Ontwikkelingspsychologie gaat over de ontwikkeling van kinderen. We kijken hierbij naar
leeftijdsfases en ontwikkelingsgebieden.
Leeftijdsfases: De grenzen van de leeftijdsfases zijn niet zo vaststaand als in het schema.
Alleen van de prenatale periode naar baby is een exacte verandering. Bij de adolescentie kan het
vooral verschillen wanneer de verandering plaatsvindt.
- Prenatale periode → conceptie-geboorte
- Baby → 0/2 jaar
- Peuter → 2/4 jaar
- Kleuter → 4/6 jaar
- Schoolkind → 6/12 jaar
- Adolescent → 12-23 jaar
o Vroeg: 12
o Midden: 15
o Laat: 18
Ontwikkelingsgebieden:
- Motorisch → Het gaat vooral over de ontwikkeling van het lichaam en het aanleren van
bepaalde bewegingspatronen. Het gaat ook over de ontwikkeling van zintuigen.
- Cognitief → Het gaat vooral over de denkprocessen en alles wat in het hoofd gebeurt.
Hoe komt alle informatie van de wereld naar binnen? Hoe wordt deze informatie verwerkt
naar gedrag? Het gaat over waarnemen, verwerken en onthouden van informatie. Het
gaat ook over taalontwikkeling en creativiteit.
- Sociaal → Hoe zie je jezelf in relatie tot anderen? Het is er op gebied van emotionele
ontwikkeling, morele ontwikkeling (goed/fout?) en identiteitsontwikkeling.
Nature vs nurture
Welk gedrag is aangeboren en welk gedrag is aangeleerd? Vroeger werd er gedacht dat het
nature of nurture is. Tegenwoordig blijkt dat er vaker sprake is van een combinatie van beiden.
Intelligentie: bij intelligentie is er een combinatie van beiden
(multifactoriële overerving). Er is zelfs een sterke relatie tussen de
genen en het uiteindelijke IQ. De invloed van de genen neemt steeds
meer toe gedurende het leven. Dat komt doordat ouders steeds minder
invloed uitoefenen hoe ouder het kind wordt.
- Duidelijke relatie tussen genen en IQ
- Invloed van genen neemt toe gedurende het leven
- Daarnaast is er een sterke invloed van omgevingsfactoren
Persoonlijkheid: bij persoonlijkheid is de Big Five een belangrijke
vragenlijst. Er zijn 5 verschillende aspecten hierbij (ocean).
Consciëntieusheid = zorgvuldigheid. Neuroticisme = weinig emotionele
stabiliteit en veel wisselingen.
- Big Five → genetische invloed van extraversie en neuroticisme
- Invloed van omgeving, bijvoorbeeld ouders
,Verband genen en gedrag
- Aangeboren, maar aangepast door evolutie
- Darwin, natuurlijke selectie en adaptieve kenmerken
Eigenschappen van soorten zijn gevolgen van natuurlijke selectie door aangepaste
eigenschappen. Het is een proces van jaren waarbij de positieve eigenschappen blijven bestaan.
De negatieve eigenschappen verdwijnen steeds meer. De eigenschappen die we overhouden
aan de evolutie noemen we adaptieve kenmerken.
Genotype: genen van vader en moeder
Fenotype: waarneembare kenmerken (fysiek en gedrag). Het fenotype is als het ware een gevolg
van je genotype (bouwtekening).
Erfelijkheid en omgeving
Multifactoriële overerving: genotype is marge waarbinnen fenotype zich kan manifesteren. Het
genotype geeft dus het bereik aan (je kunt je ontwikkelen tot → je kan op school havo aan),
afhankelijk van de omgevingsfactoren zou het ook hoger kunnen zijn. Een betere en rijke
omgeving zorgt ervoor dat de bovenkant van het bereik behaald wordt (fenotype).
Combinatie van genen en omgevingsinvloeden die uiteindelijk bepaalde eigenschappen
als gevolg hebben.
Genotype-omgevingseffecten gaan over de wisselwerking tussen genen en omgeving:
- Actief → kind richt zich op omgeving die bij genen past (extravert kind eerder naar
feestjes). Kind zoekt bepaalde activiteiten op, omdat het past bij de genen.
- Passief → genen ouders (sportief) zullen kind eerder op voetbal doen. De invloed die de
genen van de ouders heeft op de omgeving van het kind.
- Evocatief (oproepen)→ genen van kind roepen bepaalde omgeving op (een extravert kind
wordt ook eerder op feestjes uitgenodigd). Het gedrag wat het kind bij anderen oproept.
Babytijd: groei van het lichaam
Leeftijd Gemiddelde lengte Gemiddeld gewicht
0 jaar 50 cm 3,5 kilo
1 jaar 75 cm 10 kilo
2 jaar 90 cm 12-13 kilo
6 jaar 117 cm 20 kilo
Motorische ontwikkeling
- Reflexen → aangeboren, gestructureerde, onvrijwillige (automatische) responsen die
optreden in de aanwezigheid van bepaalde stimuli (prikkels)
Sommige reflexen blijven het hele leven (pupilreflex, ooglidreflex), anderen verdwijnen in het
eerste levensjaar
- Basis voor latere meer complexe gedragspatronen. De reflexen zijn er om te overleven.
Bijvoorbeeld drinken wanneer een baby de fles krijgt.
, - Baby reacties te zwak, te sterk of te lang aanwezig? Mogelijk neurologische schade (bijv.
Syndroom van Down)
Reflexen uit boek kennen!! Voorbeelden van reflexen: Zuigreflex → 3 weken. Moro reflex (vallen)
→ 6 maanden. Babinski reflex (voet) → 8-12 maanden
- Grove motoriek is grote gebaren dichtbij de romp (kruipen, lopen, rennen, fietsen).
- Fijne motoriek is kleine bewegingen van handen en vingers (grijpen, pen vasthouden) en
mijlpalen
- Normen. Gebruik ontwikkelingsnormen om te bepalen wat normaal is, maar grote
individuele verschillen zijn normaal
Deze schema’s komen tot stand met gemiddelden. De individuele verschillen tussen kinderen
zijn enorm groot.
Motorische mijlpalen: klassiek schema
Dynamische systeemtheorie = hoe kan het dat het kind steeds van ontwikkeling naar
ontwikkeling gaat? Je kan het kind zien als een complex systeem met verschillende onderdelen
, die zich in samenhang met elkaar ontwikkelen. Door verkenning van de omgeving komt het kind
steeds weer nieuwe uitdagingen tegenkomt waarbij er ontwikkeling nodig is.
Dit is een handelingslandschap. Het laat zien dat het kind al verschillende dingen kan qua
beweging. Het kind is het balletje in het schema. Hoe dieper de kuil, hoe sterker de voorkeur
voor het type gedrag.
Motorisch gedrag is samengesteld uit:
- Spieren
- Zenuwstelsel
- Waarnemingsvermogen
- Motivatie
Verkenning van de omgeving leidt tot nieuwe uitdagingen.
Zintuigelijke ontwikkeling
- Sensatie → prikkels van zintuigen
- Perceptie → interpretatie van waarneming. Het gaat over hoe de sensatie wordt
geïnterpreteerd.
Sensatie en perceptie ontwikkelen al voor de geboorte.
Prenataal: zien (licht/donker), horen (stem/hart), proeven (vruchtwater), tastzin (gevoelig voor
aanrakingen).
Geboorte: alle zintuigen werken, maar nog niet op niveau van een volwassene
Visuele zintuig (zien)
Visuele scherpte
- Geboorte: bijziend (20-30 cm)
- Baby ziet scherpe contrasten
- Voorkeur voor meer complexe stimuli
- Aangeboren: voorkeur voor menselijke gezichten
- Na paar uur: voorkeur voor gezicht van moeder
- 6-9 maanden: mensengezichten steeds beter van elkaar onderscheiden