Samenvatting Hersenen en gedrag H2 tm 15 (mij)
H2 Wat is de functionele anatomie (=vakgebied) van het zenuwstelsel?
2.1 Overview of Brain Function and Structure
Agenesis: Het falen van gedeelten uit het brein te ontwikkelen.
Ataxia: Spiercoördinatie en balans faalt dan.
Agnesis bij de kleine hersenen resulteert vaak in autisme.
Het zenuwstelsel, zintuigelijke organen verzamelen informatie over de wereld en zetten die om in
biologische activiteit dat percepties bouwt.
Onze mentale beelden van de realiteit is gebaseerd op de sensorische informatie die we ontvangen en
de cognitieve processen die we mogelijk gebruiken om de inkomende informatie met elkaar te laten
interacteren.
Het verschil in de subjectieve ervaring komt door verschillende ontwikkelde systemen voor het
verwerken van sensorische
stimuli.
Fylogenetische ontwikkeling van
structuur (= ontwikkeling van
hogere diersoorten uit lagere)
Belangrijkste functies van de
hersenen (erg algemeen):
1. Perceptie (waarneming)
(input)
2. Integratie van informatie
(creëer perceptuele
wereld) (centrale
verwerking)
3. Actie (gedrag) (output)
Bulbus olfactorius: Reukvermogen. Bij katten groter, ruiken beter.
Zonder stimuli kunnen de hersenen het lichaam niet goed aansturen en het juiste gedrag produceren.
Structuur en functie van de hersenen. Zijn gekoppeld.Ook al hebben we het over structuur,dit
betekent niet dat de hersenen een statisch orgaan zijn.
Of dat je geboren wordt met een stel hersens en daar moet je het dan maar mee doen voor de rest
van je leven.
Iedereen heeft zelfde opbouw van de hersenen, maar bij de een kan iets meer ontwikkeld zijn.
Adaptaties: geëvolueerde anatomische (=mbt tot lichaamsbouw)/functionele kenmerken die
langdurige historische problemen hebben opgelost.
(Neurale) Flexibiliteit – Neurale plasticiteit (= kneedbaarheid, hersenen kunnen we kneden)
Voorbeeld: neurale basis van leren
Het brein is ook plastisch in de zin dat connecties onder neuronen in een gegeven functioneel systeem
constant aan het veranderen zijn als reactie op ervaring.
Neuroplasticiteit: Het potentieel van het zenuwstelsel om zichzelf fysiek of chemisch te wijzigen als
reactie op veranderingen in de omgeving en om leeftijdgerelateerde veranderingen en letsel te
compenseren.
1
, Gemaakt door: Indy Jacobs (eerste jaar Bachelor Psychologie)
Fenotypische plasticiteit: Het vermogen van een individu om zich te ontwikkelen tot een reeks
fenotypes (=Kenmerken die we kunnen zien of meten).
Fenotype: Alle waarneembare fysieke eigenschappen/kenmerken die door de genetische opmaak zijn
bepaald (ook gedrag).
Genotype: Kenmerken van een organisme zoals die genetisch zijn vastgelegd.
Genotype codeert voor fenotype.
Verschil: Fenotype waarneembaar gedrag of uiterlijk of kenmerken en genotype is je biologische
opmaak (oorzaak van het ontstaan).
Bv 2 muizen, een gele en een bruine. Genetisch zijn ze identiek maar drukke verschillende fenotypen
uit, omdat hun moeders verschillend eten kregen tijdens zwangerschap.
Het zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel (het midden) Perifere zenuwstelsel (aan de buitenkant,
Bemiddelt gedrag armen en benen)
Hersenen en Ruggenmerg Zenuwen verbonden met spieren en organen
Sensorische neuronen Motorische neuronen
Aanvoerend: Afferent sensorisch Afvoerend: Efferent motorisch
systeem systeem
Brengt info over van de sensorische Brengt info over van het CSZ naar de
receptoren naar het CZS spieren en de klieren
Somatisch zenuwstelsel Autonoom zenuwstelsel
Brengt info over van het CSZ Brengt info over van het CZS naar de
naar de skeletspieren, activeert gladde spieren (darm), hartspier, klieren,
ze urinoir, pupilreactie en
middenrifbewegingen die je longen
opblazen en leeg laten lopen. Activeert ze.
Parasympathisch Sympathisch
Bewaart energie, Verbruikt energie,
remt af, kalmeert. stimuleert. Fight or flight
Rest-and-digest reactie.
reactie
Somatische Zenuwstelsel: Deel van het PZS dat de schedel- en rugzenuwen omvat en van de
spieren, gewrichten, en huid, die beweging produceren, draagt sensorische input over, en informeert
het CZS over de positie en beweging van lichaamsdelen.
Autonome Zenuwstelsel: Deel van het PZS die de functies van interne organen en klieren reguleert.
Auto -> zelf, zelfrijdend. Autonome zelf werken zelfstandig, hier heb je geen cotrole over, hebben we
vaak geen bewuste toegang toe hebben we vaak geen bewuste toegang toe.
Afferent: naar een structuur toe (“input”)
Vb arm ergens naartoe, speelt af in ruggenmerg.
Efferent: van een structuur weg (“output”)
Vb trek je arm terug, naar ruggenmerg toe
2
, Gemaakt door: Indy Jacobs (eerste jaar Bachelor Psychologie)
Eerst input, dan output
Eerst afferent, dan efferent
Eerst a dan e (alfabetisch)
Input naar de hersenen toe= afferent. Voet weg trekken= efferent, van de hersenen via de
ruggenmerg naar de spieren. Als je op een punaise gaat staan, worden de afferente sensorische
signalen vanuit het lichaam naar de hersenen gestuurd, wat aanvoelt als pijn. Efferente signalen vanuit
de hersenen triggeren een motorieke reactie: je tilt je voet op.
Neuroanatomie Terminologie:
• Anterior= voor, voorwaarts.
o Voorkant van hoofd/dier
• Posterior (post achter)= achter, achterwaarts
o Bij een mens achterkant van hoofd
• Lateraal: zijwaarts, aan de zijkant
• Mediaal= naar het midden toe
o Hersenen, het zijaazicht van de centrale structuren
• Superior: boven/op (dorsaal)
• Inferior: onder (ventraal)
• Dorsaal= Rugwaarts/opwaarts/bovenkant/kant van de rug
o Op of in de richting van de rug van een dier met 4
benen=posterieur bij menselijk lichaam
o Bovenkant hersenen, of van boven gezien (D hoger in alfabet)
o Ook wel superieur
• Ventraal= buikwaarts/neerwaarts.
o Op of in de richting van de buik van een dier met vier benen (inferior)
o Bij een mens: onderkant van hersenen (V lager in alfabet), beneden
• Rostraal: bek, snuitwaarts (anterior) Dorsaal rug: achterkant
• Caudaal/posterieur: staartwaarts (posterior) Ventraal: maag/buik
• Hersenen-lichaam oriëntatie illustreert hersenstructuur locatie van het referentiekader van het
menselijk gezicht.
• Spatiale (ruimtelijke) oriëntatie illustreert hersenstructuur locatie in relatie tot andere
lichaamsdelen en lichaamsoriëntatie.
• Anatomische oriëntatie illustreert de richting van een snede, of sectie, door de hersenen vanuit
het perspectief van een kijker
3
, Gemaakt door: Indy Jacobs (eerste jaar Bachelor Psychologie)
Het zenuwstelsel is bi lateraal symmetrisch (werderzijds bindend): Heeft een linker- en een rechter
kant.
• Ipsi lateraal: Structuren die zich in dezelfde kant van de hersenen bevinden
• Contra lateraal: Structuren die aan de tegenovergestelde kanten liggen
• Bilateraal: Structuren bevinden zich in beide kanten
• Proximaal: Structuren die in elk hemisfeer
voorkomen
• Distaal: Structuren die ver van een andere
liggen
Anatomische oriëntatie:
Illustreert de richting van een snede, of
doorsnede, door het menselijk brein (deel A) van
het perspectief van een kijker (deel B).
• Coronaal= verticaal knippen vanaf de
kruin van het hoofd naar beneden
(corona=kroon)
• Horizontaal: bovenkant eraf halen, kun je
van boven naar het midden van het brein
kijken.
• Sagittaal= in de lengte gesneden van de
voorkant tot de achterkant van de schedel.
Precies in het midden -> mediaal aanzicht.
Split het brein in symmetrische helften
(sagitaal=pijl). Mediaal midden,
linkerhersenhelft eraf. Je kijkt mediaal
van links tegen de rechterhemisfeer.
Ventrikels -> hersenkamers, zijn gevuld met vocht -> Zwarte vlekken
Grijze stof: cellen
Witte stof: vezels
De eigenschappen van het oppervlakte van de hersenen
De hersenen zijn kwetsbaar, dus ze zijn goed verpakt: Voordat
je het brein, kom je na het schedel terecht bij de meninges
(hersenvliezen)= 3 lagen beschermend weefsel die de hersenen
en de ruggengraat omhullen:
1. Dura mater -> Harde moeder
2. Arachnoid layer -> Spinnenwebvlies
3. Pia mater -> Zachte moeder
Je kijkt naar anteriore zijde van het hoofd maar ook superior
(bovenaf).
Bij de naamgeving van zenuwbanen wordt vaak het van-naar principe gebruikt. De tractus
corticospinalis loopt bv in het CZS (vandaar tractus), en wel van cortex naar ruggenmerg (medulla
spinalis).
De relatie tussen zenuwbanen, zenuwvezels en axonen:
De axonen van zenuwen, die de actiepotentialen van het cellichaam naar de eindknoppen geleiden,
noemt men ook wel zenuwvezels. Axonen en zenuwvezels zijn dus hetzelfde. Een heleboel zenuwvezels
bij elkaar noemt men een zenuwbaan. Ligt zo'n zenuwbaan binnen het CZS (oude indeling, dus
hersenen en ruggenmerg), dan spreekt men van een tractus (ook wel: funiculus, lemniscus).
Ligt een zenuwbaan buiten het CZS, dus in het perifere zenuwstelsel, dan spreekt men van een nervus.
4