DRUPPELSNELHEID INFUUS
Dit geldt voor infuus en sondevoeding. Een vloeistof moet naar binnen en dan
niet via een doorlopende stroom als de kraan, maar met een druppel tegelijk.
Dat kan langzaam (weinig druppels per minuut) of sneller (meer druppels per
minuut).
Het tempo wordt voorgeschreven, want als het bijvoorbeeld te langzaam zou
gaan werkt de narcose niet of niet diep genoeg; als een infuus te snel loopt kan
de patiënt bijvoorbeeld misselijk worden. Vandaar dat dit voorgeschreven
wordt.
We berekenen de druppelsnelheid altijd per minuut omdat je dat kunt tellen
(een uur tellen duurt natuurlijk te lang…) Om de druppelsnelheid per minuut te
berekenen moeten we een aantal dingen weten:
Voorgeschreven wordt: 1. Hoeveel ml moet de patient./bewoner hebben?
2. In welke tijd?
3. Onthouden: 1 ml = 20 druppels
Voorbeeld: Bereken de druppelsnelheid als de bewoner 500 ml fysiologische
zoutoplossing toegediend moet krijgen in 4 uur.
1. Hoeveel ml moet de bewoner krijgen? 500 Iedere ml = 20 druppels, dus 500
x 20 druppels = 10.000 dr.
2. In hoeveel tijd? 4 uur. Dat is dus 4 x 60 minuten = 240 min. Er moeten dus
10.000 druppels naar binnen in 240 minuten, dus 10.000 = 41 a 42 druppels per
minuut. 240 Druppels rond je af, want halve druppels bestaan voor ons niet
Dit geldt voor infuus en sondevoeding. Een vloeistof moet naar binnen en dan
niet via een doorlopende stroom als de kraan, maar met een druppel tegelijk.
Dat kan langzaam (weinig druppels per minuut) of sneller (meer druppels per
minuut).
Het tempo wordt voorgeschreven, want als het bijvoorbeeld te langzaam zou
gaan werkt de narcose niet of niet diep genoeg; als een infuus te snel loopt kan
de patiënt bijvoorbeeld misselijk worden. Vandaar dat dit voorgeschreven
wordt.
We berekenen de druppelsnelheid altijd per minuut omdat je dat kunt tellen
(een uur tellen duurt natuurlijk te lang…) Om de druppelsnelheid per minuut te
berekenen moeten we een aantal dingen weten:
Voorgeschreven wordt: 1. Hoeveel ml moet de patient./bewoner hebben?
2. In welke tijd?
3. Onthouden: 1 ml = 20 druppels
Voorbeeld: Bereken de druppelsnelheid als de bewoner 500 ml fysiologische
zoutoplossing toegediend moet krijgen in 4 uur.
1. Hoeveel ml moet de bewoner krijgen? 500 Iedere ml = 20 druppels, dus 500
x 20 druppels = 10.000 dr.
2. In hoeveel tijd? 4 uur. Dat is dus 4 x 60 minuten = 240 min. Er moeten dus
10.000 druppels naar binnen in 240 minuten, dus 10.000 = 41 a 42 druppels per
minuut. 240 Druppels rond je af, want halve druppels bestaan voor ons niet