Inhoud (Klik en spring naar …)
Hoofdstuk 9: Stofwisseling in de cel.............................................................2
Paragraaf 9.1: Chemie in cellen................................................................2
Paragraaf 9.2: Enzymen............................................................................2
Paragraaf 9.3: Koolstofassimilatie.............................................................4
Paragraaf 9.4: Voortgezette assimilatie....................................................6
Paragraaf 9.5 Dissimilatie.........................................................................8
Paragraaf EXTRA Eiwitturnover..................................................................10
, Hoofdstuk 9: Stofwisseling in de cel
Paragraaf 9.1: Chemie in cellen
Stofwisseling = het geheel van chemische omzettingsprocessen (= de
opbouw en afbraak van stoffen).
Anorganische stoffen zijn relatief kleine moleculen en bestaan uit 0 of 1
koolstofatomen.
Organische stoffen zijn relatief grote moleculen en bestaan uit 2 of
meer koolstofatomen.
Assimilatie = de opbouw van organische moleculen uit kleinere
moleculen. Hiervoor is energie nodig.
Dissimilatie = de afbraak van organische moleculen. Hierbij komt energie
vrij.
Tijdens fotosynthese vindt er koolstofassimilatie plaats. Hierbij wordt uit
water en koolstofdioxide o.a. glucose gevormd.
Autotrofe organismen (met bladgroenkorrels) kunnen organische stoffen
maken uit anorganische stoffen. Ze maken hun eigen eten.
Heterotrofe organismen zijn niet in staat om organische stoffen te maken
uit anorganische stoffen. Zij moeten (delen) van andere organisme eten.
Voortgezette assimilatie = glucose wordt omgezet in eiwitten, vetten
en koolhydraten.
De energie die nodig is voor stofwisselingsprocessen wordt gehaald uit
ATP. Wanneer de derde fosfaatgroep van ATP wordt gespitst komt er
energie vrij en ontstaat ADP samen met een losse
fosfaatgroep (Pi).
Om ATP te vormen uit ADP moet de losse fosfaatgroep
worden gebonden aan ADP. Dit proces kost energie. Dit
wordt fosforlysering genoemd. Dit gebeurt in de
mitochondriën, deze gebruiken energie uit de
dissimilatie van glucose.
Andere energiedragers die lijken op ATP zijn NAD+ en NADP+.
Paragraaf 9.2: Enzymen
Enzymen zijn eiwitten die werken als katalysator. Hiermee wordt
bedoelt dat ze processen mogelijk maken of versnellen zonder daarbij zelf
gebruikt te worden.
Het actieve centrum is het deel waar een reactie plaatsvind.