2024-2025
Vennootschaps- en
rechtspersonenrecht
Werkgroep 1 2
Opgaven 2
Aantekeningen 3
Werkgroep 2 6
Opgaven 6
Werkgroep 3 8
Opgaven 8
Aantekeningen 10
Werkgroep 4 11
Opgaven 11
, Werkgroep 1
Opgaven
Opgave 1:
a. De criteria van art 7A:1655 BW moeten worden afgelopen volgens HR Dierenartsen:
overeenkomst, samenwerking, inbreng en winst. Er is voldaan aan deze vereisten. Er
is geen sprake van een beroep. Er is sprake van een bedrijf, want hoogstpersoonlijke
contacten hebben betekent niet dat er sprake is van een beroep. Ook heb je in dit
vakgebied geen tuchtrecht. Het gaat bij een beroep vaak om persoonlijke kwaliteiten.
Er is sprake van een gemeenschappelijke naam. Er is geen sprake van
commandieten, dus een vof zou geschikt zijn
b. C brengt een stuk grond in. Ook brengen ze alle 3 arbeid in. Er is sprake van het
genot van goederen. Er is geen sprake van gemeenschappelijk eigendom bij inbreng
van genot. A en B hebben geen recht op waardestijging van de grond. Er zitten ook
geen vergoedingsrechten aan gebonden (art 7A:1662 jo. art 15 WvK). Door C wordt
ook goodwill ingebracht door haar hoogstpersoonlijke contacten
c. Er is een verschil tussen verbintenisrechtelijk en goederenrechtelijk voor wat betreft
het aandeel in de personenvennootschap. Verbintenisrechtelijk gezien is er een
contract. Je kan niet een deel van de overeenkomst overdragen aan een derde.
hiervoor heb je akkoord nodig van de andere partijen. Bij contractovername moet
iedereen het ermee eens zijn en heeft iedereen vetorecht. Dit geldt ook voor een
personenvennootschap. A heeft dus verbintenisrechtelijk gezien toestemming nodig
van B en C. Goederenrechtelijk gezien is er sprake van een gebonden gemeenschap
als er is ingebracht. Dit betekent dat je je losse aandeel niet kan leveren aan een
derde. Er is sprake van een onverdeeld aandeel, dus dit kan je niet verkopen, want
anders zou er sprake zijn van een verdeeld aandeel. Als iets in een gebonden
gemeenschap zit, ben je als individuele vennoot beschikkingsonbevoegd
d. Het is een gemeenschapsschuld, dus de schuld rust op alle vennoten. Hierbij speelt
vertegenwoordiging geen rol. Bij een vof is er sprake van hoofdelijke
aansprakelijkheid. Volgens art 18 WvK zijn A, B en C aansprakelijk en PLC kan
aansprakelijk zijn als de overname succesvol zou zijn. Dit kan ook op A, want de
schuld ontstond toen A nog in de vof zat. Ook kan het verhaald worden op het
afgescheiden vermogen van de vof
Opgave 2:
a. De criteria van art 7A:1655 BW moeten worden afgelopen volgens HR Dierenartsen:
overeenkomst, samenwerking, inbreng en winst. Er is voldaan aan deze vereisten.
Een psychiater is een gespecialiseerde arts en daarmee een beroep. Er is sprake
van een gemeenschappelijke naam, dus een openbare maatschap zou geschikt
kunnen zijn
b. Er kan verbintenisrechtelijk en goederenrechtelijk naar gekeken worden.
Goederenrechtelijk gezien is het uitgangspunt dat inbreng juridische inbreng is. Ieder
heeft dus een onverdeeld aandeel. Verbintenisrechtelijk gezien kan het zijn dat er in
het vennootschapscontract wordt bepaald dat er sprake is van een andere
verhouding. Een eventuele waardestijging komt dan voor een groter deel terecht bij
2
Vennootschaps- en
rechtspersonenrecht
Werkgroep 1 2
Opgaven 2
Aantekeningen 3
Werkgroep 2 6
Opgaven 6
Werkgroep 3 8
Opgaven 8
Aantekeningen 10
Werkgroep 4 11
Opgaven 11
, Werkgroep 1
Opgaven
Opgave 1:
a. De criteria van art 7A:1655 BW moeten worden afgelopen volgens HR Dierenartsen:
overeenkomst, samenwerking, inbreng en winst. Er is voldaan aan deze vereisten. Er
is geen sprake van een beroep. Er is sprake van een bedrijf, want hoogstpersoonlijke
contacten hebben betekent niet dat er sprake is van een beroep. Ook heb je in dit
vakgebied geen tuchtrecht. Het gaat bij een beroep vaak om persoonlijke kwaliteiten.
Er is sprake van een gemeenschappelijke naam. Er is geen sprake van
commandieten, dus een vof zou geschikt zijn
b. C brengt een stuk grond in. Ook brengen ze alle 3 arbeid in. Er is sprake van het
genot van goederen. Er is geen sprake van gemeenschappelijk eigendom bij inbreng
van genot. A en B hebben geen recht op waardestijging van de grond. Er zitten ook
geen vergoedingsrechten aan gebonden (art 7A:1662 jo. art 15 WvK). Door C wordt
ook goodwill ingebracht door haar hoogstpersoonlijke contacten
c. Er is een verschil tussen verbintenisrechtelijk en goederenrechtelijk voor wat betreft
het aandeel in de personenvennootschap. Verbintenisrechtelijk gezien is er een
contract. Je kan niet een deel van de overeenkomst overdragen aan een derde.
hiervoor heb je akkoord nodig van de andere partijen. Bij contractovername moet
iedereen het ermee eens zijn en heeft iedereen vetorecht. Dit geldt ook voor een
personenvennootschap. A heeft dus verbintenisrechtelijk gezien toestemming nodig
van B en C. Goederenrechtelijk gezien is er sprake van een gebonden gemeenschap
als er is ingebracht. Dit betekent dat je je losse aandeel niet kan leveren aan een
derde. Er is sprake van een onverdeeld aandeel, dus dit kan je niet verkopen, want
anders zou er sprake zijn van een verdeeld aandeel. Als iets in een gebonden
gemeenschap zit, ben je als individuele vennoot beschikkingsonbevoegd
d. Het is een gemeenschapsschuld, dus de schuld rust op alle vennoten. Hierbij speelt
vertegenwoordiging geen rol. Bij een vof is er sprake van hoofdelijke
aansprakelijkheid. Volgens art 18 WvK zijn A, B en C aansprakelijk en PLC kan
aansprakelijk zijn als de overname succesvol zou zijn. Dit kan ook op A, want de
schuld ontstond toen A nog in de vof zat. Ook kan het verhaald worden op het
afgescheiden vermogen van de vof
Opgave 2:
a. De criteria van art 7A:1655 BW moeten worden afgelopen volgens HR Dierenartsen:
overeenkomst, samenwerking, inbreng en winst. Er is voldaan aan deze vereisten.
Een psychiater is een gespecialiseerde arts en daarmee een beroep. Er is sprake
van een gemeenschappelijke naam, dus een openbare maatschap zou geschikt
kunnen zijn
b. Er kan verbintenisrechtelijk en goederenrechtelijk naar gekeken worden.
Goederenrechtelijk gezien is het uitgangspunt dat inbreng juridische inbreng is. Ieder
heeft dus een onverdeeld aandeel. Verbintenisrechtelijk gezien kan het zijn dat er in
het vennootschapscontract wordt bepaald dat er sprake is van een andere
verhouding. Een eventuele waardestijging komt dan voor een groter deel terecht bij
2