Week 1: PFR in perspectief
Personenrecht: rechtspositie van natuurlijke personen;
Familierecht: rechtsverhouding tussen natuurlijke personen op het terrein van familie en relaties:
• Verticale relaties: ontstaan door afstamming;
• Horizontale relaties: ontstaan door affectieve relaties tussen volwassenen;
Onderscheid privaatrecht en personen- en familierecht:
• Privaatrecht: partijautonomie;
• Personen- en familierecht: veel regels van dwingend recht, zowel privaatrechtelijk als
publiekrechtelijke elementen.
Het relatievermogensrecht is ingrijpend gewijzigd sinds 1 januari 2018 met de invoering van een
beperkte wettelijke gemeenschap van goederen, en partneralimentatie is per 2020 beperkt in duur.
Sinds 1 januari 2023 is er ook een nieuwe wet die gezamenlijk gezag na erkenning verplicht stelt.
In elk Europees land zijn er wettelijke regelingen inzake familierelaties en regels met betrekking tot
familieprocesrecht:
• Interne gevallen: familierelaties die met één enkel land verbonden zijn;
• Internationale gevallen: wanneer echtgenote verschillende nationaliteiten bezitten of in
verschillende landen wonen.
In dergelijke gevallen moet men drie vragen stellen, om te achterhalen welk recht precies van
toepassing is:
1. Welk nationaal familierecht moet toegepast worden?;
2. Wanneer is de rechter bevoegd om een beslissing te nemen in een internationaal geval?
3. Kan in het eigen land een buitenlandse beslissing worden erkend en ten uitvoer worden
gelegd?
Belangrijkste mensenrechtelijke verdragen waarin nationaal familierecht is geregeld:
• EVRM en IVRK.
De Europese wetgever heeft niet de bevoegdheid om- op basis van het verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU)- het interne materiële en formele familierecht door verordeningen of
richtlijnen te unificeren of te harmoniseren.
In situaties waarin een familierechtelijke relatie internationale aspecten heeft kijken we naar regels
van het IPR:
1. Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en welk familierecht (Nederlands/ander recht) is
van toepassing. Indien internationale bevoegdheid is vastgesteld, zie 2.
2. De rechter dient ambtshalve na te gaan welk recht de rechtsverhouding beheerst.
Op basis van art. 81 VWEU is de Europese wetgever bevoegd om maatregelen te nemen betreffende
het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen. De hoogste rechter die bevoegd is om over de
uitleg van verorderingen te oordelen, is het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij oordeelt ook
over de interpretatie van Brussel II bis en bij schending van bepalingen uit het VWEU.
De Nederlandse rechtsmacht is geregeld in art. 3 t/m 5, 8, 9, 12 en 13 Rv, deze bepalingen zijn slechts
van toepassing indien het geschil niet is geregeld in een geldende Europese verordening of
internationaal verdrag. Ook bevat boek 10 algemene bepalingen over internationaal familierecht.
Art. 1:1 BW lijkt op art. 1 GW:
, • Art. 1:1 lid 1 BW: allen die zich in Nederland bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van
de burgerlijke rechten. Het genot wordt in sommige gevallen beperkt, maar er blijft een
discriminatieverbod gelden.
• Art. 1:1 lid 2 BW: persoonlijke dienstbaarheden worden niet geduld. Reguliere
arbeidsovereenkomsten, waarbij de werknemer rechtsbescherming geniet, vallen buiten het in
dit genoemde verbod.
Door art. 1:2 BW heeft een kind al rechten en plichten voordat het kind geboren is, het is dan al
rechtssubject. Hier gelden twee beperkingen:
1. Indien het kind dood ter wereld komt, heeft het kind nooit bestaan;
2. Het kind wordt alleen als geboren beschouwd, als het belang van het kind dat vordert.
Het IVRK kent rechten toe aan geboren kinderen.
Erkenning is nog mogelijk voor de geboorte, maar er komt dan nog geen familierechtelijke betrekking
tot stand. Daarvoor moet het kind geboren zijn.
Art. 1:247 lid 1 en 2 BW heeft betrekking op de omvang van het ouderlijk gezag. Het gaat hier mede
om de verplichting om voor het kind te zorgen en verantwoordelijkheid te hebben voor de veiligheid
en het welzijn van het kind.
• Art. 1;3 BW geeft twee graden van verwantschap weer:
• Het erfrecht en wanneer het gaat om bescherming van meerderjarigen (art. 1:379, art.
1:432 en 1:451 BW).
• Aanverwantschap: huwelijk of GP:
- Let op: aanverwantschap eindigt niet door het eindigen van het huwelijk of GP (art. 1;3
lid 3 BW).
Art. 1:392 BW over onderhoudsplichtigen is van belang bij de vraag of een alimentatieverplichting
bestaat. Hierbij speelt verwantschap een rol. Verwantschap wordt uitgedrukt in graden en loopt in een
rechte lijn of zijlijn.
- Een kleinkind en een oma zijn tweedegraads bloedverwant van elkaar in rechtelijn.
- Neef en oom zijn derdegraads bloedverwant in de zijlijn.
Verwanten in de rechte lijn mogen niet met elkaar huwen.
Het namenrecht van titel 2 van boek 1 BW kenmerkt zich door een combinatie van een overwegend
administratieve regeling inzake het verkrijgen en wijzigen van de naam en regeling betreffende het
recht op het voeren van een naam in het maatschappelijke verkeer:
• Verkirjgen en wijzigen voor- en achternaam (art. 1:4 t/m 1:7 BW);
• Onder omstandigheden voeren van de achternaam van een ander (art. 1:8 en 1:9 BW).
Belangrijk beginsel: eenheid van familienaam: kinderen in eenzelfde gezin zouden zo veel mogelijk
dezelfde achternaam moeten hebben.
Functies naam:
• Deel van persoonlijkheid;
• Identificatiefunctie;
• Informatieverschaffing over de familie of oorsprong.
Vrijheid keus naam en achternaam onder andere geregeld in HR 23 september 1988, NJ 1989, 740.
De ouders in deze zaak beriepen zich op art. 8, 14 EVRM en art. 26 IVBPR. Lid 13 van art. 1:5 BW
werd toegevoegd door deze zaak.
Vanaf januari 2024 kunnen kinderen de achternaam van beide ouders dragen, zonder koppelstreepje
en in een door de ouders gekozen volgorde.
Het recht op een voor- en achternaam valt binnen de werking van art. 8 EVRM:
• Voornaam: EHRM Guilliot t. Frankrijk;
, • Achternaam: EHRM Burghartz t. Zwitserland;
• Geen recht op een dubbele naam: EHRM Heidecker Tiemann t. Duitsland.
Art. 7 IVRK: kinderen en indirect meerderjarigen, hebben recht op een naam;
Art. 18 EG- verdrag: erkennen dubbele achternaam kind, gegeven in een andere lidstaat.
Keuzevrijheid
Ouders hebben keuzevrijheid wat betreft het toekennen van voornamen, wel kent het recht twee
beperkingen:
• Ongepaste namen;
• Namen die ook achternamen zijn, maar namen die zowel voor- als achternamen kunnen zijn
wel toegestaan (art. 1:4 lid 1 en 2 BW).
Indien een naam onbekend is, zal de ambtenaar in de geboorteakte een voorlopige voor- en
achternaam opnemen (art. 1:5 lid 10 BW). Indien bij adoptie voornamen van kind niet bekend zijn,
stelt de rechter één of meer voornamen vast (art. 1:227 lid 5 BW).
Achternaam
Art. 1:5 BW geeft de beperkte mogelijkheden voor de ouders om een achternaam te kiezen.
• Lid 1: kind heeft slechts één juridisch ouder, verkrijgt het de achternaam van die ouder.
Indien een kind door erkenning of door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap een
tweede juridische ouder verkrijgt, hebben de ouders het recht van naamkeuze;
- Beperking: als je meerdere kinderen krijgt, krijgen alle latere kinderen de achternaam die
gekozen werd voor het eerste kind (lid 8). Dit geldt ook als de tweede ouder een moeder
is (lid 13).
• Lid 2: door familierechtelijke betrekking tot vader en moeder, dan achternaam van moeder
tenzij moeder en vader gezamenlijk erkennen dat het de achternaam van vader krijgt;
• Lid 3: adoptie, dan onderscheid tussen partneradoptie en reguliere adoptie;
• Leden 4 en 5: verkrijgen van achternaam in het geval een kind door geboorte twee juridische
ouders heeft;
• Lid 6: betrekking op de situatie waarin de moeder met succes het vaderschap of moederschap
van de overleden echtgenoot (of GP) ontkent (art. 1:999 onder b en art. 1:198 lid 2 BW) en zij
ten tijde van de geboorte en de ontkenning was getrouwd (of GP).
• Lid 7: kind is 16 jaar of ouder op het moment van ontstaan van familierechtelijke betrekking
met beide ouders, wordt de naamkeuze aan de oudere minderjarige gelaten.
• Lid 9: indien een ouder voor dat de naamkeuze gedaan moest worden is overleden, kan de
andere ouder, indien de naamkeuze nog niet is gebeurd de betreffende verklaring afleggen.
Art. 1:6 BW: bewijs van geslachtsnaam, de achternaam wordt dwingend bewezen door de
geboorteakte.
Wijzigen achternaam, mogelijkheden voor wijziging:
• Door erkenning, adoptie of gerechtelijke vaststelling;
• Via de rechter (art. 1:253t lid 5 of art. 1:282 lid 7 BW);
• Besluit geslachtsnaamwijziging (art. 1:7 lid 5 BW).
- Schrapping of toevoeging is mogelijk indien een naam kennelijk onwelvoegelijk of
bespottelijk is.
Hij die de naam van een ander voert zonder diens toestemming, handelt jegens die persoon
onrechtmatig, wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te
behoren (art. 1:8 BW).
Woonplaats, onderscheid begrip ‘woonplaats’:
• Wettelijke woonplaats:
, - Zelfstandige woonplaats: deze bevindt zich volgens art. 1:10 lid 1 BW ‘te zijner
woonstede’, waarmee de wet doelt op het vaste woonadres van een persoon.
- Afgeleide woonplaats: geen vast woonadres, dan kijken naar de plaats van zijn werkelijk
verblijf; geen duurzaamheidscriterium.
• Gekozen woonplaats: betrekking op bijzondere rechtshandelingen en rechtsbetrekkingen,
soms kan volgens art. 1:15 BW een andere woonplaats worden gekozen:
- Noodzakelijk gekozen woonplaats;
- Vrijwillig gekozen woonplaats.
Burgerlijke stand
De juridisch vader of de moeder uit wie het kind geboren is, moet aangifte doen om een geboorteakte
van het kind te laten opmaken (art. 1:19e BW).
Art. 1:19h BW stelt dat ieder die uit eigen wetenschap kennis draagt van het overlijden, bevoegd tot
het doen van aangifte. Een fout in de akte kan met toestemming van de OvJ worden verbeterd (art.
1:24 en 1:24a BW).
Sinds 1985 is het mogelijk om je geslacht in de geboorteakte te wijzigen. Sinds 1 juli 2014 is de eis
van een geslacht veranderende operatie vervallen. Je hoeft enkel nog ouder dan 16 te zijn.
Verandering van geslacht heeft géén terugwerkende kracht.
Afwezigheid en vermissing
Titel 18 boek 1 BW: regeling voor situaties waarbij een persoon zijn woonplaats heeft verlaten of
afwezig is, maar zijn zaken niet geregeld heeft. Na een bepaalde periode kan de rechtbank een
‘rechtsvermoeden van overlijden’ verklaren. In het geval dat het waarschijnlijk is dat de vermiste
dood is, kan met een kortere wachttermijn worden volstaan (art. 1:413 BW). Zie art. 1:426 BW e.v.
voor de verklaring van overlijden.
Van vermissing (art. 1:413 BW) kan sprake zijn indien:
• Er een lange tijd verstreken is sinds er iets van iemand is waargenomen;
• Er een ongeluk heeft plaatsgevonden en de vermiste persoon hoogstwaarschijnlijk tot de
inzittende behoorde.
Het OM en belanghebbende kunnen de rechter verzoeken om een verklaring van rechtsvermoeden van
overlijden van de vermiste persoon. Dit kan pas na vijf jaren, tenzij er gegronde redenen zijn om de
dood van de vermiste persoon aannemelijk te maken.
- Art. 1:413 BW: persoon wordt al een jaar vermist en de omstandigheden maken zijn dood
waarschijnlijk. Termijn wordt verkort naar één jaar.
Indien de achterbleven echtgenoot/gp van een vermiste een nieuw huwelijk of gp aangaat, eindigt het
huwelijk of gp met de vermiste, zelfs als deze persoon nog in leven is (art. 1:149 sub b en art. 1:80c
lid 1 sub b BW). Art. 1:425 BW verwijst naar de akte.
Art. 8 EVRM: ‘Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn
woning en zijn correspondentie.’
- Vroeger alleen negatieve bescherming tegen overheid: alleen uitblijven van handelen van de
overheid;
- Nu ook positieve bescherming: een plicht voor de overheid.
Marckx t. België (1979)
• Positieve verplichting van lidstaten om de uitoefening van de onder het verdrag vallen rechten
te waarborgen.
• ‘ Whole code of family law’.
Personenrecht: rechtspositie van natuurlijke personen;
Familierecht: rechtsverhouding tussen natuurlijke personen op het terrein van familie en relaties:
• Verticale relaties: ontstaan door afstamming;
• Horizontale relaties: ontstaan door affectieve relaties tussen volwassenen;
Onderscheid privaatrecht en personen- en familierecht:
• Privaatrecht: partijautonomie;
• Personen- en familierecht: veel regels van dwingend recht, zowel privaatrechtelijk als
publiekrechtelijke elementen.
Het relatievermogensrecht is ingrijpend gewijzigd sinds 1 januari 2018 met de invoering van een
beperkte wettelijke gemeenschap van goederen, en partneralimentatie is per 2020 beperkt in duur.
Sinds 1 januari 2023 is er ook een nieuwe wet die gezamenlijk gezag na erkenning verplicht stelt.
In elk Europees land zijn er wettelijke regelingen inzake familierelaties en regels met betrekking tot
familieprocesrecht:
• Interne gevallen: familierelaties die met één enkel land verbonden zijn;
• Internationale gevallen: wanneer echtgenote verschillende nationaliteiten bezitten of in
verschillende landen wonen.
In dergelijke gevallen moet men drie vragen stellen, om te achterhalen welk recht precies van
toepassing is:
1. Welk nationaal familierecht moet toegepast worden?;
2. Wanneer is de rechter bevoegd om een beslissing te nemen in een internationaal geval?
3. Kan in het eigen land een buitenlandse beslissing worden erkend en ten uitvoer worden
gelegd?
Belangrijkste mensenrechtelijke verdragen waarin nationaal familierecht is geregeld:
• EVRM en IVRK.
De Europese wetgever heeft niet de bevoegdheid om- op basis van het verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU)- het interne materiële en formele familierecht door verordeningen of
richtlijnen te unificeren of te harmoniseren.
In situaties waarin een familierechtelijke relatie internationale aspecten heeft kijken we naar regels
van het IPR:
1. Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en welk familierecht (Nederlands/ander recht) is
van toepassing. Indien internationale bevoegdheid is vastgesteld, zie 2.
2. De rechter dient ambtshalve na te gaan welk recht de rechtsverhouding beheerst.
Op basis van art. 81 VWEU is de Europese wetgever bevoegd om maatregelen te nemen betreffende
het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen. De hoogste rechter die bevoegd is om over de
uitleg van verorderingen te oordelen, is het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij oordeelt ook
over de interpretatie van Brussel II bis en bij schending van bepalingen uit het VWEU.
De Nederlandse rechtsmacht is geregeld in art. 3 t/m 5, 8, 9, 12 en 13 Rv, deze bepalingen zijn slechts
van toepassing indien het geschil niet is geregeld in een geldende Europese verordening of
internationaal verdrag. Ook bevat boek 10 algemene bepalingen over internationaal familierecht.
Art. 1:1 BW lijkt op art. 1 GW:
, • Art. 1:1 lid 1 BW: allen die zich in Nederland bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van
de burgerlijke rechten. Het genot wordt in sommige gevallen beperkt, maar er blijft een
discriminatieverbod gelden.
• Art. 1:1 lid 2 BW: persoonlijke dienstbaarheden worden niet geduld. Reguliere
arbeidsovereenkomsten, waarbij de werknemer rechtsbescherming geniet, vallen buiten het in
dit genoemde verbod.
Door art. 1:2 BW heeft een kind al rechten en plichten voordat het kind geboren is, het is dan al
rechtssubject. Hier gelden twee beperkingen:
1. Indien het kind dood ter wereld komt, heeft het kind nooit bestaan;
2. Het kind wordt alleen als geboren beschouwd, als het belang van het kind dat vordert.
Het IVRK kent rechten toe aan geboren kinderen.
Erkenning is nog mogelijk voor de geboorte, maar er komt dan nog geen familierechtelijke betrekking
tot stand. Daarvoor moet het kind geboren zijn.
Art. 1:247 lid 1 en 2 BW heeft betrekking op de omvang van het ouderlijk gezag. Het gaat hier mede
om de verplichting om voor het kind te zorgen en verantwoordelijkheid te hebben voor de veiligheid
en het welzijn van het kind.
• Art. 1;3 BW geeft twee graden van verwantschap weer:
• Het erfrecht en wanneer het gaat om bescherming van meerderjarigen (art. 1:379, art.
1:432 en 1:451 BW).
• Aanverwantschap: huwelijk of GP:
- Let op: aanverwantschap eindigt niet door het eindigen van het huwelijk of GP (art. 1;3
lid 3 BW).
Art. 1:392 BW over onderhoudsplichtigen is van belang bij de vraag of een alimentatieverplichting
bestaat. Hierbij speelt verwantschap een rol. Verwantschap wordt uitgedrukt in graden en loopt in een
rechte lijn of zijlijn.
- Een kleinkind en een oma zijn tweedegraads bloedverwant van elkaar in rechtelijn.
- Neef en oom zijn derdegraads bloedverwant in de zijlijn.
Verwanten in de rechte lijn mogen niet met elkaar huwen.
Het namenrecht van titel 2 van boek 1 BW kenmerkt zich door een combinatie van een overwegend
administratieve regeling inzake het verkrijgen en wijzigen van de naam en regeling betreffende het
recht op het voeren van een naam in het maatschappelijke verkeer:
• Verkirjgen en wijzigen voor- en achternaam (art. 1:4 t/m 1:7 BW);
• Onder omstandigheden voeren van de achternaam van een ander (art. 1:8 en 1:9 BW).
Belangrijk beginsel: eenheid van familienaam: kinderen in eenzelfde gezin zouden zo veel mogelijk
dezelfde achternaam moeten hebben.
Functies naam:
• Deel van persoonlijkheid;
• Identificatiefunctie;
• Informatieverschaffing over de familie of oorsprong.
Vrijheid keus naam en achternaam onder andere geregeld in HR 23 september 1988, NJ 1989, 740.
De ouders in deze zaak beriepen zich op art. 8, 14 EVRM en art. 26 IVBPR. Lid 13 van art. 1:5 BW
werd toegevoegd door deze zaak.
Vanaf januari 2024 kunnen kinderen de achternaam van beide ouders dragen, zonder koppelstreepje
en in een door de ouders gekozen volgorde.
Het recht op een voor- en achternaam valt binnen de werking van art. 8 EVRM:
• Voornaam: EHRM Guilliot t. Frankrijk;
, • Achternaam: EHRM Burghartz t. Zwitserland;
• Geen recht op een dubbele naam: EHRM Heidecker Tiemann t. Duitsland.
Art. 7 IVRK: kinderen en indirect meerderjarigen, hebben recht op een naam;
Art. 18 EG- verdrag: erkennen dubbele achternaam kind, gegeven in een andere lidstaat.
Keuzevrijheid
Ouders hebben keuzevrijheid wat betreft het toekennen van voornamen, wel kent het recht twee
beperkingen:
• Ongepaste namen;
• Namen die ook achternamen zijn, maar namen die zowel voor- als achternamen kunnen zijn
wel toegestaan (art. 1:4 lid 1 en 2 BW).
Indien een naam onbekend is, zal de ambtenaar in de geboorteakte een voorlopige voor- en
achternaam opnemen (art. 1:5 lid 10 BW). Indien bij adoptie voornamen van kind niet bekend zijn,
stelt de rechter één of meer voornamen vast (art. 1:227 lid 5 BW).
Achternaam
Art. 1:5 BW geeft de beperkte mogelijkheden voor de ouders om een achternaam te kiezen.
• Lid 1: kind heeft slechts één juridisch ouder, verkrijgt het de achternaam van die ouder.
Indien een kind door erkenning of door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap een
tweede juridische ouder verkrijgt, hebben de ouders het recht van naamkeuze;
- Beperking: als je meerdere kinderen krijgt, krijgen alle latere kinderen de achternaam die
gekozen werd voor het eerste kind (lid 8). Dit geldt ook als de tweede ouder een moeder
is (lid 13).
• Lid 2: door familierechtelijke betrekking tot vader en moeder, dan achternaam van moeder
tenzij moeder en vader gezamenlijk erkennen dat het de achternaam van vader krijgt;
• Lid 3: adoptie, dan onderscheid tussen partneradoptie en reguliere adoptie;
• Leden 4 en 5: verkrijgen van achternaam in het geval een kind door geboorte twee juridische
ouders heeft;
• Lid 6: betrekking op de situatie waarin de moeder met succes het vaderschap of moederschap
van de overleden echtgenoot (of GP) ontkent (art. 1:999 onder b en art. 1:198 lid 2 BW) en zij
ten tijde van de geboorte en de ontkenning was getrouwd (of GP).
• Lid 7: kind is 16 jaar of ouder op het moment van ontstaan van familierechtelijke betrekking
met beide ouders, wordt de naamkeuze aan de oudere minderjarige gelaten.
• Lid 9: indien een ouder voor dat de naamkeuze gedaan moest worden is overleden, kan de
andere ouder, indien de naamkeuze nog niet is gebeurd de betreffende verklaring afleggen.
Art. 1:6 BW: bewijs van geslachtsnaam, de achternaam wordt dwingend bewezen door de
geboorteakte.
Wijzigen achternaam, mogelijkheden voor wijziging:
• Door erkenning, adoptie of gerechtelijke vaststelling;
• Via de rechter (art. 1:253t lid 5 of art. 1:282 lid 7 BW);
• Besluit geslachtsnaamwijziging (art. 1:7 lid 5 BW).
- Schrapping of toevoeging is mogelijk indien een naam kennelijk onwelvoegelijk of
bespottelijk is.
Hij die de naam van een ander voert zonder diens toestemming, handelt jegens die persoon
onrechtmatig, wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot diens geslacht of gezin te
behoren (art. 1:8 BW).
Woonplaats, onderscheid begrip ‘woonplaats’:
• Wettelijke woonplaats:
, - Zelfstandige woonplaats: deze bevindt zich volgens art. 1:10 lid 1 BW ‘te zijner
woonstede’, waarmee de wet doelt op het vaste woonadres van een persoon.
- Afgeleide woonplaats: geen vast woonadres, dan kijken naar de plaats van zijn werkelijk
verblijf; geen duurzaamheidscriterium.
• Gekozen woonplaats: betrekking op bijzondere rechtshandelingen en rechtsbetrekkingen,
soms kan volgens art. 1:15 BW een andere woonplaats worden gekozen:
- Noodzakelijk gekozen woonplaats;
- Vrijwillig gekozen woonplaats.
Burgerlijke stand
De juridisch vader of de moeder uit wie het kind geboren is, moet aangifte doen om een geboorteakte
van het kind te laten opmaken (art. 1:19e BW).
Art. 1:19h BW stelt dat ieder die uit eigen wetenschap kennis draagt van het overlijden, bevoegd tot
het doen van aangifte. Een fout in de akte kan met toestemming van de OvJ worden verbeterd (art.
1:24 en 1:24a BW).
Sinds 1985 is het mogelijk om je geslacht in de geboorteakte te wijzigen. Sinds 1 juli 2014 is de eis
van een geslacht veranderende operatie vervallen. Je hoeft enkel nog ouder dan 16 te zijn.
Verandering van geslacht heeft géén terugwerkende kracht.
Afwezigheid en vermissing
Titel 18 boek 1 BW: regeling voor situaties waarbij een persoon zijn woonplaats heeft verlaten of
afwezig is, maar zijn zaken niet geregeld heeft. Na een bepaalde periode kan de rechtbank een
‘rechtsvermoeden van overlijden’ verklaren. In het geval dat het waarschijnlijk is dat de vermiste
dood is, kan met een kortere wachttermijn worden volstaan (art. 1:413 BW). Zie art. 1:426 BW e.v.
voor de verklaring van overlijden.
Van vermissing (art. 1:413 BW) kan sprake zijn indien:
• Er een lange tijd verstreken is sinds er iets van iemand is waargenomen;
• Er een ongeluk heeft plaatsgevonden en de vermiste persoon hoogstwaarschijnlijk tot de
inzittende behoorde.
Het OM en belanghebbende kunnen de rechter verzoeken om een verklaring van rechtsvermoeden van
overlijden van de vermiste persoon. Dit kan pas na vijf jaren, tenzij er gegronde redenen zijn om de
dood van de vermiste persoon aannemelijk te maken.
- Art. 1:413 BW: persoon wordt al een jaar vermist en de omstandigheden maken zijn dood
waarschijnlijk. Termijn wordt verkort naar één jaar.
Indien de achterbleven echtgenoot/gp van een vermiste een nieuw huwelijk of gp aangaat, eindigt het
huwelijk of gp met de vermiste, zelfs als deze persoon nog in leven is (art. 1:149 sub b en art. 1:80c
lid 1 sub b BW). Art. 1:425 BW verwijst naar de akte.
Art. 8 EVRM: ‘Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn
woning en zijn correspondentie.’
- Vroeger alleen negatieve bescherming tegen overheid: alleen uitblijven van handelen van de
overheid;
- Nu ook positieve bescherming: een plicht voor de overheid.
Marckx t. België (1979)
• Positieve verplichting van lidstaten om de uitoefening van de onder het verdrag vallen rechten
te waarborgen.
• ‘ Whole code of family law’.