Uitgangspunten verbintenissenrecht
- Pacta sunt servanda = verplicht te doen wat je hebt afgesproken
→ Je hebt een verbintenis afgesloten, en wat je hebt afgesproken moet je ook doen
- Contractsvrijheid = je mag afspreken wat en met wie je wilt (als het mag volgens wet)
- Verbintenissenrecht is aanvullend recht: partijen zijn in beginsel vrij
- Schadevergoeding = als je schade veroorzaakt, moet je die ook vergoeden
→ Schademaker is verplicht tot voldoening
Hoe ontstaan verbintenissen?
1. Art. 6:1 BW: verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit:
- Wanprestatie (art. 6:74 BW)
- Onrechtmatige daad (art. 6:162 jo. 6:163 BW)
- Onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW e.v.)
- Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW)
→ Op basis van een van deze gronden ontstaat er een verbintenis
2. Rechtshandelingen
- Wilsverklaring bij rechtshandeling
- Art. 3:33 BW: rechtshandeling vereist:
a. Op rechtsgevolg gerichte wil
b. Door verklaring geopenbaard
- Art. 3:35 BW
- Art. 6:248 lid 1 BW
- Art. 6:213 lid 1 BW: een overeenkomst in de zin van deze titel is een
meerzijdige rechtshandeling waarbij een of meer partijen jegens een of meer
andere een verbintenis aangaan.
3. Andere bron van verbintenissen
Redelijkheid en billijkheid → HR Quint/Te Poel: indien verbintenis niet rust op de wet,
kan alsnog sprake zijn van een verbintenis indien (geen bepaling opgenomen in wet):
1. Het aannemen van het bestaan van een verbintenis past in stelsel van de wet
2. En aansluit bij de wel in de wet geregelde gevallen
→ Art. 6:248 lid 2 BW noemen niet nodig want rechtsregel volgt uit arrest (mag wel)
Afdwingbaarheid van de verbintenis
Art. 3:296 lid 1 BW: tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling
anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten,
daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld.
= Nakoming → afdwingbaar
Totstandkoming van een overeenkomst: de basis
1. Art. 6:217 BW: aanbod en aanvaarding
2. Art. 3:33 BW: aanbod en aanvaarding zijn allebei een rechtshandeling
a. Wil
, b. Op rechtsgevolg gericht
c. Door verklaring geopenbaard
→ Wil en verklaring moeten per rechtshandeling overeenstemmen
3. Art. 3:37 lid 1 BW
- Hoofdregel: verklaring is in beginsel vormvrij = consensualisme
- Uitzondering: art. 7:2 BW: schriftelijk → anders nietig: art. 3:39 BW
4. Art. 3:37 lid 3 BW: rechtshandeling heeft pas werking indien deze de persoon heeft
bereikt
Wilsvertrouwensleer
- Art. 6:217 BW → uitgangspunt = in beginsel mag je er gerechtvaardigd op
vertrouwen dat wil en verklaring overeenstemmen (art. 3:33 jo. 3:35 BW)
- Art. 3:33 BW/3:34 BW
- Art. 3:33 BW → indien wil en verklaring uiteen lopen, komt er dus
geen overeenkomst tot stand
- Art. 3:34 BW → geestelijke stoornis: de wil stemt niet overeen met de
verklaring
- Art. 3:35 BW
- Wederpartij kan beroep doen op gerechtvaardigd vertrouwen (+ goede
trouw art. 3:11 BW:
1. Verklaring of gedraging van een ander
2. Opgevat als verklaring van bepaalde strekking (= subjectief)
3. Mocht in gegeven omstandigheden zo worden opgevat (=
objectief)
Gerechtvaardigd vertrouwen op tentamen:
1. Wil en verklaring komen niet overeen
2. Art. 3:35 BW → eisen behandelen
3. Altijd in verband brengen met art. 3:11 BW = je wist niet dat wil en verklaring niet
overeenstemmen
4. Vetrouwenstoets = art. 3:35 BW + 3:11 BW: je moet te goeder trouw zijn om ergens
gerechtvaardigd op te kunnen vertrouwen
Stappenplan
Stap 1: art. 3:33 BW: wil en verklaring moeten met elkaar overeenkomen
Stap 2:
- Art. 3:37 lid 1 BW: verklaringen mogen vormvrij geschieden
- Art. 3:37 lid 3 BW: verklaringen hebben pas werking wanneer deze zijn ontvangen
Stap 3: stel vast dat wil en verklaring niet met elkaar overeenkomen en dus is er in principe
geen wilsovereenstemming → en dus geen overeenkomst
Stap 4:
- Partij doet een beroep op art. 3:33 BW of art. 3:34 BW
- Wederpartij kan een beroep doen op art. 3:35 BW
Stap 5:
- Weeg de concrete feiten en omstandigheden af
- Trek een logische conclusie (luister naar je rechtsgevoel)
- Slaagt beroep op gerechtvaardigd vertrouwen → overeenkomst tot stand
, - Geen geslaagd beroep → geen wilsovereenstemming → geen overeenkomst
Precontractuele fase
= Fase voor de overeenkomst tot stand komt
Uitgangspunt: je bent pas gebonden op het moment dat je een overeenkomst hebt gesloten
- Dit betekent echter niet dat je in alle gevallen - vóór het sluiten van overeenkomst -
de onderhandelingen mag afbreken
- Partijen komen door in onderhandelingen te treden over het sluiten van een
overeenkomst tot elkaar te staan in een bijzondere door de goede trouw beheerste
rechtsverhouding die meebrengt dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door
de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij → HR Baris/Riezenkamp
→ Onderhandelingen is niet alleen maar vrijheid blijheid, je moet rekening houden met
elkaars belangen
Twee situaties:
1. In de precontractuele fase is iets mis gegaan, maar er komt wel een overeenkomst
tot stand → Baris/Riezenkamp
2. Er komt überhaupt geen overeenkomst tot stand, omdat er in de precontractuele fase
iets is fout gegaan/er wordt gestopt met de onderhandelingen
Onderhandelingen afbreken
Uitgangspunt: contractsvrijheid, maar onderhandelingen over sluiten overeenkomst worden
beheerst door de goede trouw:
- HR Plas/Valburg (1982): niet uitgesloten is dat onderhandelingen over een
overeenkomst in een zodanig stadium zijn uitgekomen dat het afbreken zelf van die
onderhandelingen onder de gegeven omstandigheid als in strijd met de goede trouw
moet worden geacht, omdat partijen over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei
contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren. In zo'n situatie kan
ook plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding van gederfde winst.
- Maar: HR CBB/JPO (2005) → HR lijkt strenge maatstaf los te laten → in plaats van
stadia nu nieuwe regel, waardoor veel minder schadevergoeding wordt toegekend
Verandering in de arresten: de contractsvrijheid staat boven op. Daardoor kom je heel lastig
aan schadevergoeding toe sinds de HR de strenge maatstaf los heeft gelaten.
Stadia → HR Plas/Valburg
1. Afbreken mag zonder meer → geen kosten aan verbonden
2. Afbreken mag niet zonder de gemaakte kosten van de wederpartij te vergoeden →
verdichtende de relatie, dichter bij de overeenkomst
Voorbeeld: Piet en Puk gaan met elkaar in onderhandelingen. Er zijn al
onderhandelingen geweest, Piet heeft ook al nagedacht over andere dingen, zoals
potloden. Deze heeft hij gekocht Puk zegt tegen Piet dat zij de scharen niet verkoopt
aan hem, maar aan Klaas. Piet heeft echter al kosten gemaakt dus moet Puk deze
vergoeden.
3. Afbreken is niet mogelijk dus recht op dooronderhandelen / recht op
schadevergoeding inclusief gederfde winst
Voorbeeld: Piet en Puk gaan met elkaar in onderhandelingen. Er zijn al
onderhandelingen geweest, Piet heeft ook al nagedacht over andere dingen, zoals
, locatie. Hij heeft al een maand huur betaald. Puk zegt tegen Piet dat zij de scharen
niet verkoopt aan hem, maar aan Klaas. Piet heeft echter al kosten gemaakt dus
moet Puk deze vergoeden.
Op een gegeven moment gingen partijen ervoor zorgen dat ze bij elkaar in stadium drie
zitten. Voorbeeld: briefje schrijven met zeggen: ‘ik kan niet wachten om een overeenkomst te
sluiten’. Naar de maatstaf van de Hoge Raad in Plas/Valburg zaten partijen hierdoor heel
snel in stadium drie. Daarom heeft de HR in CBB/JPO deze maatstaf afgezwakt:
Afzwakking maatstaf → HR CBB/JPO (geen verwijzing naar de fases) → gaat voor op
Plas/Valburg
Afbreken mag, tenzij dit onaanvaardbaar zou zijn, namelijk op grond van
totstandkomingsvertrouwen of andere omstandigheden van het geval.
Let op: daarbij dient rekening gehouden te worden met de mate waarin en de wijze waarop
de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van het vertrouwen heeft
bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij = maatstaf.
→ Nieuw arrest, met nieuw uitgangspunt, dus niet terug naar de fases van Plas/Valburg!
1. Strenge tot terughoudende maatstaf want contractsvrijheid voorop
2. Moment voor gerechtvaardigd vertrouwen: moment van afbreken van de
onderhandelingen
HR RvdW 2024/619
Plas/Valburg + CBB/JPO = RvdW
Kostenvergoeding (stadium 2) volgens de Hoge Raad:
- Is het afbreken van onderhandelingen niet naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar (CBB/JPO maatstaf) → ook in dit arrest niet aangenomen!
- Dan nog kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan de partij die de
onderhandelingen afbreekt verplicht is (een deel van) de kosten die de wederpartij
heeft gemaakt te vergoeden (Plas/Valburg stadium 2)
- Dat kan het geval zijn als de partij die de onderhandelingen afbreekt
ongerechtvaardigd is verrijkt door werkzaamheden die de wederpartij heeft verricht
(art. 6:212 BW) → r.o. 3.1.2 → grondslag verbintenis
Samenvatting rechtsregel per arrest:
Kunnen onderhandelingen in de precontractuele fase worden gestopt
1. Plas/Valburg: hoofdregel = drie stadia → het kan zijn dat je in een zodanig stadium
verkeert, dat de wederpartij erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand
zou komen. Gebeurt dit toch niet → schadevergoeding (+ gederfde winst)
2. CBB/JPO: hoofdregel = afbreken mag, tenzij dit onaanvaardbaar is (want
contractsvrijheid) → veel strenger, want bijna nooit onaanvaardbaar
3. RvdW: afbreken mag nog steeds, maar zelfs wanneer afbreken mag kan er nog
steeds ruimte zijn voor het betalen van gemaakte kosten (ongerechtvaardigde
verrijking)