Hoorcollege 1, inleiding in de gezinspedagogiek
Inleiding gezinspedagogiek
Gezinspedagogiek: in de gezinspedagogiek kijken we naar de ‘normale’ ontwikkeling van
kinderen in verschillende specifieke opvoedingscontexten (binnen en buiten gezin)
‘Normaal’ verschilt per cultuur en verandert door de tijd heen.
Veranderingen door de tijd heen:
- Samenstelling van gezin
o Traditioneel gezin naar eenoudergezinnen, samengestelde gezinnen,
pleeggezinnen…
- Opvoedtrends
o Gentle parenting, attachment parenting, curlingouderschap, tradwives…
- Grote rol van sociale media
o We leven in een ‘influencertijdperk’, waardoor het voor ouders moeilijk is om te
bepalen wat een goede opvoeding is en welke manieren er handig zijn.
Culturele verschillen:
- Opvoeding kent culturele verschillen
o Voorbeeld: geïsoleerde gemeenschap in Congo met jagers-verzamelaars waar
baby’s wel 14 verschillende verzorgers hebben
Door de culturele verschillen kan je heroverwegen of de opvoedingsnormen van de eigen cultuur
wel goed zijn.
- Impact van opvoeding kent culturele verschillen
o Voorbeeld: fysiek disciplineren zorgt bij Europees-Amerikaanse gezinnen meer
externaliserende (agressie) problemen bij kinderen dan bij Afro-Amerikaanse
gezinnen. Het effect van fysiek disciplineren lijkt vooral door context te komen en
de manier van inzetten.
o Bij Europees-Amerikaanse gezinnen werd de tik gebruikt als laatste mogelijkheid
en stonden de ouders er vaak niet achter. Bij Afro-Amerikaanse gezinnen was het
een normaal opvoedingsmiddel en werd er uitleg gegeven aan de kinderen over
waarom het nodig was.
Relevantie voor pedagogen:
- Opvoedstress bij ouders
o Individualistische(re) samenleving, dus ouders zijn meer op zichzelf gericht
o Sociale media diagnoses
- Lange wachtlijsten, hoge werkdruk jeugdhulp
- Superdiverse samenleving: grotere variatie
- Normaliseren vs. problematiseren
o Leren om te normaliseren (variatie op het normale) en ook wel problemen
herkennen
De eerste 1000 dagen
,De eerste 1000 dagen geldt vanaf 10 maanden voor de geboorte tot 2 jaar/24 maanden. We
hebben het over 10 maanden, omdat de laatste menstruatie dan begint en de stress bij de
voorbereiding op een zwangerschap.
Kansenongelijkheid begint al in de baarmoeder. Armoede zorgt bijvoorbeeld vaker voor een
vroeggeboorte met een laag geboortegewicht.
Er wordt gezegd: ‘hoe slechter de basis, hoe
groter de kans op latere problemen.’ De
positieve kant is andersom: ‘hoe beter de
basis, hoe groter de kans op een gezond
leven.’ Deze basis is zo belangrijk, omdat de
kritieke periodes anders niet bereikt worden.
Kritieke periodes: periodes waarin specifieke
ontwikkeling moet plaatsvinden, omdat het
anders niet meer lukt.
Op vier gebieden kan je zien waarom de eerste 1000 dagen zo belangrijk zijn:
1. Brein
Bij een baby worden een miljoen hersenverbindingen gemaakt per seconde in de eerste 18
maanden. Deze verbindingen vormen de basis voor latere verbindingen, die we nu veel
gebruiken. Bij het maken van de hersenverbindingen is het belangrijk of ze worden gebruikt. De
hersenverbindingen die worden gebruikt, blijven bestaan. De verbindingen die niet worden
gebruikt, verdwijnen (use it or lose it, Chinese baby’s).
Om deze verbindingen kunnen aan te leggen, is het belangrijk dat er een stabiele, zorgzame en
interactieve relatie mogelijk is (gehechtheidsrelatie).
Hoe ouder je wordt, hoe moeilijker het wordt om nieuwe hersenverbindingen aan te leggen. Het
gaat veel meer moeite kosten om veranderingen aan te brengen in de hersenen. Het
overheidsbeleid wordt hier steeds meer op gebaseerd. Het is dus op jonge leeftijd veel
‘goedkoper’ om sterke hersenverbindingen te vormen.
Preventie is beter dan interventie (problemen verminderen/oplossen)
2. Regulatie
Regulatie: het ervaren, herkennen en doseren van sensaties, belevingen en affecten van de
ander en jezelf. Je kunt je emoties herkennen, voelen en je weet hoe je ermee om moet gaan.
, Je leert reguleren in contact met andere mensen (co-regulatie). Doordat je samen reguleert, leer
je ook hoe je je eigen emoties moet reguleren. Er is een balans tussen ontwikkelen en
verwerken. De herhaling helpt en zorgt dat er emotieschema’s worden ontwikkeld. Opnieuw is er
dus weer een stabiele band met de opvoeder nodig.
Wat als co-regulatie niet lukt? Denk aan het filmpje van de aandacht die de moeder gaf aan het
kind en wat er gebeurde toen het kind geen aandacht kreeg. Wanneer dit vaker voorkomt, zullen
de kinderen leren dat het vragen om aandacht toch niet helpt en belemmert de relatie.
3. Relaties
Kwaliteit en stabiliteit in de eerste 1000 dagen legt een basis voor later. De relatie heeft een
positieve invloed op de sociale, cognitieve en emotionele ontwikkeling. Er is opnieuw weer een
gehechtheidsrelatie nodig.
4. Stress
Stress is niet altijd slecht. Er is: positieve stress (stress met functie), hanteerbare stress (stress
niet nodig, maar wel te reguleren) en toxische stress (slechte band met opvoeders wat zorgt voor
latere problemen.
Overheidsbeleid
Hoe beter de basis, hoe groter de kans op een gezond leven. Er is daarvoor steeds meer
aandacht in het overheidsbeleid, bijvoorbeeld het actieprogramma Kansrijke Start. Preventie
zorgt namelijk voor kostenbesparing. De professionals en informeel netwerk ondersteunen de
(aanstaande) ouders optimaal.
Het overheidsbeleid is gebaseerd op het balansmodel:
Balansmodel
- Risicofactoren: wat brengt die goede basis mogelijk in gevaar?
- Beschermende factoren: wat draagt juist bij aan een goede basis (beschermt een kind
tegen de risicofactoren)?
Mogelijke risicofactoren in de eerste 1000 dagen:
- Ongezonde leefstijl
- Psychische problemen en/of een licht verstandelijke beperking
- Lage SES
- Eenouder- of samengesteld gezin
- Huiselijk geweld
- Stress
- Laaggeletterdheid
- Fysieke en/of medische problemen
- Specifieke kind factoren
Mogelijke beschermende factoren in de eerste 1000 dagen:
- Veilige hechting
- Veerkracht
- Opvoedvaardigheden
- Hulp kunnen vragen en accepteren