hersenbeschadiging
Inhoud
Table of Contents
Neuropsychologie: Over de gevolgen van hersenbeschadiging...................1
Hoofdstuk 1 Oorzaken van hersenbeschadiging.......................................4
Par 1.1 Definitie en afgrenzing..............................................................4
Par 1.2 Cerebrovasculaire accidenten (beroerte)...................................4
H3:..........................................................................................................10
Par. 3.1 CVA: meer dan een parese......................................................10
Par. 3.2 Motoriek en tonus...................................................................11
3.3 Sensibiliteit....................................................................................12
3.4 Gezichtsveld..................................................................................14
3.5 Bewustzijn......................................................................................14
3.6 Neuropsychologische (cognitieve) functies...................................15
3.7 Stemming, gedrag en persoonlijkheid...........................................16
3.8 Cerebellumstoornissen..................................................................16
3.9 Subjectieve klachten......................................................................17
Hoofdstuk 6: Rechter-hemisfeersymptomen...........................................17
6.1 inleiding:........................................................................................17
6.2 Primair neurologische symptomen:...............................................18
6.3 Neuropsychologische symptomen.................................................19
6.4 Gedragsstijl....................................................................................20
H7: Afasieën/taalstoornissen...................................................................22
7.1 De bouwstenen van taal................................................................22
7.2 Het opmerkelijke van taal..............................................................22
7.3 Spraak VS taal...............................................................................22
7.4 Taal en hersenen............................................................................23
7.5 Definitie en indeling van afasieën.................................................23
7.6 Cognitief taalschema volgens Ellis en Young.................................24
7.7 Stoornissen van lezen en schrijven (alexie/dyslexie,
agrafie/dysgrafie)................................................................................25
1
, 7.8 Herstel na afasie?..........................................................................26
7.9 Rekenstoornissen Acalculie/dyscalculie.........................................26
H8: Neglect en aanverwante stoornissen...............................................27
8.1 Arousal, aandacht en aandachtsstoornissen.................................27
8.2 Definiëring, afgrenzing en voorkomen van neglect..........................29
8.3 Voorbeeld neglect.............................................................................29
8.4 vormen van neglect..........................................................................29
8.5 Verschillen tussen hemi-anopsie en neglect..................................31
8.6 Verklaringshypothesen..................................................................32
8.7 Het vaststellen van neglect...........................................................32
8.8 Herstel en uitgangspunten voor de therapie.................................33
H9: Apraxieën.........................................................................................34
9.1 De complexiteit van alledaagse motoriek......................................34
9.2 Soorten handelingen......................................................................35
9.3 Neutrale sturing van motoriek.......................................................37
9.5 Praktijkvoorbeeld...........................................................................39
9.6 Indeling van apraxieën..................................................................40
9.7 Andere handelingsstoornissen.......................................................41
9.8 Onderzoek naar apraxieën............................................................42
9.9 Therapie en training......................................................................42
H10: Agnosieën.......................................................................................42
10.1 Van stimulus naar perceptie........................................................42
10.2 Indeling van agnosieën................................................................43
10.3 Visuele agnosie............................................................................44
10.4 Akoestische agnosie....................................................................44
10.5 Tactiele agnosie...........................................................................44
10.6 Complexe (supramodale vormen van agnosie)...........................45
10.7 Therapie en training....................................................................45
H11: Stoornisgerichte therapie/training..................................................46
11.1 Overwegingen vooraf..................................................................46
11.2 Motoriek: hemiparese en spasticiteit..............................................46
11.3 Sensibiliteit: hemianesthesie, hemianalgesie en stoornissen
kinethesie...............................................................................................48
11.4 Gezichtsvelden: Hemianopsieën..................................................50
11.5 Handelen: de apraxieën...............................................................51
2
, 11.5.4 Conceptuele/ideatorische apraxie............................................52
11.6 Herkennen: de agnosieën............................................................53
11.7 Taal: de afasieën..........................................................................54
11.8 Aandacht en aandachtsstoornissen.............................................55
11.9 Neglect........................................................................................56
11.10 Geheugen en geheugenstoornissen..........................................58
11.12 Stoornissen van executieve functies.........................................59
11.13 Vermoeibaarheid........................................................................60
11.12 Zintuigelijke overgevoeligheid...................................................60
H12 Veranderingen van stemmen, gedrag en persoonlijkheid...............61
12.1 Emotie en expressie....................................................................61
12.2 Indeling van gedragsveranderingen............................................61
12.3 Algemene kenmerken van gedragsverandering..........................61
12.4 De meest voorkomende gedragsveranderingen..........................61
12.5 De 4 determinanten van gedragsverandering voor
hersenbeschadiging.............................................................................62
12.6 De gedragscirkel..........................................................................63
12.7 Gedragsanalyse in de praktijk.....................................................63
12.8 Noso-agnosie...............................................................................64
3
,Hoofdstuk 1 Oorzaken van hersenbeschadiging
Par 1.1 Definitie en afgrenzing
Bij mensen ouder dan 45 jaar neemt de frequentie van cerebrovasculaire
accidenten (CVA = Beroerte) toe.
Een van de belangrijkste oorzaken van sterfte & handicaps.
Als hersenbeschadiging niet tot dood leidt, moet patiënt verder leven met
stoornissen (verlammingen, afasie, geheugenstoornissen etc.) Een deel
herstelt goed, ander deel leeft verder met handicap.
Bij neurologische ziekten & hersenbeschadiging wordt er in de hersenen
regorganisatie (= zoeken van nieuwe manieren/wegen in de hersenen om
iets te doen) gedaan waardoor stoornissen geheel of gedeeltelijk kunnen
worden gecompenseerd. Therapie en training zijn gericht op het bereiken
van een hoger niveau van functioneren.
Onderzoek naar herstelmogelijkheden en trainingsstrategieën is
belangrijk. Tegenwoordig wordt een patiënt vaak eerder naar huis
ontslagen (vanuit ziekenhuis of revalidatie).
Gevolg: stoornissen & problemen onvoldoende bekend zijn en
opduiken wanneer patiënt leven oppakt. (gezin, werk, hobby.) Bijv.
ruimtelijke of aandachtsstoornissen.
Par 1.2
Cerebrovasculaire accidenten (beroerte)
CVA = ‘ongeluk’ met hersenvaten.
Figuur 1 Verloop van ziektes
4
,CVA worden ingedeeld in pathologisch-anatomische oorzaak (‘aard’ van de
laesie = letsel) of klinische verloop.
Bloeding (20 à 30%)
Vernauwing (stenose)
Afsluiting (70 à 80%)
Pathologisch – anatomische indeling:
1. Bloedingen (haemorrhagia)
Intracerebrale bloedingen -> Bloedingen in hersenen. Vele
bloedingen zijn dodelijk, door de hoge arteriële (=
slagaderlijke) bloeddruk & ruimtegebrek in schedel kan snel
veel hersenweefsel verwoest worden. Wanneer bloeding
ontstaat vormt snel een hematoom. (= lokaal stolsel).
Extracerebrale bloedingen -> Binnen in het schedel.
o Arachnoïdale bloeding, 30% dodelijk. Ontstaat meestal
doordat een aneurysma (= verwijding vaatwand) van de
grote hersenen knapt. Deze is vaak al bij geboorte
aanwezig en groeit tot hij knapt. Bloed verspreid over
gehele arachnoïdale ruimte.
o Subdurale & epidurale bloedingen/hematomen, meestal
gevolg van schedeltrauma. In stolsel worden bloedcellen
afgebroken, vrijkomende moleculen veroorzaken osmose
(= wateraantrekking) waardoor hematoom (= het
stolsel) zwelt en druk geeft op hersenweefsel.
1. Afsluiting en stenose
Een stenose (= vaatvernauwing) kan leiden tot ischemie (= tekort
aan bloedvoorziening). Vaatafsluiting -> herseninfarct.
Belangrijkste oorzaken:
Trombosis cerebri = Ontstaat door atherosclerose
(= slagaderverkalking) in bloedvaten.
Embiolia cerebri = Stuk trombus (= bloedstolsel) schiet los en
sluit verder stroomafwaarts een bloedvat af. kan uit hart of
grote arterie komen.
Andere oorzaken zijn migraine, vaatziekten of druk van
buitenaf (tumor of hematoom).
Bloedingen komen in vergelijking met afsluitingen minder voor, maar zijn
vaker dodelijker. Daarom hebben de meeste levende CVA patiënten een
herseninfarct gehad.
Onderscheid vormen CVA:
5
, De anamnese = Omstandigheden waaronder het CVA optrad, bijv.
leeftijd of andere ziekten. Wakker worden met parese -> infarct,
ontstaan CVA tijdens inspanning -> bloeding.
Klinische beeld = aantal symptomen zijn kenmerkend voor uitval van
een bepaald gebied, bijv. hoofdpijn en later in coma.
Technisch onderzoek = CT-scan, MRI
Vaak kan er geen uitspraak van oorzaak gedaan worden, wat verder niet
uitmaakt voor herstel, hiervoor is de grootte (hoeveelheid hersenweefsel
dat uitgevallen is) en plaats (aard van symptomen) van CVA belangrijk.
Indeling naar klinisch verloop:
1 – Voorbijgaande neurologische uitval (a & b)
Er ontstaat neurologische stoornis, die overtijd weer verdwijnt. Een
hersengebiedje wordt tijdelijk niet/minder doorbloed. Er is wel
(vrijwel) volledig herstel. Als patiënt binnen 24 uur hersteld is -> TIA
(= transient ischemic attack).
2- Blijvende neurologische uitval (d)
Na ontstaan neurologische stoornis stabiliseert de klinische toestand
-> geleidelijk & gedeeltelijk herstel. Mate van herstel verschilt door
niet-medische factoren. (inzet partner, motivatie, intensiteit van
therapie.)
3- Fatale beroerte (progressive stroke) (c)
Neurologische symptomen nemen progressief toe totdat patiënt
overlijdt. Vaak na bloedingen of grote infarcten.
A & B = voorbijgaande
uitval
C = Fataal verloop
Par.
D =1.2.2 Epidemiologie
Gedeeltelijk
Van een beroerte bedraagt de
incidentie (= aantal nieuwe gevallen
per jaar) in NL 2 à 3 duizend, rond
6