DE PSYCHOLOGIE VAN IDENTITEIT
WAT IS IDENTITEIT?
Identiteit is een subjectief gevoel van de persoon (wie ben ik écht) die consistent en
continue is over tijd en contexten.
- Functioneel voor het welbevinden: zonder identiteit voel je je een verzameling
losse feiten→ niet samenhangend.
Identiteit heeft verschillende kenmerken:
- Sociale rollen - Sociale groepen
- Waardes - Interesses en voorkeuren
- Doelen - Persoonlijkheidstrekken
Identiteit kan gemeten worden met de twenty statement questionaire; een methode
om achter iemands identiteit te komen door 20 keer de zin “ik ben” in te vullen voor
jezelf.
Identiteit bestaat uit:
1. Persoonlijke identiteit: waarmee identificeer ik me?
2. Sociale identiteit: met wie identificeer ik me?
Self-concept (zelfevaluatie) bestaat uit verschillende onderdelen die samenhangen en
samen worden genomen met identiteit (zijn wel iets verschillend):
1. Zelfwaardering: wat zijn je evaluaties over jezelf als geheel?
2. Competentiebeleving: hoe goed ben je in iets?
3. Interpretaties en waarnemingen: hoe je bepaalde eigenschappen van jezelf
interpreteert.
PSYCHOLOGEN EN WETENSCHAPPERS OVER IDENTITEIT
Descartes: ik denk dus ik ben.
- Eerste die nadacht over identiteit.
John locke: identiteit = gelijkheid en verscheidenheid van perceptie
- Nadruk op eigenschappen.
- Soortgelijke eigenschappen vormen een geheel in het bewustzijn
- Eenheid in de ervaring van de zintuigelijke wereld
- Invloed van sociale omgeving
,Hume en Kant: identiteit = een geheugenproces dat eenheid creëert.
- Perceptie van onveranderlijkheid die wordt gevormd in het geheugen.
- Kant: we kennen onszelf in relatie tot de wereld (=relationaliteit).
- Invloed van sociale omgeving→ je hebt anderen nodig om identiteit te
ontwikkelen.
- Anderen bieden een spiegel waarmee je je kan vergelijken zodat je kan ontdekken
wie je bent
Dilthey: gebruik van taal om een volledig beeld te krijgen van identiteit.
- Hermeneutisch
- Betekenis
Looking glass self (Cooley): zelf ontstaat via reflecties voortkomend uit sociale
interactie.
James: identiteit = je bewust zijn van persoonlijke gelijkenissen.
- Continuïteit en eenheid.
- Cognitie, emotie en fysiologische reacties integreren.
- Individuele cognitie en agentschap
- Ik: privé/ interieur gevoel van zelf.
o Cognitief proces dat identiteit vormt zodat het betekenis heeft en
eenheid in perceptie.
- Mij: empirisch zelf/ zelf als object.
o Zichtbare identiteit die een reactie uitlokt bij de ander.
Mead: het zelf is sociaal geconstrueerd.
- Het zelf ontwikkeld→ vormt zich door sociale ervaring en is dus niet
aangeboren.
- Gevoel van gelijkheid of verscheidenheid ontstaat als we meedoen in
conversation of gestures: gebaren, woorden en representaties.
- Relationeel
- Ik: reactie van organisme op de attitudes van anderen.
o Actie tegen sociale situaties
- Mij: georganiseerde verzameling attitudes van anderen die je aanneemt.
o Gegeneraliseerde ander: sociale groep geeft gevoel van zelf die
identificeerbaar is voor een grotere gemeenschap
THEORIEËN NAAR AANLEIDING VAN MEAD
THEORIE VAN STIGMA
- Identiteit = prestaties die worden beheerd in sociale interacties.
, - Iemand met een gestigmatiseerde identiteit is continu bezig met handelingen van
identiteitsbeheer/-management in sociale interactie (=controleren van
indrukken van anderen→ informatiecontrole)
3 soorten identiteiten:
1. Ego identiteit = subjectief gevoel van iemands eigen situatie en continuïteit.
2. Persoonlijke identiteit = gedeelde/ beschikbare aspecten van je identiteit in
sociale interactie (opzettelijke zelfpresentatie).
3. Sociale identiteit = gekoppeld aan sociale rol en status en beïnvloed interactie
door de vraag of degene die interacteren zichzelf zien als onderdeel van dezelfde
groep.
ROL-IDENTITEITSTHEORIE (MCCALL EN SIMMON)
- Al het menselijk gedrag is gekarakteriseerd door opzettelijke acties om iets te
bereiken.
- Om beslissingen te maken in gedrag moeten we iemand zien als bekend
(persoonlijke identiteit) en hen classificeren in een sociale groep (sociale
identiteit).
- Rol-identiteit = rol die iemand voor zichzelf creëert doordat je een bepaalde
sociale positie hebt.
- Internalisatie van de betekenis van sociale posities/ categorieën.
- Nadruk op significantie van sociale posities en categorieën en hun relatieve
waarde en betekenis in de context.
IDENTITEITSTHEORIE (STRYKER)
- Rollen reflecteren interactieposities in een grotere sociale structuur.
- Identiteiten bestaan in een salliantie hiërarchie bepaald door specifieke sociale
situaties.
- Identiteit als verschillende sociale posities bepaald door linguïstische
classificaties (=familiaal, politiek, beroepsmatig)
- Later identiteit als zelf-cognitie geïnternaliseerde rolverwachting verbonden aan
posities.
- Structureel symbolisch interactionisme: maatschappij is zelfvormend en
vormt de sociale interactie.
- Interacties worden bepaald door de maatschappij, waarbij het zelf dit proces
medieert.
SOCIALE IDENTITEITSTHEORIE (TAJFEL EN TURNER)
Vanuit de sociale psychologie, die zich met name focust op sociale identiteiten.
- Welke sociale groepen vinden wij dat wij deel van uitmaken, deze identificatie
met een groep maakt deel uit van onze identiteit.
, o Bijvoorbeeld: gender, nationaliteit/ etniciteit, religie, beroep, leeftijd.
Sociale identiteitstheorie: mensen halen hun identiteit uit de sociale groepen waarin
ze zich bevinden.
- Als uitgangspunt om te begrijpen waar intergroepsconflict vandaan komt.
- Processen die hierbij betrokken zijn, zijn sociale-/zelf-categorisatie (wij vs. zij),
sociale identificatie (groep is belangrijk voor diegene) en sociale vergelijking
(vergelijken jouw groep met andere groep).
o Identiteit is sociaal en cognitief en komt voort uit categorisatie.
o Je neemt de kenmerken van de groep over en gaat je gedragen naar de
groepsnormen.
- Uitkomsten: positief zelfbeeld, gevoel van erbij horen, collectieve actie.
- Vijandige sociale relaties als resultaat van identiteit.
Sociale vergelijking→ we hebben de neiging om onze eigen groepen positief te
differentiëren van andere groepen omdat we een positief zelfbeeld willen behouden.
- Als jouw groep leuk is ben je zelf ook een leuk persoon.
- Ook wel positieve intergroep differentiatie: verschillen tussen twee groepen
groter maken, je eigen positiever laten lijken en de andere groep minder leuk
maken en benadelen.
- Je gedraagt je op een manier om een positief zelf-concept te behouden of
verbeteren m.b.t. sociale identiteit.
Door positieve intergroep differentiatie krijg je:
- Intergroup accentuation: verschillen tussen groepen worden vergroot terwijl
verschillen binnen groepen worden verkleind.
- Ingroup favoritism: positiever voelen t.o.v. Andere groepsleden vs, leden van
andere groepen.
- Outgroup derogation: andere groepen naar beneden halen om je beter te voelen
over je eigen groep.
Sociale vergelijking is sterker in het geval van competitie.
- Ingroup: groepsleden worden gezien als individuen en positieve kenmerken
worden benadrukt→ ingroup favoritism/ establishment of positive
distinctiveness
- Outgroup: groepsleden worden gezien als lijken op elkaar en negatieve
kenmerken worden benadrukt→ discriminatie van de outgroup.
Als onze eigen groep slechter uit de vergelijking komt:
- Stigma: kenmerken van groep waaraan negatieve sociale evaluatie kleeft