Introductie: studeren van de geschiedenis van psychologie
De waarde van de geschiedenis studeren
Er zijn verschillende redenen waarom het waardevol is om de geschiedenis van de
psychologie te weten:
1. Afstand nemen en context begrijpen
Een historische benadering helpt ons afstand te nemen van de huidige centrale
thema’s in de psychologie, zoals data, methoden, experimenten en theorieën. We
leren te onderzoeken welke historische omstandigheden – vaak toevallig of cultureel
bepaald – deze kennis en praktijken hebben gevormd. Dit vergroot ons begrip van
waarom bepaalde ideeën en methoden juist op dat moment dominant werden.
2. Historische relativiteit en kritisch perspectief
Ideeën die wij vandaag als oud, fout of achterhaald beschouwen, waren in hun
oorspronkelijke context vaak logisch en redelijk. Historische kennis helpt ons eerdere
theorieën genuanceerd te beoordelen en niet te verwerpen enkel op basis van
hedendaagse kennis. Omdat maatschappelijke, sociale, politieke en professionele
invloeden vroeger net zo sterk werkten als nu, kan historisch bewustzijn ons helpen
hedendaagse psychologische theorieën en ontwikkelingen kritisch te bekijken. Het
besef dat psychologische kennis voortdurend verandert, benadrukt dat wat nu
vanzelfsprekend lijkt, in de toekomst achterhaald kan zijn.
3. Reflexiviteit en zelfbegrip
Historische studie maakt inzichtelijk hoe psychologie reflexief is: het vakgebied
onderzoekt niet alleen de menselijke geest, maar beïnvloedt ook hoe mensen hun
eigen denken en gedrag begrijpen. Reflexiviteit komt op verschillende niveaus: van
het herkennen van jezelf in de spiegel, tot nadenken over je eigen denken, tot het
vermogen van psychologische theorieën om het zelfinzicht van mensen te
veranderen. In de geschiedenis van de psychologie is reflexiviteit een belangrijk
thema geweest. Zelfbewustzijn werd al besproken in filosofische stromingen die de
basis vormden voor de moderne psychologie. De geschiedenis laat zien dat er
verschillende standpunten bestonden over hoe reflexiviteit wetenschappelijk
onderzocht kon worden: sommige psychologen vonden dat reflexiviteit objectief
onderzoek bemoeilijkt en pleitten voor focus op waarneembaar gedrag. Anderen
beschouwden de geest als een informatieverwerkend systeem en ontwikkelden
modellen van cognitieve processen. Omdat mensen psychologische theorieën kunnen
begrijpen en erop reflecteren, kunnen deze theorieën hun zelfinzicht beïnvloeden.
Dit illustreert het unieke reflexieve karakter van de psychologie.
Manieren om het verleden te onderzoeken
Geschiedschrijving (historiography) is een verzamelnaam voor de theorie,
geschiedenis, methoden en aannames van geschreven geschiedenis; het kan ook
verwijzen naar een verzameling historische werken. Een feestelijke (celebratory)
benadering weerspiegelt de positieve vooringenomenheid van de historicus ten opzichte
van een figuur of gebeurtenis, terwijl een kritische benadering andere aannames aan het
licht brengt. Dit laat zien dat persoonlijke perspectieven de interpretatie van een
historicus kunnen beïnvloeden.
Er zijn verschillende benaderingen voor het bestuderen van de geschiedenis:
- Internalisme versus externalisme
Internalisme: een strikt disciplinegerichte benadering, die vaak wordt gehanteerd
door specialisten binnen hun vakgebied, waarbij de focus ligt op ontwikkelingen die
zich strikt binnen hun eigen discipline hebben afgespeeld, in plaats van op de bredere
context waarin deze ontwikkelingen zich hebben voorgedaan. Externalisme: een
benadering van geschiedschrijving die zich richt op de contextuele, interdisciplinaire
invloeden op de ontwikkeling van ideeën.
- Great Man approach en Zeitgeist approach
De Great Man approach richt zich op grote namen en negeert vaak de externe sociale,
culturele en politieke systemen die invloed hadden op die personen. De Zeitgeist
approach ziet de tijdgeest als bepalend voor welke ideeën en personen historisch
, betekenis krijgen. Volgens sommige historici zijn beide benaderingen op zichzelf
onvoldoende om geschiedenis volledig te verklaren.
- Presentisme, historicisme en sophisticated presentism
Presentisme: De praktijk om de geschiedenis vanuit het perspectief van het heden
te bekijken, waarbij vaak de grote vooruitgang wordt benadrukt die is geboekt door de
fouten van voorgangers te corrigeren; het heden wordt gezien als het hoogtepunt van
superieure kennis en wijsheid. Historisme: De praktijk om het historische standpunt
van een specifieke tijd en plaats in te nemen om kwesties te begrijpen zoals ze zich
destijds voordeden. Sophisticated presentism: een compromisbenadering die
zowel het heden als het verleden recht wil doen en niet automatisch uitgaat van de
superioriteit van het heden.
Deze drie paren van tegenstellingen leiden tegenwoordig vaak tot gecombineerde
benaderingen.
De nieuwe geschiedenis van de psychologie
Eind jaren 1980 beschreef Laurel Furumoto een kritische benadering van de
geschiedenis van de psychologie. Deze benadering verschilt van traditionele, “feestelijke”
geschiedschrijving waarin vooruitgang centraal staat. Ze is:
- Contextueel en historicistisch: maakt gebruik van archiefstukken en primaire
bronnen.
- Kritisch ten opzichte van origin myths: zoals Franz Samelson benadrukt, ontstaan
vaak te simplistische beelden waarin psychologie zich probleemloos ontwikkelt via
opeenvolgende grote ontdekkingen. De nieuwe geschiedenis corrigeert deze
vereenvoudiging.
- Inclusief meerdere actoren: richt zich niet alleen op ‘great men’, maar ook op
gemarginaliseerde groepen en onderzoekt hoe theorieën over gender en ras sociale
overtuigingen weerspiegelden.
Continuïteit–discontinuïteit debat in de psychologie gaat over de vraag of
ontwikkeling een geleidelijk, continu proces is of een reeks abrupte, kwalitatieve
sprongen in stadia. Continuïteit: ontwikkeling verloopt geleidelijk en cumulatief, dus
zonder grote onderbrekingen. Discontinuïteit: ontwikkeling verloopt in afzonderlijke
stadia; een reeks abrupte, kwalitatieve sprongen. Dit debat is vooral belangrijk binnen de
psychologie van de levensloop.
Bepalen wie geïncludeerd worden, Historici moeten keuzes maken over wie in de
geschiedenis wordt opgenomen. Traditioneel werd dit gedomineerd door witte mannen
die vooral over andere witte mannen schreven. Vrouwen waren vaak beperkt tot indirecte
of ondersteunende rollen, bijvoorbeeld als moderator of facilitator, en kregen zelden
erkenning. Formele academies sloten vrouwen aanvankelijk uit, zelfs als ze eerder actief
waren in informele wetenschappelijke kringen.
Indigenization: het proces waarbij lokale (of nationale) contexten de ontwikkeling van
psychologie beïnvloeden, inclusief ideeën uit andere landen worden geïmporteerd en
aangepast aan de eigen culturele en sociale omstandigheden.
Criteria Fancher en Rutherford (auteurs) voor welke pioniers in het boek komen
De auteurs volgen een personalistisch-contextuele benadering, waarbij ze het werk
van pioniers koppelen aan de historische context. Drie criteria voor selectie:
1. De pionier aantoonbaar belangrijk zijn geweest voor de ontwikkeling van de
psychologie.
2. Er moet genoeg biografische informatie beschikbaar zijn.
3. De pioniers moesten samen een goede afspiegeling vormen van de geschiedenis van
de psychologie, van de antieke tijd tot nu.
Extra aandacht wordt besteed aan de rol van vrouwen en hoe over vrouwen werd gedacht
in de geschiedenis van de psychologie.
Thema 1 – Voorlopers
,De geschiedenis van de psychologie begint met de opvattingen van de klassieke filosofen
zoals Socrates, Plato en Aristoteles, die proberen te begrijpen hoe bewustzijn over de
wereld mogelijk is. Daarna volgt de lange periode van de middeleeuwen waarin het
mensbeeld in Europa bepaald wordt door de Bijbel. Ondertussen worden de
verworvenheden van de Griekse filosofie echter bewaard en doorontwikkeld door denkers
en wetenschappers in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Aan het eind van de
middeleeuwen brengen vroegmoderne filosofen zoals René Descartes, John Locke,
Gottfried Leibniz en Immanuel Kant deze kennis weer tot leven en start in Europa de
periode van de verlichting waarin het geloof in God steeds minder bepalend wordt, en de
nadruk steeds sterker komt te liggen op de fysiologische grondslagen van de psychologie.
Studietaak 1 – antieke grondslagen
Psychologie bestaat als zelfstandige wetenschap pas sinds het einde van de 19e eeuw,
met Wilhelm Wundt als grondlegger. Toch hielden denkers in de Griekse oudheid zich al
intensief bezig met vragen over menselijk gedrag, kennis en ervaring. Deze ideeën
vormen de antieke grondslagen van de psychologie.
Sofisten en de politieke context
Hoofdstuk 1 – Foundational Ideas from Antiquity
Sofisten en politieke context, In het oude Athene was de democratie in opkomst
(aristocratie). Burgers konden invloed uitoefenen door middel van spreken en overtuigen.
De sofisten waren rondreizende leraren die jongeren leerden hoe zij met retorica en debat
succesvol konden zijn in de politiek. Zij waren vooral gericht op praktisch succes en
minder op absolute waarheid.
The Greek miracle and the presocratic philosophers
De eerste Griekse filosofen (prosocraten) probeerden de natuur te verklaren op basis van
rationele principes in plaats van mythen; het Griekse wonder. Hun doel was hetzelfde
als dat van moderne natuurwetenschappers: het vinden van onderliggende
wetmatigheden.
- Thales (624–546 v.Chr.): was de eerste erkende filosoof. Verklaarde de kosmos
vanuit een oerstof = water; natuurkundige en astronomische waarnemingen, begin
van wetenschappelijk denken.
- Pythagoras (570–495 v.Chr.): werkelijkheid bepaald door wiskundige verhoudingen
(A2+B2=C2); orde en harmonie in natuur. – niet veel geschreven gedingen
achtergelaten, vaak gezien als mythe in plaats van persoon.
- Heraclitus (535–470 v.Chr.): alles is voortdurend in verandering – dubbelzinnige
relatie tussen stabiliteit en verandering; “Je kunt niet tweemaal in dezelfde rivier
stappen”; eenheid van tegenstellingen (een weg omhoog is ook een weg omlaag).
- Zeno (490–430 v.Chr.): paradoxen over beweging en oneindigheid (Achilles en de
schildpad), ondersteunt het idee dat beweging onmogelijk is (telkens door de helft) →
logisch denken versus ervaring; abstracte redeneervaardigheden.
- Protagoras (490–420 v.Chr.): mens is maat van alle dingen; nadruk op praktische
ervaring en menselijk gedrag, niet op speculatie universum. Richtte zich op hoe
mensen denken, handelen en beïnvloed kunnen worden.
Hippocrates (460–370 v.Chr.) wordt gezien als een pionier binnen het presocratische
denken. Hij benaderde menselijke problemen vanuit een medisch-natuurwetenschappelijk
perspectief; natuurlijke verklaring i.p.v. bovennatuurlijk. Hij ontwikkelde de humorale
theorie, waarin gezondheid en ziekte worden verklaard door de balans of onbalans
tussen vier lichaamssappen (humors): bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. Gezondheid
ontstaat bij evenwicht tussen deze sappen. Ziekte ontstaat bij ernstige verstoringen, en
temperament/karakter bij lichte onevenwichtigheden. Bij behandeling benadrukte men
het belang van balans, gematigdheid, beweging, voeding en hygiëne.
Verschuiving van natuur naar psyche
Het begrip psyche, oorspronkelijk: adem (iets wat alleen levende mensen hebben).
Later: ziel en uiteindelijk geest (mind); alle levenden hadden dit, maar de doden misten
het. Vormt het stamwoord voor psychologie en psychiatrie. Filosofen gingen onderzoeken
hoe de psyche menselijk gedrag stuurt. De vroege presocraten richtten zich vooral op de
natuur en haar wetten. Vanaf Heraclitus en Zeno verschuift de aandacht naar abstract
, denken over menselijke ervaring. Met Protagoras komt de nadruk op de menselijke
beleving van de werkelijkheid en stuurbaar gedrag. Hippocrates levert vervolgens een
van de eerste theorieën over menselijk temperament, waarin hij probeerde lichamelijke
processen te koppelen aan psychologische kenmerken.
Het leven en de gedachten van Socrates (470–399 v.Chr.)
Socrates is geboren in Athene, en was zoon van een steenhouwer en midwife. Socrates
werd later ook een steenhouwer en was soldaat. Hij trouwde met Xanthippe, ze kregen
drie zoons – toen Socrates besloot om een docent te worden, was ze niet blij; hierdoor
werd ze het symbool van het stereotype zeurende huisvrouw.
Hij verschilde van de sofisten doordat hij zich richtte op waarheidsvinding en morele
ontwikkeling, niet op praktisch succes. Hij wilde dat zijn leerlingen waardering kregen
voor wat echt en blijvend is = een van zijn bekende studenten was Xenophon. Hiervoor
gebruikte hij de Socratische methode: kennis ontwikkelen door kritische vragen en
dialogen, waarbij leerlingen hun eigen aangeboren vermogen om de waarheid te
ontdekken gebruiken. Zijn bekendste uitspraak luidt: “Ik weet dat ik niets weet/ ik
weet niet hoeveel ik niet weet”, wat het bewustzijn van eigen beperkingen en de
waarde van zelfkennis benadrukt. Socrates stelde dat de psyche onsterfelijk is en
telkens opnieuw wordt geïncarneerd; kennis is aangeboren (nativisme) en kan via
rationeel denken (rationalisme) onthuld worden. Bij elke wedergeboorte wordt
opgebouwde kennis vergeten, maar onder bepaalde omstandigheden kan deze weer
herinnerd worden. Een voorbeeld van zijn methode vond plaats op de Agora in Athene.
Een jongen beweerde te weten wat rechtvaardigheid is. Socrates stelde vragen zoals:
“Wat bedoel je precies met rechtvaardigheid?” en “Betekent eerlijk zijn altijd hetzelfde
behandelen van mensen?” Door deze vragen en subtiele hints ontdekte de jongen zelf
dat zijn kennis beperkt was en dat hij nog niet volledig begreep wat rechtvaardigheid
betekent. Dit illustreert Socrates’ kernidee: bewustwording van eigen onwetendheid
leidt tot zelfkennis. Volgens Socrates ontstaat wijsheid niet door zintuiglijke ervaring,
maar door zelfkennis en rationeel denken. Hij schreef niets op, omdat hij vond dat
geschreven kennis het echte denken verzwakt. Uiteindelijk werd Socrates ter dood
veroordeeld wegens het ondermijnen van de jeugd en goddeloosheid.
Het leven en de filosofie van Plato (427–347 v.Chr.)
Plato was een leerling van Socrates; legde diens ideeën vast in Socratische dialogen en
ontwikkelde eigen filosofie. Hij onderzocht welke kennis aangeboren is in de menselijke
psyche en hoe deze aangeboren kennis zich verhoudt tot zintuiglijke ervaringen. Zijn
centraal idee was Platonisch idealisme – de zichtbare wereld is een afspiegeling van
een hogere wereld van ideale vormen. Hij maakte onderscheid tussen:
- Verschijningsvormen: de zintuiglijke, empirische wereld (mensen, bomen, stoelen)
– wat je ziet, hoort of voelt. Vluchtig, veranderlijk en nooit perfect.
- Ideale vormen (Forms): hogere, onzichtbare wereld van perfecte concepten of
essenties; bv een perfecte cirkel of stoel. Deze vormen zijn blijvend en onveranderlijk,
de echte werkelijkheid.
Alles wat we met onze zintuigen zien, is volgens Plato slechts een schaduw of
afspiegeling van deze perfecte vormen. De perfecte vorm van een boom “bestaat” echt,
maar de bomen die wij zien, zijn altijd imperfecte kopieën. Bv: je ziet een stoel. Die stoel
kan kapot gaan, verkleuren, of verdwijnen. De “Ideale Stoel” is het concept van een stoel:
altijd volledig functioneel, perfect gevormd. Dit idee van stoel is volgens Plato
belangrijker dan de stoel zelf.
Hij illustreerde dit in de allegorie van de grot: mensen zien slechts schaduwen van de
werkelijkheid (verschijningsvormen), de echte werkelijkheid ligt buiten de grot (ideale
vormen), en wie echte kennis ontdekt, stuit vaak op onbegrip en weerstand. De allegorie
laat zien dat echte kennis moeite kost en dat mensen vaak vasthouden aan schijnbare
zekerheden.
Ook stelde Plato dat de menselijke psyche uit drie basiscomponenten bestaat (in
vaste verhouding):
- Appetites: lichamelijke behoeften – leidt tot de massa mensen
- Moed: daadkracht en strijdlust – leidt tot beschermers en soldaten