Samenvatting – januari 2026
Week 1
Stiglitz, Sen & Fitoussi
BBP meet voornamelijk marktproductie, maar wordt vaak gebruikt als maatstaaf voor
economisch welzijn.
Nadelen van BBP:
• Sommige dingen (of diensten) zijn moeilijk of niet op waarde te schatten/een prijs te
geven.
• Sommige prijzen zijn afhankelijk van (schadelijke) gevolgen voor de samenleving als
geheel.
• Veranderende kwaliteit (en wat een product waard is) wordt niet meegenomen.
• Onderschatting van inflatie.
Imputaties: schatting in het toerekenen van een waarde aan iets.
Defensive expenditures/defensieve uitgaven: uitgaven die geen directe bronnen van nut zijn,
maar noodzakelijke input vormen voor uitgaven die nut kunnen opleveren à de kosten van de
reis naar werk.
Aanbevelingen:
• Kijk naar inkomen en consumptie in plaats van naar productie.
à Geeft economisch welzijn beter weer.
• Beschouw inkomen en consumptie samen met vermogen.
à Vermogen heeft invloed op de balans tussen inkomen & consumptie.
• Benadruk het perspectief van het huishouden.
à Bijv. verschillen in belastingen en uitkeringen.
• Geef meer aandacht aan de verdeling van inkomen, consumptie en vermogen.
à En de verschillen tussen huishoudens.
• Breid inkomensmetingen uit naar niet-markt gerelateerde activiteiten.
à Bijv. werk in huis.
Fox & Erickson
GPI = Genuine Progress Indicator à als contrast voor GDP à ontworpen om de afweging tussen
kosten en baten van economische groei zichtbaar te maken.
à Ontworpen om totale welzijn van mensen te meten.
à De eTectiviteit en eTiciëntie zijn discutabel.
O:er
The pursuit of welfare is not alwasy satisfied by economic growth alone.
,Sustainable consumption: the maximum value of consumption which would leave the individual
afterwards as well oT as before.
Social indicators: some notion of adequacy is implied; there is too little of some things
(nutrition/housing/education) or too much of others (poverty/inequality/crime).
à Social indicators are rarely scaled in the metric of money.
Easterlin: SWB rose significantly with income, but above a certain level there was no longer a
rise in SWB. (SWB = Subjective Well-Being)
à Quality of relationships, of leisure, and of work experience are far more of influence on SWB
than income.
à Materialism is negatively correlated with SWB.
Helliwell: those who have the highest levels of SWB are not those who live in the richest
countries, but those who live where social and political institutions are eTective, where mutual
trust is high and corruption is low.
College 1 – Welvaart en Aggregatie (1)
Het sociale welvaartsconcept:
• Welvaart geproduceerd door inzet alternatief aanwendbare hulpbronnen à bewuste
keuze hulpbronnen in te zetten voor het een & niet het ander.
• Typen hulpbronnen:
o Arbeid, kapitaal, natuur à traditioneel de focus van economische wetenschap
o (Netwerken van) sociale relaties à focus van sociale welvaart
à Centraal verschil tussen traditionele economische welvaartsopvattingen en sociale welvaart:
wel / geen atomisme.
Doel van sociale welvaart: ontdekken van randvoorwaarden/hulpbronnen die sociale
welvaartsproductie beïnvloeden.
à Randvoorwaarden bestaan uit sociale relaties:
• Intrinsieke waarde van relaties à e.g. behoefte aan embeddedness.
• Relaties als ‘geleider’ van belangrijke mechanismen à e.g. statuscompetitie.
• Relaties als instrument om individuele en collectieve doelen te bereiken à e.g. sociale
netwerken en sociaal kapitaal.
Welvaartsproductie vindt plaats in allerlei ‘sociale eenheden’.
à Volgens traditionele economen: productieve bedrijven en consumptieve huishoudens.
à Dit beeld veranderd met ‘New Home Economics’ Becker:
• Huishouden/gezin als welvaartsproducent.
• Allocatie van schaarse hulpmiddelen (e.g. gespecialiseerde arbeid) binnen gezin voor de
productie van welvaart voor de gezinsleden.
, • Toepassing van standaardmethoden uit de economie.
à Niet alleen voor huishoudens/financieel relevant.
Verschillende ordes waarin welvaart wordt geproduceerd: OMOP-model.
Economische welvaart is een theoretisch sterk ontwikkeld begrip, maar:
• Het model van de mens en zijn sociale omgeving is onrealistisch.
à Trade-oT tussen ‘tractability’ en realisme
• Leiden de optimale randvoorwaarden voor economische welvaartsproductie tot
maximale sociale welvaart?
• Aggregatie is theoretisch bezwaarlijk.
• De gangbaar gehanteerde welvaartsindicatoren zijn beperkt.
à Stiglitz, Sen & Fitoussi
BBP = de totale toegevoegde waarde opgeteld over alle sectoren.
à Factordiensten: iedereen die bij heeft gedragen aan deze waarde (loon, winst, huur, pacht,
rente) = primaire inkomens.
à Secundaire inkomens: directe belastingen + overdrachtsinkomens (afgenomen door overheid
om de welvaart beter te kunnen verdelen).
Waarde van de productie = per definitie verdeeld over alle primaire inkomens.
GDP (Stiglitz, et al.) is de ‘marktwaarde van de totale finale leveringen’ of ‘in het
transformatieproces toegevoegde waarde’.
à Dus de welvaart stijgt als de waarde van alle geleverde spulletjes stijgt (prijsstijging/volume
stijging).
Tekortkomingen GDP:
1) Zuiver individualistisch: positieve/negatieve externaliteiten worden niet meegewogen
(onbeprijsde schaarste, bijv. vervuiling van het milieu) à common-pool resources.
2) Goederen waarvoor geen marktprijs bestaat (informele productie/overheidsproductie)
tellen niet mee à niet op de markt verhandeld (bijv. mantelzorg).
3) Consumentensurplus wordt niet meegeteld: de marktprijs die een consument betaalt is
gelijk aan wat de marginale consument wil betalen à ruilvoordeel ontleend aan infra
marginale eenheden.
4) Grensnut van geld wordt veronachtzaamd: de marktprijs die een consument bereid is te
betalen hangt mede af van het inkomen van die consument à een rijke wil meer betalen,
maar is niet meer gelukkig met het product.
5) Waarde van vrije tijd wordt veronachtzaamd: stel we zouden het land omdopen tot een
werkkamp, stijgt dan de welvaart? à ‘value of leisure’.
6) Welke goederen moeten we nemen om de GDP te berekenen à nieuwe producten en
‘quality change’.
7) GDP zegt niets over verdeling, wel relevant voor welvaart à ‘household perspective and
distribution’.
, 8) GDP op dit moment zegt niets over houdbaarheid van welvaart à in welke mate worden
voorraden uitgeput of doorgegeven aan volgende generatie à ‘sustainability’.
9) ‘Defensive expenditures’ (defensieve uitgaven) worden meegeteld in GDP, terwijl ze
slechts gedaan worden om negatieve externaliteiten op te vangen à dit zijn eigenlijk
‘intermediaire leveringen’ à bijv. hogere stookkosten in groter huis, of kosten voor
opruimen natuurrampen.
Urban Sprawl: beweging van stadbewoners uit het centrum naar vrijstaande, grotere en
comfortabelere huizen in de suburbs à zijn de eTecten op GDP de echte welvaartseTecten?
A à groter/fijner huis à meer woongenot à GDP stijgt (via imputation).
B à groter en vrijstaand huis à GDP stijgt door hogere stookkosten (defensive expenditures &
negatieve externaliteiten via milieuverontreiniging).
Alternatieven voor BBP/GDP:
1) Uitgebreide nationale rekeningen & GPI (genuine progress indicator)
• NR en GDP bedoeld als maat voor economische activiteit, niet ‘welvaart’.
• Uitgebreide NR proberen welvaart beter te maken:
o Opname van verschillende kosten als defensive expenditures.
o Imputatie van waarde van non-market goods.
• Zeer groot deel van welvaart komt niet via de markt tot stand.
• Vanaf midden jaren ’70 gaat groei GDP samen met daling welvaart: milieubederf,
ongelijkheid, toename aantal scheidingen, etc.
2) Social Indicators
• Normatief uitgangspunt: toegang tot bepaalde goederen bepaalt welvaart (geen
“abstracte beschikkingsmacht”)
o Huisvesting, voeding, onderwijs, gezondheidszorg, levensverwachting,
milieukwaliteit, misdaadcijfers (veiligheid), armoede (poverty line), etc.
• Beroemdste voorbeeld: HDI (GDP p/c, onderwijs levensverwachting).
• GDP p/c houdt curvilineair verband met veel SI’s: vanaf een bepaald niveau is
marginale eTect van GDP-groei erg klein.
• Levensverwachting (LV) belangrijk element van welvaart:
o Grote verschillen in LV-GDP-combinaties tussen landen.
3) Psychologische indicatoren.
College 2 – Welvaart en Aggregatie (2)
Pareto criterium: breuk met de gedachte dat individuele welvaart/nut/gelijk vergelijkbaar en
optelbaar moet zijn over verschillende personen à GDP als maatstaaf voor collectieve welvaart
is problematisch.
• Individuele preferenties staan centraal: beter is wat het individu beter acht.
• Een toestand is Pareto-optimaal wanneer iedere welvaartsverbetering van een of
meerdere individuen leidt tot een welvaartsverslechtering voor tenminste een ander
individu.
• We hebben bij Pareto geen groepsindicator van sociale welvaart.