Thema 4 | Transport
Basisstof 1: Transportsystemen
Eencellige of enkele cellagen organismen: transport van stoffen vindt plaats over
kleine afstanden. Het transport vindt dan onder andere plaats door diffusie.
Grotere planten en dieren: hebben voor het transport van stoffen een vatenstelsel
dat bestaat uit een netwerk van buisjes → Bij dieren is dit transport circulair en
voorzien van een pomp (het hart) → bij planten vindt het transport plaats in twee
richtingen e zijn vooral capillaire werking en verdamping de drijvende krachten.
Transport over grote afstanden:
Anorganische (opwaartse) sapstroom door houtvaten (mineralen opgelost in water).
Organische sapstroom door bastvaten (assimilatieproducten opgelost in water).
Transport door houtvaten dankzij drie krachten:
Worteldruk ontstaat door actief transport door endodermiscellen en osmotische
werking van mineralen in de houtvaten.
Door capillaire werking van de houtvaten wordt het water omhooggetrokken.
Door verdamping van water wordt water aangezogen uit de houtvaten (via de
nerven).
Transport door bastvaten:
Bastvaten vervoeren water en assimilatieproducten vanuit de bladeren naar alle
delen van de plant.
In de vaatbundels in stengels liggen bastvaten aan de buitenkant, in de nerven in
bladeren aan de onderkant.
Bouw van transportsystemen:
Eencelligen en dieren die uit enkele cellagen bestaan, kennen alleen transport door
diffusie.
Grotere dieren: open of gesloten circulatiesysteem.
Bij bloedvatenstelsels worden lichaamsvloeistof en bloedplasma onderscheiden.
Bloedsomloop: enkel of dubbel, een of meer harten.
Circulatiesystemen zorgen voor een homogeen intern milieu door:
Het transport van stoffen tussen intern en extern milieu (o.a. bouw-, brand- en
afvalstoffen).
Het transport van signaalstoffen (hormonen) tussen delen van het organisme.
Het transport van bestanddelen van het afweersysteem.
Verdeling van warmte over het lichaam.
Basisstof 2: Het hart
De bouw van het hart
, Hart: een holle spier die energie verbruikt. Het hart is een dubbele pomp en ligt in de
borstkas, iets naar links onder het borstbeen.
Rechterboezem: ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader
en voert dit door naar de rechterkamer. Het heeft een weinig gespierde wand.
Rechterkamer: pompt zuurstofarm bloed in de longslagader(s). Het heeft een
gespierde wand.
Linkerboezem: ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de
linkerkamer. Het heeft een weinig gespierde wand.
Linkerkamer: pompt zuurstofrijk bloed in de aorta. Het heeft een gespierde wand.
Harttussenwand: scheidt de linker- en rechterharthelft.
Hartkleppen: verhinderen terugstromen van het bloed van kamers naar boezems.
Halvemaanvormige kleppen: verhinderen het terugstromen van bloed van
longslagader(s) en aorta naar de kamers.
Kransslagaders: hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier.
Kransaders: hierdoor stroomt zuurstofarm bloed weg uit de hartspier.
De werking van het hart
Samentrekking (systole) van de boezems:
De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af.
Basisstof 1: Transportsystemen
Eencellige of enkele cellagen organismen: transport van stoffen vindt plaats over
kleine afstanden. Het transport vindt dan onder andere plaats door diffusie.
Grotere planten en dieren: hebben voor het transport van stoffen een vatenstelsel
dat bestaat uit een netwerk van buisjes → Bij dieren is dit transport circulair en
voorzien van een pomp (het hart) → bij planten vindt het transport plaats in twee
richtingen e zijn vooral capillaire werking en verdamping de drijvende krachten.
Transport over grote afstanden:
Anorganische (opwaartse) sapstroom door houtvaten (mineralen opgelost in water).
Organische sapstroom door bastvaten (assimilatieproducten opgelost in water).
Transport door houtvaten dankzij drie krachten:
Worteldruk ontstaat door actief transport door endodermiscellen en osmotische
werking van mineralen in de houtvaten.
Door capillaire werking van de houtvaten wordt het water omhooggetrokken.
Door verdamping van water wordt water aangezogen uit de houtvaten (via de
nerven).
Transport door bastvaten:
Bastvaten vervoeren water en assimilatieproducten vanuit de bladeren naar alle
delen van de plant.
In de vaatbundels in stengels liggen bastvaten aan de buitenkant, in de nerven in
bladeren aan de onderkant.
Bouw van transportsystemen:
Eencelligen en dieren die uit enkele cellagen bestaan, kennen alleen transport door
diffusie.
Grotere dieren: open of gesloten circulatiesysteem.
Bij bloedvatenstelsels worden lichaamsvloeistof en bloedplasma onderscheiden.
Bloedsomloop: enkel of dubbel, een of meer harten.
Circulatiesystemen zorgen voor een homogeen intern milieu door:
Het transport van stoffen tussen intern en extern milieu (o.a. bouw-, brand- en
afvalstoffen).
Het transport van signaalstoffen (hormonen) tussen delen van het organisme.
Het transport van bestanddelen van het afweersysteem.
Verdeling van warmte over het lichaam.
Basisstof 2: Het hart
De bouw van het hart
, Hart: een holle spier die energie verbruikt. Het hart is een dubbele pomp en ligt in de
borstkas, iets naar links onder het borstbeen.
Rechterboezem: ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader
en voert dit door naar de rechterkamer. Het heeft een weinig gespierde wand.
Rechterkamer: pompt zuurstofarm bloed in de longslagader(s). Het heeft een
gespierde wand.
Linkerboezem: ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de
linkerkamer. Het heeft een weinig gespierde wand.
Linkerkamer: pompt zuurstofrijk bloed in de aorta. Het heeft een gespierde wand.
Harttussenwand: scheidt de linker- en rechterharthelft.
Hartkleppen: verhinderen terugstromen van het bloed van kamers naar boezems.
Halvemaanvormige kleppen: verhinderen het terugstromen van bloed van
longslagader(s) en aorta naar de kamers.
Kransslagaders: hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier.
Kransaders: hierdoor stroomt zuurstofarm bloed weg uit de hartspier.
De werking van het hart
Samentrekking (systole) van de boezems:
De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af.