- De inhoud van het online actualiteitencollege behoort niet tot de verplichte studiestof.
- De inhoud van de leereenheden 1-2 (Rechtsstaat en het Nederlands parlementair stelsel) behoren evenals
de bijbehorende literatuur niet tot de verplichte studiestof. Dat betekent dat over het Staatsrechtelijke deel
van dit vak op het tentamen geen vragen worden gesteld.
In de moderne rechtsstaat geldt: vrijheid is de hoofdregel, beperking is de uitzondering.
Omdat beperkingen op vrijheid duidelijk, zeker en begrensd moeten zijn, moet zij in de wet
zijn vastgelegd:
➔ Alleen de wet kan de individuele vrijheid beperken.
➔ Ongeschreven recht biedt daarvoor te weinig zekerheid en laat te veel ruimte over voor
willekeur. Dit leidt tot het:
Legaliteitsbeginsel:
De overheid mag alleen ingrijpen in vrijheden wanneer daarvoor een wettelijke grondslag
bestaat.
➔ Het legaliteitsbeginsel moet worden aangevuld met andere rechtstatelijke beginselen,
zoals: machtenscheiding, grondrechten, rechterlijke controle.
Scheiding der machten (Trias Politica):
De staatsmacht wordt gesplitst in drie functies:
1. Wetgevende macht:
➔ Maakt algemene regels en het belangrijkste nieuwe recht (o.a. Burgerlijk recht en
strafrecht);
2. Uitvoerende macht (bestuur):
➔ Voert wetten uit;
➔ Aan het recht verbonden én alleen bevoegd op basis van de wet (legaliteitsbeginsel);
3. Rechterlijke macht:
➔ Past het recht toe in concrete geschillen;
➔ Gebonden aan het recht.
❗Let op: een zuivere machtenscheiding bestaat niet. De regering is zowel uitvoerend als
medewetgevend. Wél staat de grondgedachte centraal dat:
“Macht moet verspreid en gecontroleerd zijn om willekeur te voorkomen.”
Dit gebeurt vooral door: checks and balances en decentralisatie.
Primaat van het individu:
In de liberale rechtsstaat staat het individu en zijn autonomie centraal. De staat bestaat niet
om zijn eigen doelen na te streven, maar om de vrijheid van individuen te beschermen.
1
,Dienende en neutrale staat:
De staat:
➔ Heeft geen eigen belang;
➔ Mag niet voorschrijven wat het goede leven is;
➔ Moet levensbeschouwelijk neutraal zijn (non-identificatiebeginsel);
➔ Moet ruimte laten voor ieders eigen definitie van geluk (persuit of happiness).
Alleen zo kan iedere burger vrij zijn in overtuigingen, leefwijze en keuzes.
Grondrechten als bescherming van de individuele vrijheid:
Omdat vrijheid de hoofdregel is:
• Hoeft het individu zijn gebruik van een grondrecht niet te rechtvaardigen;
• Moet beperking juist wel worden gerechtvaardigd.
Een beperking is alleen toegestaan als:
1. Er een duidelijke, wettelijke basis is (legaliteitsbeginsel);
2. De beperking voldoende en precies geformuleerd is;
3. De beperking dient ter bescherming van andermans rechten of vrijheden of andere
legitieme doelen van de staat.
Grondrechten vormen daarmee een verfijning van het legaliteitsbeginsel.
Gelijkheid van alle burgers:
Omdat iedereen van nature gelijk is:
Þ Moet iedereen gelijke vrijheden hebben;
Þ Mag de wet geen privileges of uitzonderingsposities creëren;
Þ Geldt er een algemeen recht op gelijke behandeling.
Vrijheidsrechten worden daarom geformuleerd als rechten van eenieder.
Uitbreiding van de grondrechten:
Grondrechten zijn in de 19e en 20e eeuw vastgelegd in:
• Grondwetten;
• Internationale mensenrechtenverdragen.
2
,Hierbij horen:
➔ Klassieke grondrechten (vrijheid van godsdienst, meningsuiting, privacy enz.);
➔ Gelijkheidsrechten (o.a. algemeen kiesrecht);
➔ Sociale grondrechten (gelijke maatschappelijke kansen).
Scheiding van kerk en staat:
Uit het neutraliteitsbeginsel volgt onder andere:
➔ Vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing;
➔ Gelijke behandeling van religies;
➔ Terughoudendheid van de rechter in religieuze geschillen.
Rechterlijke controle:
Rechterlijke controle is essentieel, want:
• Het is een uitwerking van machtsverdeling (macht mag niet in één hand liggen);
• Het is een waarborg voor het legaliteitsbeginsel en de grondrechten.
Een rechter moet:
1. Onafhankelijk zijn;
2. Onpartijdig zijn;
3. Beslissen zonder “aanzien des persoons.”
Waar toetst de rechter aan?
➔ Is er een wettelijke grondslag?
➔ Worden grondrechten gerespecteerd?
➔ Worden algemene beginselen van behoorlijk bestuur nageleefd?
➔ Zijn er ongeschreven rechtsbeginselen geschonden?
Constitutie:
Ook de wetgever moet aan een hoger recht gebonden zijn. Dit hoger recht bestaat uit:
Þ De formele constitutie (Grondwet);
Þ De materiële constitutie (alle geschreven en ongeschreven normen die het
staatsbeleid ordenen).
De constitutie:
➔ regelt machtsverdeling;
➔ begrenst overheidsbevoegdheden;
➔ beschermt grondrechten;
➔ waarborgt een onafhankelijke rechter die toezicht houdt op deze grenzen.
In Nederland bestaat de constitutie uit:
➔ De Grondwet;
➔ Het Statuut voor het Koninkrijk;
➔ Bepaalde wetten (zoals de Kieswet);
➔ Ongeschreven constitutioneel recht (zoals vertrouwensregel).
Rol van de Awb:
De Awb werkt het legaliteitsbeginsel breed uit binnen het bestuursrecht. Ze zorgt voor:
• Systematisering (ordenen van het bestuursrecht);
• Codificatie (vastleggen van bestaande regels);
• Uitbreiding van het legaliteitsbeginsel naar nieuwe vormen van overheidshandelen.
3
, Wat regelt de Awb vooral:
De Awb geeft antwoord op vier vragen van het legaliteitsbeginsel:
1) Welke bestuursorganen bevoegd zijn;
2) Welke bevoegdheden zij kunnen hebben;
3) Hoe zij die bevoegdheden krijgen (bijv. delegatie, mandaat);
4) Binnen welke grenzen die bevoegdheden moeten worden gebruikt (o.a. algemene
beginselen van behoorlijk bestuur).
Wat valt niet onder de Awb:
- Handelen formele wetgever;
- Straf- en procesrecht;
- Privaatrechtelijk of feitelijk handelen van de overheid.
Checks and Balances:
Doel:
Evenwicht creëren tussen individuele vrijheid (rechtstaat) en collectieve vrijheid
(democratie).
Functies:
1) Regelgeving;
2) Bestuur;
3) Rechtspraak.
Verdeling en controle in Nederland:
Samenwerking ➔ Regering + Staten-Generaal, maken samen de formele wetten.
Controle ➔ Staten-Generaal: controleert de regering.
➔ Rechter: controleert het bestuur.
Evenwicht ➔ Geen orgaan is de baas en ieder orgaan begrensd en steunt de ander.
4