Strafrecht
Strafrecht = publiekrecht
- Verticale werking: overheid - burger
- Officier van Justitie heeft vervolgingsmonopolie ex art. 9 lid 1 Sv
- Het materiële strafrecht/het inhoudelijke strafrecht → daarin wordt geregeld welk
gedrag onder welke voorwaarden strafbaar is (WvSr)
- Het formele strafrecht/het strafprocesrecht → daarin wordt geregeld op welke manier
iemand in een strafzaak wordt berecht en welke opsporingsmethoden er zijn (WvSv)
- Sanctierecht → daarin wordt geregeld welke sancties kunnen worden opgelegd. De
maximale sanctie staat meestal in een materiële bepaling geregeld.
Doelen van het strafrecht
1. Vergelding (= leedtoevoeging): men heeft een maatschappelijke norm geschonden
en moet daarvoor gestraft worden
2. Preventie (= voorkomen normschending):
a. Generale preventie → schrikt andere mensen af → signaal op samenleving
i. Eerwraak
ii. Lastig vallen hulpverleners
b. Speciale preventie → voorkomen dat dader zelf in herhaling treedt → recidive
Bronnen van het strafrecht
1. Bronnen van kennis → feiten van algemene bekendheid behoeven geen bewijs
→ Jij hoeft niet te bewijzen dat als jij iemand steekt met een mes dit letsel toebrengt
→ Jij hoeft niet te bewijzen dat Groningen een provincie in Nederland is
2. Klassieke bronnen
- Wetten (WvSr + bijzondere wetten → bijv. Opiumwet)
- Rechtspraak
- Literatuur (wetenschappelijk onderzoek)
3. Moderne bronnen
- Beginselen van behoorlijk strafprocesrecht
- Verdragen (bijv. EVRM)
Onderverdeling
Binnen strafrecht is er een onderscheid tussen:
1. Commune strafrecht → wetboeken van strafrecht (Sr) en strafvordering (Sv)
2. Bijzondere strafrecht → bijzondere wetten, zoals Opiumwet, wegenverkeerswet 1994
→ Deze gaan voor
Soorten delicten
- Materieel versus formeel
1. Materieel delict = een delict waarbij het gevolg strafbaar is gesteld; alleen als
een bepaald gevolg door gedrag veroorzaakt wordt, is dat strafbaar
, → Voorbeeld: art. 287 Sr: iemands dood is strafbaar, ongeacht op welke
manier je het hebt gedaan. Met een stok slaan is niet strafbaar, maar dus wel
het gevolg: als iemand er aan overlijdt
2. Formeel delict = stelt bepaalde handeling strafbaar, ongeacht de gevolgen
→ Voorbeeld: art. 310 Sr: stelen is strafbaar, niet het gevolg: het maakt niet
uit of jij één croissantje of 10.000 euro steelt, het concept stelen is strafbaar
- Doleus versus culpoos
1. Doleus delict = delict met het bestanddeel ‘opzet’ erin = willens en wetens
→ Voorbeeld: art. 289 Sr: ‘hij die opzettelijk’
2. Culpoos delict = een delict met het bestanddeel ‘culpa/schuld’ erin =
verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid
→ Voorbeeld: art. 307 Sr: dood door schuld
- Commissie versus ommissie
1. Commissiedelict = het overtreden van de wet door actief te handelen/doen
→ Bijvoorbeeld: art. 310 Sr: door een handeling te doen overtreed jij de wet
2. Omissiedelict = het overtreden van de wet door iets na te laten, jij laat het na
om je plicht te doen
→ Bijvoorbeeld: art. 450 Sr: het nalaten om hulp te bieden aan iemand die in
nood is
3. Oneigenlijk omissiedelict = commissiedelict dat wordt gepleegd door iets na
te laten. Denk aan het doen van je kind door verhongeren (doodslag is een
commissiedelict, maar het ontstaat door het nalaten eten te geven) → dus
een oneigenlijk omissiedelict
- Doodslag doe je door iets actief te doen → commissiedelict
- Nalaten eten geven → je doet iets niet
→ Een badmeester die een verdrinkend kind niet redt, terwijl hij daarvoor
verantwoordelijk is (dood door schuld).
→ Brandstichting, doordat jij hebt nagelaten de brandveiligheid op orde te
houden
- Krenking versus gevaarzetting
1. Krenkingsdelict = strafrechtelijk reageren op daadwerkelijke krenking
(schending/inbreuk) rechtsgoed = 90% van alle delicten: er is al iets gebeurd,
het gevolg is al ingetreden: slachtoffer/schade
→ Mishandeling/diefstal
2. Gevaarzettingsdelict = veroorzaken gevaar wordt strafbaar gesteld
- Abstract: geen feitelijk gevaar vereist; voldoende is dat strafbaar
gestelde gedraging is uitgevoerd → art. 8 WVW: rijden onder invloed
- Concreet: gevaar heeft zich feitelijk (in concreto) voorgedaan → art.
157 Sr: brandstichting → gevaar dat gebouw afbrandt, door vuurtje
wat jij naast het gebouw maakt
→ Er is nog geen gevaar, er is nog geen ongeluk gebeurd, maar het
veroorzaken van een gevaarlijke situatie is al voldoende = gevaarzetting
- Grond versus gekwalificeerd versus geprivilegieerd
1. Gronddelict = het basisdelict → art. 287 Sr: doodslag
2. Gekwalificeerd delict = extra bestanddeel dat zorgt voor strafverzwaring →
art. 289 Sr: moord (extra bestanddeel: voorbedachte rade)
, 3. Geprivilegieerd delict = extra bestanddeel dat zorgt voor strafverlichting →
art. 290 Sr: kinderdoodslag (gaat om een moeder die bang is dat haar
bevalling ontdekt wordt)
Voorwaarden voor strafbaarheid
1. Menselijke gedraging/nalaten (commissie: doen of omissie: nalaten)
2. Die valt binnen de delictsomschrijving
3. Die wederrechtelijk is → rechtvaardigingsgronden
4. En aan schuld te wijten (verwijtbaarheid) → schulduitsluitingsgronden
= Elementen, tenzij het in de delictsomschrijving staat → bestanddeel
Bestanddelen en elementen
- Bestanddeel: wederrechtelijkheid/schuld is een bestanddeel van de
delictsomschrijving → ‘hij die opzettelijk/wederrechtelijk’. Strafuitsluitingsgrond
gehonoreerd → vrijspraak (want bestanddeel kan niet bewezen worden)
→ Uiteraard alleen vrijspraak bij:
- Wederrechtelijkheid in delictsomschrijving en een succesvol beroep op een
rechtvaardigingsgrond
- Culpa in delictsomschrijving en een succesvol beroep op zowel een
schulduitsluitingsgrond als een rechtvaardigingsgrond → bij culpa zijn nooit
het elementen
→ Willen schuld moeilijker maken om te bestraffen, want iedereen maakt wel
eens een fout
- Element: wanneer wederrechtelijkheid/culpa geen deel uitmaakt van de
delictsomschrijving en er een geldig beroep wordt gedaan op een
strafuitsluitingsgrond → ontslag van alle rechtsvervolging: OVAR
→ Bij culpa zijn wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid altijd bestanddelen
Opzet: verwijtbaarheid en wederrechtelijkheid altijd element → wordt geacht aanwezig te zijn
Culpa: verwijtbaarheid en wederrechtelijkheid bestanddeel → moet je bewijzen
→ Heeft gevolgen voor het beslissingsmodel van art. 350 Sv
Rechtvaardigingsgronden
→ Sluiten wederrechtelijkheid uit
1. Overmacht in noodtoestand → art. 40 Sr
2. Noodweer → art. 41 lid 1 Sr
3. Wettelijk voorschrift → art. 42 Sr
4. Bevoegd gegeven ambtelijk bevel → art. 43 lid 1 Sr
Schulduitsluitingsgronden
→ Sluiten verwijtbaarheid uit
1. Psychische overmacht → art. 40 Sr
2. Noodweerexces → art. 41 lid 2 Sr
3. Ontoerekeningsvatbaarheid → art. 39 Sr
4. Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel → art. 43 lid 2 Sr
, Beslissingsmodel
- Formele vragen ex art. 348 Sv
1. Dagvaarding geldig → nee: art. 349 lid 1 Sv: nietigheid dagvaarding
2. Rechter bevoegd → nee: art. 349 lid 1 Sv: onbevoegdheid rechter
3. Officier ontvankelijk → nee: art. 349 lid 1 Sv: OvJ niet-ontvankelijk
4. Reden tot schorsing → nee: door naar hoofdvragen art. 350 Sv
- Hoofdvragen ex art. 350 Sv
1. Feit bewezen = alle bestanddelen bewijzen
→ Indien rechtvaardigingsgrond wordt gehonoreerd door rechter, kan je het
bestanddeel wederrechtelijkheid niet meer bewijzen en dus vrijspraak
→ Indien schulduitsluitingsgrond wordt gehonoreerd door rechter, kan je het
bestanddeel verwijtbaarheid niet meer bewijzen en dus vrijspraak
a. Ja: door naar vraag 2
b. Nee: art. 352 lid 1 Sv: vrijspraak
2. Kwalificatie = wederrechtelijkheid:
→ Indien rechtvaardigingsgrond wordt gehonoreerd door rechter, kan je het
element wederrechtelijkheid niet meer bewijzen en dus OVAR
a. Ja: door naar vraag 3
b. Nee: art, 352 lid 2 Sv: OVAR
3. Strafbaarheid dader = verwijtbaarheid:
→ Indien schulduitsluitingsgrond wordt gehonoreerd door rechter, kan je het
element verwijtbaarheid niet meer bewijzen en dus OVAR
a. Ja: door naar vraag 4
b. Nee: art. 352 lid 2 Sv: OVAR
4. Straf/maatregel
a. Ja: art. 9/13 Sr ← voorbeeld
b. Nee: art. 9a Sr ← voorbeeld
Geslaagd beroep op Geslaagd beroep op
rechtvaardigingsgrond schulduitsluitingsgrond
Wederrechtelijkheid en Ontslag Van Alle Ontslag Van Alle
verwijtbaarheid element Rechtsvervolging → OVAR Rechtsvervolging → OVAR
(art. 350 jo. 352 lid 2 Sv) (art. 350 jo. 352 lid 2 Sv)
Wederrechtelijkheid als Vrijspraak (1e vraag art. 350 Ontslag Van Alle
bestanddeel, jo. 352 lid 1 Sv) Rechtsvervolging → OVAR
verwijtbaarheid als element (art. 350 jo. 352 lid 2 Sv)
→ Nooit andersom het geval
Culpa → beide zijn Vrijspraak (1e vraag art. 350 Vrijspraak (1e vraag art. 350
bestanddelen jo. 352 lid 1 Sv) jo. 352 lid 1 Sv)
Regels en uitzonderingen
- Bij mishandeling wordt wederrechtelijkheid ingelezen als bestanddeel (HR
Jongensbesnijdenis → niet voorgeschreven). Dus bij art. 300 Sr, ook al staat het er
niet in: toch is wederrechtelijkheid een bestanddeel.
→ Bij rechtvaardigingsgrond dus vrijspraak