Sociologische vraagstukken 5 cohesie en conflict verplichte literatuur + college
aantekeningen
Week 1 lokale gemeenschappen
Verplichte literatuur
Christopher R. Browning; Tama Leventhal; Jeanne Brooks-Gunn (2005). Sexual initiation in early
adolescence: the nexus of parental and community control.
Het artikel onderzoekt waardoor jongeren eerder of later seks hebben, met een focus op twee
dingen:
1. Parental control (hoeveel ouders hun kinderen in de gaten houden)
2. Neighborhood collective efficacy (hoe goed een buurt samen jongeren controleert)
De centrale vraag Heeft een veilige, samenhangende buurt invloed op hoe vroeg jongeren seks
hebben? En verschilt dit per jongen/meisje?
Belangrijkste conclusies:
- Hoe beter ouders monitoren hoe later eerste seks (sterk effect, vooral bij meisjes)
- Collective efficacy vertraagt eerste seks, maar alleen voor jongeren die weinig ouderlijk
toezicht hebben (dus buurt werkt als ‘back-up’ als ouders het minder doen)
Alle belangrijke theorieën en begrippen
Collective efficacy
Definitie het vermogen van buurtbewoners om samen sociale orde te handhaven – gebaseerd op:
- Sociale cohesie: onderling vertrouwen & solidariteit
- Informele sociale controle: ingrijpen bij probleemgedrag, toezicht op jongeren.
Parental control (ouderlijk toezicht)
Bestaat uit drie onderdelen:
- Place monitoring weten waar het kind is. Meest belangrijke voorspeller.
- Peer monitoring weten met wie het kind omgaat.
- Family attachment & support warmte, open communicatie, steun
Kernbevindingen:
- Ouders zijn de belangrijkste factor in uitstel van seks
- Buurt werkt vooral als ouders minder toezicht houden
- Meisjes worden sterker beïnvloed door ouderlijke controle
Sharkey, Patrick, Torrats-Espinosa, Gerard, Takyar, Delaram (2017). Community and the crime
decline: the causal effect of local nonproficts on violent crime
Dit artikel onderzoekt of lokale non-profit organisaties (zoals buurtpreventiegroepen,
jeugdprogramma’s, buurtontwikkeling, anti-geweld-organisaties) een causale rol hebben gespeeld in
de grote daling in geweldscriminaliteit in de VS sinds de jaren 90.
Belangrijkste conclusie:
- Meer lokale community-nonprofits leidt causaal tot minder moord, minder geweld en
minder property crime
- Dit effect is groot, consistent en blijft bestaan na allerlei controles en robuustheidstesten.
- Daarmee laat het artikel zien dat de crime decline niet alleen door externe factoren kwam
(politie, gevangenissen, economie), maar ook door mobilisatie van gemeenschappen zelf.
Centrale vraag = hebben lokale community-nonprofits een causaal effect op de daling van
geweldscriminaliteit?
,Theorie en belangrijke begrippen
De ‘systemic model of community organization’
Gebaseerd op Bursik, Grasmick, Sampson
Essentie:
- Buurten functioneren als systemen van organisaties, netwerken en instituties
- Deze versterken social cohesion en informal social control
- Meer sociale organisatie minder criminaliteit
Belangrijke begrippen:
- Sociale cohesie = de mate waarin bewoners elkaar vertrouwen en verbonden zijn.
- Informele sociale controle = de bereidheid van bewoners om gezamenlijk normen te
handhaven (bijvoorbeeld ingrijpen bij jeugdoverlast)
- Collective efficacy = combinatie van cohesie + gedeelde verwachtingen over controle
- Community nonprofits = organisaties gericht op het versterken van buurtleven, jeugd,
preventie, economie, fysieke omgeving.
Waarom nonprofits mogelijk criminaliteit verminderen
- Directe effecten
o Jeugdprogramma’s verminderen deliquent gedrag
o Substance-abuse-programma’s verminderen risicogedrag
o Workforce-development verminder economische stress en criminele incentives
- Indirecte effecten
o Nonprofits bouwen sociale netwerken meer cohesie
o Activiteiten op straat meer toezicht
o Verbetering fysieke ruimte minder gelegenheid tot criminaliteit
Probleem: nonprofit-activiteit is endogeen (meer geweld meer organisaties). Daarom gebruiken
de auteurs:
- Fixed-effects models
o Vergelijkt verandering binnen dezelfde stad over tijd
o Controleert voor alle tijdsconstante factoren
- Instrumental variables
o Instrument = groei van nonprofits die niets met criminaliteit te maken hebben
arts, medical research, environmental organizations
Conclusie:
Nonprofits veroorzaken een significante daling in moord, geweld en property crime. Ze versterken
sociale organisatie en bieden alternatieven voor risicogedrag, waardoor criminaliteit afneemt.
Völker, Flap (1997). The comrades belief: intended and unintended consequences of communism for
neighbourhood relations in the former GDR
Het DDR-regime probeede klassen te Mengen via woningverdeling dat lukte. Maar ze kregen geen
vriendschap, alleen wantrouwen.
Mensen waren bang voor Stasi-controle relaties met buren waren zwak, instrumenteel, selectief
en vaak afwezig.
Wat onderzocht de studie?
- Of de DDR via woningbeleid sociale relaties kon beïnvloeden
- Of mensen van verschillende klassen, die als buren naast elkaar werden geplaatst, ook echt
contact/vriendschap kregen.
,Belangrijke theoretische achtergrond
- Marxistische ideologie: ‘friendship between classes’
o Het regime geloofde dat je door sociale klassen te mixen een socialistische
samenleving kon creëren.
- Housing policy (Wohnraumlenkung)
o Staat bepaalde waar iedereen ging wonen
o Doel: sociale mix, gelijke kansen, politieke controle
- Provision networks mensen gebruikten hun persoonlijke netwerk om producten te
regelen die niet in winkels verkrijgbaar waren.
- Stasi-controle: door politieke controle en informanten waren mensen wantrouwig, vooral
tegenover vreemden en dissimilar others (mensen anders dan zijzelf)
- Investment theory
o Relaties = investeringen
o Mensen investeren alleen in relaties die veilig zijn en rendement opleveren
College 1 aantekeningen
Relevantie van het vak
- Inzicht t.b.v. maatschappelijke debatten
o Hoe werkt een bepaald vraagstuk/probleem?
o Reflectie op veronderstellingen
- Beleidsrelevantie
o Bedoelde en onbedoelde gevolgen
Sinds 2000 zie je dat ‘sociaal kapitaal’ steeds
meer aandacht heeft gekregen in de
wetenschappelijke artikelen en de media.
Sociaal kapitaal
= het hebben van veel sociale relaties.
Sociaal kapitaal verwijst naar de waarde van
sociale relaties en netwerken die mensen
hebben.
Bourdieu’s visie: sociaal kapitaal als
individuele hulpbron
De socioloog Pierre Bourdieu zag sociaal
kapitaal als iets dat individuen kunnen
bezitten en gebruiken – net zoals geld (economische kapitaal) of opleiding (cultureel kapitaal).
- Met sociaal kapitaal bedoelde hij dus: je netwerk als een persoonlijk bezit dat je kunt
inzetten om voordeel te halen.
- Bijvoorbeeld: wie veel invloedrijke contacten heeft, kan die gebruiken om makkelijker een
baan, informatie of status te krijgen.
- Belangrijk: sociaal kapitaal kan volgens Bourdieu worden omgezet in andere vormen van
kapitaal (zoals economisch kapitaal) (kan concentreren in andere vormen kapitaal)
o Je netwerk helpt je bijvoorbeeld om werk (geld) te vinden.
Putnam’s visie: sociaal kapitaal als publiek goed
De politicoloog Robert Putnam keek anders naar sociaal kapitaal. Hij definieerde het als:
“Social capital refers to connections among individuals — social networks and the norms of
reciprocity and trustworthiness that arise from them.”
, (Sociaal kapitaal verwijst naar de verbindingen tussen mensen – sociale netwerken en de normen van
wederkerigheid en vertrouwen die daaruit voortkomen.)
Bij Putnam draait het dus niet alleen om individueel voordeel, maar vooral om gemeenschappelijke
voordeel:
- In gemeenschappen met veel vertrouwen, samenwerking en sterke sociale netwerken is het
leven voor iedereen gemakkelijker – zelfs voor mensen zonder veel persoonlijke contacten.
- Denk aan een buurt waar mensen elkaar helpen, waar vrijwilligers actief zijn, en waar sociale
normen sterk zijn: dat is een gemeenschap met veel sociaal kapitaal.
Sociaal kapitaal niet alleen ‘privaat goed’, maar ook ‘publiek goed’
Kracht van netwerken
- Netwerken gaan gepaard met wederzijdse verplichtingen, ze creëren sociale verplichtingen,
waardoor mensen eerder betrouwbaar gedrag vertonen – niemand wil zijn reputatie
schaden binnen een groep.
o Specifieke reciprociteit directe uitwisseling (A helpt B, B helpt A terug). Dit komt
vaak voor in hechte relaties of kleine groepen.
o Gegeneraliseerde reciprociteit indirecte uitwisseling (A helpt B, en later helpt C A).
Dit versterkt het vertrouwen in het hele netwerk en maakt samenwerking stabieler
op de lange termijn.
Dit voedt social vertrouwen
- Netwerken versterken reputaties en daarmee vertrouwen hiermee wordt bedoeld dat in
een netwerk mensen elkaar vaker zien, kennen en beoordelen, waardoor het duidelijker
wordt wie betrouwbaar is en wie niet. Omdat je in een netwerk een reputatie opbouwt, ga je
je eerder netjes gedragen. Mensen die dit consequent doen, krijgen een goede reputatie, en
anderen gaan hen daardoor meer vertrouwen.
- Netwerken versterken ‘wij-gevoel’
- Bevordelijk voor
o Coordinatie, communicatie en samenwerking
Omdat mensen elkaar kennen en vertrouwen, kunnen ze sneller informatie
delen, makkelijker afstemmen wie wat doet, en problemen sneller oplossen.
Je hoeft minder te controleren of af te dwingen, want iedereen weet van
elkaar dat ze zich inzetten voor het gezamenlijke doel.
o Oplossen collectieve actieproblemen
Netwerken maken het makkelijker om mensen te motiveren iets voor de
groep te doen, zelfs als dat individueel minder aantrekkelijk is. Door
wederkerigheid, sociale druk en een sterk wij-gevoel is de kans groter dat
mensen bijdragen aan gezamenlijke doelen (zoals veiligheid, schoonhouden
van de buurt of vrijwilligerswerk).
Collectief actie probleem betekent dat iets alleen opgelost kan worden als veel mensen meedoen,
maar dat elk individu eigenlijk liever profiteert zonder mee te doen. Voorbeelden zijn:
- Iedereen wil een schone buurt, maar niet iedereen wil afval oprapen
- Iedereen wil veiligheid, maar niet iedereen wil opletten of meebetalen
- Iedereen wil minder CO2, maar liever niet zelf minder vliegen
Omdat het individu weinig motivatie heeft om alleen in actie te komen, komt de groep als geheel in
de problemen. Netwerken, vertrouwen en onderlinge verplichtingen helpen deze collectieve
actieproblemen te doorbreken.
aantekeningen
Week 1 lokale gemeenschappen
Verplichte literatuur
Christopher R. Browning; Tama Leventhal; Jeanne Brooks-Gunn (2005). Sexual initiation in early
adolescence: the nexus of parental and community control.
Het artikel onderzoekt waardoor jongeren eerder of later seks hebben, met een focus op twee
dingen:
1. Parental control (hoeveel ouders hun kinderen in de gaten houden)
2. Neighborhood collective efficacy (hoe goed een buurt samen jongeren controleert)
De centrale vraag Heeft een veilige, samenhangende buurt invloed op hoe vroeg jongeren seks
hebben? En verschilt dit per jongen/meisje?
Belangrijkste conclusies:
- Hoe beter ouders monitoren hoe later eerste seks (sterk effect, vooral bij meisjes)
- Collective efficacy vertraagt eerste seks, maar alleen voor jongeren die weinig ouderlijk
toezicht hebben (dus buurt werkt als ‘back-up’ als ouders het minder doen)
Alle belangrijke theorieën en begrippen
Collective efficacy
Definitie het vermogen van buurtbewoners om samen sociale orde te handhaven – gebaseerd op:
- Sociale cohesie: onderling vertrouwen & solidariteit
- Informele sociale controle: ingrijpen bij probleemgedrag, toezicht op jongeren.
Parental control (ouderlijk toezicht)
Bestaat uit drie onderdelen:
- Place monitoring weten waar het kind is. Meest belangrijke voorspeller.
- Peer monitoring weten met wie het kind omgaat.
- Family attachment & support warmte, open communicatie, steun
Kernbevindingen:
- Ouders zijn de belangrijkste factor in uitstel van seks
- Buurt werkt vooral als ouders minder toezicht houden
- Meisjes worden sterker beïnvloed door ouderlijke controle
Sharkey, Patrick, Torrats-Espinosa, Gerard, Takyar, Delaram (2017). Community and the crime
decline: the causal effect of local nonproficts on violent crime
Dit artikel onderzoekt of lokale non-profit organisaties (zoals buurtpreventiegroepen,
jeugdprogramma’s, buurtontwikkeling, anti-geweld-organisaties) een causale rol hebben gespeeld in
de grote daling in geweldscriminaliteit in de VS sinds de jaren 90.
Belangrijkste conclusie:
- Meer lokale community-nonprofits leidt causaal tot minder moord, minder geweld en
minder property crime
- Dit effect is groot, consistent en blijft bestaan na allerlei controles en robuustheidstesten.
- Daarmee laat het artikel zien dat de crime decline niet alleen door externe factoren kwam
(politie, gevangenissen, economie), maar ook door mobilisatie van gemeenschappen zelf.
Centrale vraag = hebben lokale community-nonprofits een causaal effect op de daling van
geweldscriminaliteit?
,Theorie en belangrijke begrippen
De ‘systemic model of community organization’
Gebaseerd op Bursik, Grasmick, Sampson
Essentie:
- Buurten functioneren als systemen van organisaties, netwerken en instituties
- Deze versterken social cohesion en informal social control
- Meer sociale organisatie minder criminaliteit
Belangrijke begrippen:
- Sociale cohesie = de mate waarin bewoners elkaar vertrouwen en verbonden zijn.
- Informele sociale controle = de bereidheid van bewoners om gezamenlijk normen te
handhaven (bijvoorbeeld ingrijpen bij jeugdoverlast)
- Collective efficacy = combinatie van cohesie + gedeelde verwachtingen over controle
- Community nonprofits = organisaties gericht op het versterken van buurtleven, jeugd,
preventie, economie, fysieke omgeving.
Waarom nonprofits mogelijk criminaliteit verminderen
- Directe effecten
o Jeugdprogramma’s verminderen deliquent gedrag
o Substance-abuse-programma’s verminderen risicogedrag
o Workforce-development verminder economische stress en criminele incentives
- Indirecte effecten
o Nonprofits bouwen sociale netwerken meer cohesie
o Activiteiten op straat meer toezicht
o Verbetering fysieke ruimte minder gelegenheid tot criminaliteit
Probleem: nonprofit-activiteit is endogeen (meer geweld meer organisaties). Daarom gebruiken
de auteurs:
- Fixed-effects models
o Vergelijkt verandering binnen dezelfde stad over tijd
o Controleert voor alle tijdsconstante factoren
- Instrumental variables
o Instrument = groei van nonprofits die niets met criminaliteit te maken hebben
arts, medical research, environmental organizations
Conclusie:
Nonprofits veroorzaken een significante daling in moord, geweld en property crime. Ze versterken
sociale organisatie en bieden alternatieven voor risicogedrag, waardoor criminaliteit afneemt.
Völker, Flap (1997). The comrades belief: intended and unintended consequences of communism for
neighbourhood relations in the former GDR
Het DDR-regime probeede klassen te Mengen via woningverdeling dat lukte. Maar ze kregen geen
vriendschap, alleen wantrouwen.
Mensen waren bang voor Stasi-controle relaties met buren waren zwak, instrumenteel, selectief
en vaak afwezig.
Wat onderzocht de studie?
- Of de DDR via woningbeleid sociale relaties kon beïnvloeden
- Of mensen van verschillende klassen, die als buren naast elkaar werden geplaatst, ook echt
contact/vriendschap kregen.
,Belangrijke theoretische achtergrond
- Marxistische ideologie: ‘friendship between classes’
o Het regime geloofde dat je door sociale klassen te mixen een socialistische
samenleving kon creëren.
- Housing policy (Wohnraumlenkung)
o Staat bepaalde waar iedereen ging wonen
o Doel: sociale mix, gelijke kansen, politieke controle
- Provision networks mensen gebruikten hun persoonlijke netwerk om producten te
regelen die niet in winkels verkrijgbaar waren.
- Stasi-controle: door politieke controle en informanten waren mensen wantrouwig, vooral
tegenover vreemden en dissimilar others (mensen anders dan zijzelf)
- Investment theory
o Relaties = investeringen
o Mensen investeren alleen in relaties die veilig zijn en rendement opleveren
College 1 aantekeningen
Relevantie van het vak
- Inzicht t.b.v. maatschappelijke debatten
o Hoe werkt een bepaald vraagstuk/probleem?
o Reflectie op veronderstellingen
- Beleidsrelevantie
o Bedoelde en onbedoelde gevolgen
Sinds 2000 zie je dat ‘sociaal kapitaal’ steeds
meer aandacht heeft gekregen in de
wetenschappelijke artikelen en de media.
Sociaal kapitaal
= het hebben van veel sociale relaties.
Sociaal kapitaal verwijst naar de waarde van
sociale relaties en netwerken die mensen
hebben.
Bourdieu’s visie: sociaal kapitaal als
individuele hulpbron
De socioloog Pierre Bourdieu zag sociaal
kapitaal als iets dat individuen kunnen
bezitten en gebruiken – net zoals geld (economische kapitaal) of opleiding (cultureel kapitaal).
- Met sociaal kapitaal bedoelde hij dus: je netwerk als een persoonlijk bezit dat je kunt
inzetten om voordeel te halen.
- Bijvoorbeeld: wie veel invloedrijke contacten heeft, kan die gebruiken om makkelijker een
baan, informatie of status te krijgen.
- Belangrijk: sociaal kapitaal kan volgens Bourdieu worden omgezet in andere vormen van
kapitaal (zoals economisch kapitaal) (kan concentreren in andere vormen kapitaal)
o Je netwerk helpt je bijvoorbeeld om werk (geld) te vinden.
Putnam’s visie: sociaal kapitaal als publiek goed
De politicoloog Robert Putnam keek anders naar sociaal kapitaal. Hij definieerde het als:
“Social capital refers to connections among individuals — social networks and the norms of
reciprocity and trustworthiness that arise from them.”
, (Sociaal kapitaal verwijst naar de verbindingen tussen mensen – sociale netwerken en de normen van
wederkerigheid en vertrouwen die daaruit voortkomen.)
Bij Putnam draait het dus niet alleen om individueel voordeel, maar vooral om gemeenschappelijke
voordeel:
- In gemeenschappen met veel vertrouwen, samenwerking en sterke sociale netwerken is het
leven voor iedereen gemakkelijker – zelfs voor mensen zonder veel persoonlijke contacten.
- Denk aan een buurt waar mensen elkaar helpen, waar vrijwilligers actief zijn, en waar sociale
normen sterk zijn: dat is een gemeenschap met veel sociaal kapitaal.
Sociaal kapitaal niet alleen ‘privaat goed’, maar ook ‘publiek goed’
Kracht van netwerken
- Netwerken gaan gepaard met wederzijdse verplichtingen, ze creëren sociale verplichtingen,
waardoor mensen eerder betrouwbaar gedrag vertonen – niemand wil zijn reputatie
schaden binnen een groep.
o Specifieke reciprociteit directe uitwisseling (A helpt B, B helpt A terug). Dit komt
vaak voor in hechte relaties of kleine groepen.
o Gegeneraliseerde reciprociteit indirecte uitwisseling (A helpt B, en later helpt C A).
Dit versterkt het vertrouwen in het hele netwerk en maakt samenwerking stabieler
op de lange termijn.
Dit voedt social vertrouwen
- Netwerken versterken reputaties en daarmee vertrouwen hiermee wordt bedoeld dat in
een netwerk mensen elkaar vaker zien, kennen en beoordelen, waardoor het duidelijker
wordt wie betrouwbaar is en wie niet. Omdat je in een netwerk een reputatie opbouwt, ga je
je eerder netjes gedragen. Mensen die dit consequent doen, krijgen een goede reputatie, en
anderen gaan hen daardoor meer vertrouwen.
- Netwerken versterken ‘wij-gevoel’
- Bevordelijk voor
o Coordinatie, communicatie en samenwerking
Omdat mensen elkaar kennen en vertrouwen, kunnen ze sneller informatie
delen, makkelijker afstemmen wie wat doet, en problemen sneller oplossen.
Je hoeft minder te controleren of af te dwingen, want iedereen weet van
elkaar dat ze zich inzetten voor het gezamenlijke doel.
o Oplossen collectieve actieproblemen
Netwerken maken het makkelijker om mensen te motiveren iets voor de
groep te doen, zelfs als dat individueel minder aantrekkelijk is. Door
wederkerigheid, sociale druk en een sterk wij-gevoel is de kans groter dat
mensen bijdragen aan gezamenlijke doelen (zoals veiligheid, schoonhouden
van de buurt of vrijwilligerswerk).
Collectief actie probleem betekent dat iets alleen opgelost kan worden als veel mensen meedoen,
maar dat elk individu eigenlijk liever profiteert zonder mee te doen. Voorbeelden zijn:
- Iedereen wil een schone buurt, maar niet iedereen wil afval oprapen
- Iedereen wil veiligheid, maar niet iedereen wil opletten of meebetalen
- Iedereen wil minder CO2, maar liever niet zelf minder vliegen
Omdat het individu weinig motivatie heeft om alleen in actie te komen, komt de groep als geheel in
de problemen. Netwerken, vertrouwen en onderlinge verplichtingen helpen deze collectieve
actieproblemen te doorbreken.