Fysiologie verteringsstelsel
Module PPRO13
Leerjaar 1
Anouk Sjoers
,Inhoudsopgave
Les 1: Biochemie algemeen........................................................................................................... 3
Les 2: Gebit & keel ........................................................................................................................ 6
Les 3: de maag .............................................................................................................................. 9
Les 4: de darmen ......................................................................................................................... 12
Les 5: alvleesklier, lever en galblaas ............................................................................................. 14
Vertering algemeen ..................................................................................................................... 17
Vertering van koolhydraten .......................................................................................................... 18
Vertering van eiwitten .................................................................................................................. 18
Vertering van vetten ..................................................................................................................... 18
Les 6: Blinde darm, dikke darm & endeldarm ................................................................................ 19
Les 8: Pathologie - diarree ............................................................................................................ 20
Les 10: Fysiologie van de stofwisseling ......................................................................................... 22
Suikerstofwisseling .........................................................................................................................22
Eiwitstofwisseling ...........................................................................................................................24
Vetstofwisseling ..............................................................................................................................25
Les 11 & 12: Mini lessen ............................................................................................................... 26
Rund ..............................................................................................................................................26
Varken ............................................................................................................................................27
Kikker .............................................................................................................................................27
Goudvis ..........................................................................................................................................27
Kip .................................................................................................................................................29
Schildpad .......................................................................................................................................30
Paard .............................................................................................................................................31
Les 13: Vertering konijn & knaagdieren .......................................................................................... 32
Les 14: Voedingsfouten konijn & knaagdieren ................................................................................ 35
Handige plaatjes ......................................................................................................................... 37
................................................................................................................................................... 37
Anouk Sjoers 2
,Les 1: Biochemie algemeen
Fysiologie: kennis van het functioneren van gezonde weefsels en de samenwerking.
Pathofysiologie: kennis van het functioneren van zieke weefsels en de samenwerking.
Voedingsmiddel: bevat voedingsstoCen om in het leven te blijven.
Kanaal/tractus: buis van bek à anus waar het voedsel doorheen passeert.
Tractus digestivus = gastro intestinal tract
Maagdarmstelsel = digestiekanaal + hulporganen (bijv. alvleesklier).
Manieren van voedsel opnemen:
1. Filter voeding: voeding uit iets ‘filteren’.
2. Bulk voeding: grote hoeveelheden.
3. Substraat voeding: eet zich een ‘weg’ door het voedsel heen.
4. Vloeibare voeding: vloeibaar à voedingsstoCen opnemen.
Nutriënt: opneembare vorm van een voedingsstof die door darmwandcellen kan worden
opgenomen à komt in bloedbaan à in weefsels à verbrand/gebruiken.
Katalysatoren: betekent dat enzymen de reactie versnellen, zonder verbruikt te worden.
Enzymen: eiwitten die moleculen kunnen opbouwen & afbreken. Ze worden niet verbruikt en zijn
reactie specifiek (ruimtelijke structuur bepaald of de 2 stoCen ‘passen’ à sleutel-slotprincipe).
• Genoemd naar de stof die ze splitsen/reactie beïnvloeden
• Lipase splitst lipide (= vet), amylase splitst amylum (= zetmeel) & proteïnase splitsen
proteïnen (= eiwit)
Substraat: stof die gesplitst wordt door enzym, dit wordt wel verbruikt. Na de chemische reactie
is de oorspronkelijke stof er niet meer, maar zijn er 2 reststoCen ontstaan.
Enzymen en substraten komen bij elkaar door à bewegingen & botsingen.
Snelheid van dit proces door:
1. Zuurgraadspecifiek (= neutraal)
2. Temperatuurspecifiek
3. Optimumtemperatuurspecifiek
Enzymen zijn reactie specifiek à 1 specifieke reactie wordt gekatalyseerd
Te LAGE temperatuur = weinig botsing/beweging tussen enzymen en substraat à geen reactie.
Optimale temperatuur = beste kunnen werken, zonder vervorming.
Te HOGE temperatuur = botsingen te hard à denaturatie = vervorming enzymen.
• Waarom zie je de pH dalen als je lipase toevoegt aan melk?
Lipase hydrolyseert melkvet in vetzuren en glycerol
Anouk Sjoers 3
, Manieren van verteren:
1. Mechanische vertering: klein maken van grove voedseldelen naar fijn.
• Bijten/scheuren
• (Her)kauwen
• Fijnmalen door wrijving in spiermaag (vogel) à steentjes
• Kneden à mengen verteringssappen
2. Enzymatische vertering: d.m.v. chemische reactie met enzymen (eiwit) wordt eten
kleiner gemaakt.
• Bij mensen en varkens = in mond (koolhydraten)
• Bij andere dieren = in maag en dunne darm
• Voeding afgebroken à ingrediënt à nutriënt à opname in darmwand
3. Microbiële fermentatie: afbraak van biologische materialen, met behulp van bacteriën,
celculturen of schimmels. In afwezigheid van zuurstof = anaeroob. Dit gebeurt o.a. in de
blinde darm (appendix).
Fermentatie van plantaardig materiaal bevat cellulose. Dit kunnen wij niet zelf afbreken, maar
wordt verteerd door bacteriën, cellen of schimmels.
• Onverteerbare voedingsdelenà bacteriën breekt af à benutbare bestandsdelen à
enzymatische vertering à opname in bloed (goed genoeg afgebroken)
Carnivoor: eet goed verteerbaar dierlijk materiaal, nauwelijks plantaardig materiaal.
• Vertering eigen enzymen
Omnivoor: eet plantaardig & dierlijk materiaal.
• Goed kauwen om cellulose celwand kapot te maken à voedingsstoCen in plantcellen
verteren met eigen enzymen
Herbivoor: eet plantaardig materiaal wat veel cellulose bevat en moet alle voeding ‘gebruiken’.
• Naast inhoud plantencel ook celwand benutten à veel fermentatie = alle ruimte nodig
voor bacteriën
A = hond
B = paard
C = koe
Koe/geit hebben 3 voormagen en 1 ‘echte’ maag = voormaagverteerder à herkauwen & pens
vertering.
Paarden/konijnen/knaagdieren zijn caecumvertering (blinde darm) = achterdarmverteerder.
Vertering komt door fermentatie: afbraak van cellulose met hulp van
à Bacteriën/schimmels/protozoa
De 6 belangrijkste voedingsstoLen:
Koolhydraten, eiwitten, vetten, water, mineralen en vitamines
Anouk Sjoers 4
Module PPRO13
Leerjaar 1
Anouk Sjoers
,Inhoudsopgave
Les 1: Biochemie algemeen........................................................................................................... 3
Les 2: Gebit & keel ........................................................................................................................ 6
Les 3: de maag .............................................................................................................................. 9
Les 4: de darmen ......................................................................................................................... 12
Les 5: alvleesklier, lever en galblaas ............................................................................................. 14
Vertering algemeen ..................................................................................................................... 17
Vertering van koolhydraten .......................................................................................................... 18
Vertering van eiwitten .................................................................................................................. 18
Vertering van vetten ..................................................................................................................... 18
Les 6: Blinde darm, dikke darm & endeldarm ................................................................................ 19
Les 8: Pathologie - diarree ............................................................................................................ 20
Les 10: Fysiologie van de stofwisseling ......................................................................................... 22
Suikerstofwisseling .........................................................................................................................22
Eiwitstofwisseling ...........................................................................................................................24
Vetstofwisseling ..............................................................................................................................25
Les 11 & 12: Mini lessen ............................................................................................................... 26
Rund ..............................................................................................................................................26
Varken ............................................................................................................................................27
Kikker .............................................................................................................................................27
Goudvis ..........................................................................................................................................27
Kip .................................................................................................................................................29
Schildpad .......................................................................................................................................30
Paard .............................................................................................................................................31
Les 13: Vertering konijn & knaagdieren .......................................................................................... 32
Les 14: Voedingsfouten konijn & knaagdieren ................................................................................ 35
Handige plaatjes ......................................................................................................................... 37
................................................................................................................................................... 37
Anouk Sjoers 2
,Les 1: Biochemie algemeen
Fysiologie: kennis van het functioneren van gezonde weefsels en de samenwerking.
Pathofysiologie: kennis van het functioneren van zieke weefsels en de samenwerking.
Voedingsmiddel: bevat voedingsstoCen om in het leven te blijven.
Kanaal/tractus: buis van bek à anus waar het voedsel doorheen passeert.
Tractus digestivus = gastro intestinal tract
Maagdarmstelsel = digestiekanaal + hulporganen (bijv. alvleesklier).
Manieren van voedsel opnemen:
1. Filter voeding: voeding uit iets ‘filteren’.
2. Bulk voeding: grote hoeveelheden.
3. Substraat voeding: eet zich een ‘weg’ door het voedsel heen.
4. Vloeibare voeding: vloeibaar à voedingsstoCen opnemen.
Nutriënt: opneembare vorm van een voedingsstof die door darmwandcellen kan worden
opgenomen à komt in bloedbaan à in weefsels à verbrand/gebruiken.
Katalysatoren: betekent dat enzymen de reactie versnellen, zonder verbruikt te worden.
Enzymen: eiwitten die moleculen kunnen opbouwen & afbreken. Ze worden niet verbruikt en zijn
reactie specifiek (ruimtelijke structuur bepaald of de 2 stoCen ‘passen’ à sleutel-slotprincipe).
• Genoemd naar de stof die ze splitsen/reactie beïnvloeden
• Lipase splitst lipide (= vet), amylase splitst amylum (= zetmeel) & proteïnase splitsen
proteïnen (= eiwit)
Substraat: stof die gesplitst wordt door enzym, dit wordt wel verbruikt. Na de chemische reactie
is de oorspronkelijke stof er niet meer, maar zijn er 2 reststoCen ontstaan.
Enzymen en substraten komen bij elkaar door à bewegingen & botsingen.
Snelheid van dit proces door:
1. Zuurgraadspecifiek (= neutraal)
2. Temperatuurspecifiek
3. Optimumtemperatuurspecifiek
Enzymen zijn reactie specifiek à 1 specifieke reactie wordt gekatalyseerd
Te LAGE temperatuur = weinig botsing/beweging tussen enzymen en substraat à geen reactie.
Optimale temperatuur = beste kunnen werken, zonder vervorming.
Te HOGE temperatuur = botsingen te hard à denaturatie = vervorming enzymen.
• Waarom zie je de pH dalen als je lipase toevoegt aan melk?
Lipase hydrolyseert melkvet in vetzuren en glycerol
Anouk Sjoers 3
, Manieren van verteren:
1. Mechanische vertering: klein maken van grove voedseldelen naar fijn.
• Bijten/scheuren
• (Her)kauwen
• Fijnmalen door wrijving in spiermaag (vogel) à steentjes
• Kneden à mengen verteringssappen
2. Enzymatische vertering: d.m.v. chemische reactie met enzymen (eiwit) wordt eten
kleiner gemaakt.
• Bij mensen en varkens = in mond (koolhydraten)
• Bij andere dieren = in maag en dunne darm
• Voeding afgebroken à ingrediënt à nutriënt à opname in darmwand
3. Microbiële fermentatie: afbraak van biologische materialen, met behulp van bacteriën,
celculturen of schimmels. In afwezigheid van zuurstof = anaeroob. Dit gebeurt o.a. in de
blinde darm (appendix).
Fermentatie van plantaardig materiaal bevat cellulose. Dit kunnen wij niet zelf afbreken, maar
wordt verteerd door bacteriën, cellen of schimmels.
• Onverteerbare voedingsdelenà bacteriën breekt af à benutbare bestandsdelen à
enzymatische vertering à opname in bloed (goed genoeg afgebroken)
Carnivoor: eet goed verteerbaar dierlijk materiaal, nauwelijks plantaardig materiaal.
• Vertering eigen enzymen
Omnivoor: eet plantaardig & dierlijk materiaal.
• Goed kauwen om cellulose celwand kapot te maken à voedingsstoCen in plantcellen
verteren met eigen enzymen
Herbivoor: eet plantaardig materiaal wat veel cellulose bevat en moet alle voeding ‘gebruiken’.
• Naast inhoud plantencel ook celwand benutten à veel fermentatie = alle ruimte nodig
voor bacteriën
A = hond
B = paard
C = koe
Koe/geit hebben 3 voormagen en 1 ‘echte’ maag = voormaagverteerder à herkauwen & pens
vertering.
Paarden/konijnen/knaagdieren zijn caecumvertering (blinde darm) = achterdarmverteerder.
Vertering komt door fermentatie: afbraak van cellulose met hulp van
à Bacteriën/schimmels/protozoa
De 6 belangrijkste voedingsstoLen:
Koolhydraten, eiwitten, vetten, water, mineralen en vitamines
Anouk Sjoers 4