Week 2
Wat is het strafrecht?
1. Doel en plaats van het strafrecht
- Het bestraffen van personen die een strafbaar feit
hebben gepleegd. Strafdoelen: vergelding
(leedtoevoeging), generale (afschrikken maatschappij)
en speciale (afschrikken dader) preventie en herstel
(situatie tussen verdachte en slachtoffer zoals
schadevergoeding).
- Verticale relatie tussen overheid en burger
- Publieke domein van het recht
2. Bronnen van het strafrecht
- Wet: materieel strafrecht en strafprocesrecht maar ook
bijzondere wetten zoals Opiumwet en auteurswet.
- Jurisprudentie
- Verdragen van Unirechtelijke regelgeving; Europese en
internationale verdragen steeds belangrijker.
3. Verhouding materieel-formeel-sanctie
- Materieel strafrecht: belangrijkste algemene leerstukken
voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Inhoud van het
strafrecht. Bijvoorbeeld welke feiten strafbaar zijn,
wanneer sprake van strafuitsluitingsgrond.
- Formeel strafrecht: procedures die moeten orden
gevolgd om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te
houden.
- Sanctierecht: voorwaarden waaronder straffen mogen
worden opgelegd en ten uitvoer worden gelegd. Groot
deel in wetboek van strafrecht. Ook wet USB, wordt door
verschillende wetten geregeld.
4. Relatie tot andere rechtsgebieden
- Vervagende grenzen tussen strafrecht, bestuursrecht en
privaatrecht
, - Europeanisering van het strafrecht: Raad van Europa;
Europees verdrag voor de rechten van de mens,
Europese unie; harmonisatie van het straf(proces)recht.
Wat is een strafbaar feit?
Onderdelen van een strafbepaling
- Delictsomschrijving: de omschrijving van het strafbare
feit waarin alle kenmerken van het delict aanwezig
dienen te zijn. “Hij die opzettelijk een ander van het
leven beroofd”
- Bestanddelen: de zinsnede die het strafbare feit
omschrijven en die nodig zijn om een veroordeling te
kunnen eisen. Het zijn de voorwaarden voor de
strafbaarheid die in de wettelijke delictsomschrijving zijn
terug te vinden. De bestanddelen moeten dan ook
bewezen worden. Bestanddelen zijn altijd opgenomen in
het delict. Alle bestanddelen moeten in de
tenlastelegging worden opgenomen.
- Kwalificatie-aanduiding: type delict. “Als schuldig aan
doodslag”. Als je de delictsomschrijving hebt gedaan,
ben je hieraan schuldig. Duidelijk wat je hebt gepleegd
en waar de verdachte van wordt verdacht en
beschuldigd.
- Strafbedreiging: wat is de straf die het strafbare feit
meebrengt. “Gestraft met een gevangenisstraf van ten
hoogste 15 jaren of geldboete van de vijfde categorie”.
- Elementen: er zijn twee elementen namelijk
verwijtbaarheid en wederrechtelijk. Bij verwijtbaarheid
gaat het om dat de dader de mogelijkheid moet hebben
gehad om zich anders te gedragen dan hij deed. Bij
wederrechtelijk gaat het om dat de gedraging in strijd
moet zijn met het recht. We gaan ervan uit dat deze
elementen aanwezig zijn tenzij er
strafuitsluitingsgronden aanwezig zijn. De elementen
zijn niet opgenomen in de delictsomschrijving. Als ze
, dat wel zijn, zijn ze een bestanddeel en geen element
meer.
Subjectieve vs objectieve bestanddelen
- Subjectief: opzet of schuld. “Hij die opzettelijk een ander
van het leven beroofd”, “hij aan wiens schuld de dood
van een ander te wijten is”. Bij misdrijven altijd
subjectief bestanddeel. Het gaat over de houding van
de dader ten opzichte van het delict.
- Objectief: intentie van de dader, innerlijk van de dader
tijdens het plegen. “Hij die opzettelijk een ander van het
leven beroofd”, ”, “hij aan wiens schuld de dood van
een ander te wijten is”. Het gaat over de gedraging zelf.
Misdrijf vs overtreding
- Misdrijven: zware normschending. Bij misdrijven altijd
subjectief bestanddeel. Te vinden in boek 2 Sr. “Hij die
opzettelijk een ander van het leven beroofd’.
- Overtreding: Lichtere normschending. Geen subjectief
bestanddeel. Te vinden in boek 3 Sr. “Hij die rumoer of
burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan
worden verstoord”
Materieel vs formeel delict
- Materieel: de gedraging staat niet centraal maar het
gevolg. “Hij die opzettelijk iemand van het leven
beroofd”. Gaat niet om de manier waarop het feit is
gepleegd. Het laten intreden van een bepaald gevolg
wordt in de delictsomschrijving strafbaar gesteld.
- Formeel: beschrijving van de gedraging, de handeling
staat centraal. De gevolgen van de handeling doen er
niet toe. “Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan
, een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
- “Het is verboden een wapen of munitie van de
categorieën ii en iii voorhanden te hebben”. Dit is een
formeel delict. Gaat om de gedraging en niet het
gevolg.
Commissie- en omissiedelicten
- Commissiedelict: hierbij is de gedraging beschreven als
een daadwerkelijke handeling, een positief doen.
- Omissiedelicten: hierbij gaat het om een nalaten. Er
moet geacht worden te handelen.
Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten
- Gronddelict: standaard delict
- Gekwalificeerd delict: straf gaat omhoog,
strafverzwarend. Het delict is zwaarder dan het
basisdelict door toevoeging van verzwarende
omstandigheden. “Doodslag gepleegd met een
terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren
of geldboete van de vijfde categorie” art. 228a Sr
(doodslag met terroristisch oogmerk).
- Geprivilegieerde delicten: situatie is minder strafwaardig
dan gronddelict, strafverzachtend.
Structuur van het strafbare feit
1. Vier voorwaarden van strafbaarheid.