschillende
beenverbindingen zijn:
Vergroeid {vormt samen het heiligbeen]
Door een naad {schedelbeenderen}
Door kraakbeen {wervels}
Door gewrichten {vingerkootjes}
Bij veel gewrichten zitten stevige kapselbanden om het gewricht heen. Deze
kapselbanden helpen mee de botten op hun plaats te houden.
Er zijn 3 typen gewrichten: kogelgewrichten, scharniergewrichten en rolgewrichten.
Bij een kogelgewricht draait de gewrichtskogel van het ene bot in de gewrichtskom
van de andere.
Bij een rolgewricht draait het ene bot in de lengteas om het andere bot.
Bij een scharniergewricht beweegt het ene bot als een scharnier ten opzichte van het
andere bot.
Hoofdstuk 7 paragraaf 4