Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Sanctierecht – Samenvatting kernliteratuur week 1a t/m 3b

Beoordeling
-
Verkocht
3
Pagina's
37
Geüpload op
20-01-2026
Geschreven in
2025/2026

Dit document bevat alle literatuur die is behandeld in week 1a tot en met week 3b, bijeenkomst 1 tot en met 6. De literatuur mag worden meegenomen naar het tentamen en deze samenvatting is bedoeld als overzicht van de kern van de stof. Het document geeft per tekst een beknopte samenvatting van de belangrijkste punten, zodat je snel overzicht hebt van de literatuur en de hoofdlijnen, begrippen en discussies kunt terugvinden tijdens het tentamen.

Meer zien Lees minder
Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting sanctierecht
Week 1a

Vegter – Vormen van detentie

Vegter beschrijft de ontwikkeling van het sanctiestelsel en laat zien dat de rechtvaardiging van straf niet
vanuit één zuivere straftheorie kan worden begrepen. In de praktijk worden verschillende strafdoelen
gecombineerd. Vergelding, speciale preventie en generale preventie spelen allen een rol, waarbij de
nadruk verschuift afhankelijk van het type delict en de persoon van de dader.

Binnen de vergeldingstheorie wordt straf gerechtvaardigd door het gepleegde delict zelf. Straf is een
morele reactie op schuld en dient als uitdrukking van normafkeuring. Strafgrond en strafdoel vallen hier
samen. Vergelding is diep verankerd in het strafrecht en speelt een belangrijke rol bij straftoemeting,
met name via de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid. Tegelijkertijd biedt een zuiver
vergeldende benadering weinig richting voor strafbeleid en de keuze van concrete sancties. Vergelding
fungeert daarom vooral als grondslag en begrenzing van straf.

Speciale preventie rechtvaardigt straf vanuit het voorkomen van herhaling door de dader. Dit kan door
resocialisatie, afschrikking van de dader of onschadelijkmaking. Vegter is kritisch over de effectiviteit van
de vrijheidsstraf op dit punt. Empirisch onderzoek laat zien dat gevangenisstraf nauwelijks
recidiveverminderend werkt en dat resocialiserende effecten beperkt zijn. De vrijheidsstraf blijkt vooral
effectief als beveiligingsmaatregel, doordat de veroordeelde tijdens detentie geen strafbare feiten in de
samenleving kan plegen.

Generale preventie richt zich op de samenleving als geheel en wordt vaak ten onrechte gelijkgesteld aan
afschrikking. Vegter benadrukt dat positieve generale preventie een belangrijke rol speelt, namelijk
normbevestiging, norminprenting en het versterken van vertrouwen in de rechtsorde. Door
strafoplegging en tenuitvoerlegging wordt zichtbaar gemaakt dat normschendingen niet worden
getolereerd, wat bijdraagt aan de legitimiteit van het strafrecht.

Volgens Vegter wordt het Nederlandse sanctierecht gekenmerkt door een verenigingstheorie. Daarbij
vormt vergelding de grondslag en bovengrens van de straf, terwijl preventieve doelen binnen die grenzen
kunnen worden meegewogen. Deze benadering wordt ook zichtbaar in de rechtspraak van de Hoge
Raad, die geen strikte regel hanteert dat de straf nooit hoger mag zijn dan de schuld van de dader. In
ernstige zaken kan speciale preventie en maatschappijbescherming zwaarder wegen dan
schuldvergelding, terwijl in andere gevallen normbevestiging of vergelding centraal staat.

Vegter gebruikt de metafoor van de trekharmonica om deze flexibiliteit te duiden: de nadruk op
strafdoelen verschuift afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De wetgever biedt hiervoor
ruime speelruimte door het hanteren van strafminima en -maxima, zonder een duidelijke hiërarchie van
strafdoelen vast te leggen. Vegter is kritisch over dit pragmatisme en wijst op het ontbreken van een
consistente theoretische fundering van het sanctiestelsel.

,Samenvattend laat Vegter zien dat de vrijheidsstraf in het Nederlandse sanctierecht niet kan worden
gerechtvaardigd vanuit één enkele straftheorie. Vergelding begrenst en legitimeert de straf, speciale
preventie rechtvaardigt vooral de beveiligende functie van detentie, en generale preventie draagt bij aan
normbevestiging en maatschappelijke legitimiteit. De dominante benadering is een flexibele vereniging
van strafdoelen.

Meijer - In al haar facetten

Resocialisatie heeft in het penitentiaire recht een centrale plaats gekregen, maar Meijer laat zien dat de
betekenis ervan door de tijd heen is verschoven en dat het begrip juist daardoor makkelijk kan worden
ingevuld op verschillende manieren. Ze beschrijft resocialisatie als één van de drie vormen van speciale
preventie, naast incapacitatie en afschrikking. Tegelijkertijd signaleert ze dat het beleid in de afgelopen
decennia steeds sterker punitief is geworden, met meer nadruk op vergelding, beveiliging en langer
toezicht, terwijl op Europees niveau juist een sterke positie van resocialisatie is benadrukt. Meijer
betoogt dat dit geen echte tegenstelling hoeft te zijn, omdat resocialisatie de laatste jaren is
“herverpakt” zodat het past binnen een veiligheidsgerichte en punitieve beleidslogica.

Meijer bespreekt vervolgens meerdere grondslagen van resocialisatie. Een klassieke grondslag is
menselijke waardigheid, vooral sterk na de Tweede Wereldoorlog en in de EHRM-lijn rond levenslange
straffen. In die benadering komt resocialisatie dicht bij een recht of positieve verplichting van de staat,
waarbij de gedetineerde als verantwoordelijk individu kansen moet krijgen om aan terugkeer te werken.
Daarnaast is er een utilistische grondslag: resocialisatie wordt gerechtvaardigd omdat het de
samenleving veiliger maakt en recidive moet verminderen. In modern beleid wordt resocialisatie vaak
onder de noemer re-integratie gepresenteerd, met nadruk op praktische basisvoorwaarden zoals wonen,
inkomen, schulden, zorg en netwerk. Volgens Meijer dient dit vaak vooral het collectieve
veiligheidsbelang, niet per se het welzijn van de veroordeelde.

Een derde grondslag is risicomanagement: resocialisatie wordt onderdeel van risicobeheersing, met een
verschuiving naar actuariële controle en toezicht. In die logica wordt behandeling en begeleiding vooral
ingezet als het aantoonbaar bijdraagt aan risicoreductie en publieke veiligheid. Meijer benoemt ook
resocialisatie als iets dat steeds meer samenwerkt met punitiviteit, bijvoorbeeld doordat
vrijheidsbeperkende sancties en interventies worden neergezet als “straffen in de samenleving”. Tot slot
bespreekt ze morele resocialisatie: resocialisatie als morele verbetering en het communiceren van de
morele afkeurenswaardigheid van het delict, met nadruk op verantwoordelijkheid, inzicht, excuses,
gedragsverandering en herstel van morele relaties.

Daarna maakt Meijer een belangrijk punt over de praktijk. Er is geen wettelijke, eenduidige definitie van
resocialisatie als sanctiedoel, en ook geen rangorde van strafdoelen. Dat maakt onduidelijk hoe de
strafrechter resocialisatie moet wegen en waarop de rechter het baseert. In theorie zou de rechter zicht
moeten hebben op de omstandigheden en behoeften van de verdachte om resocialisatie serieus mee te
wegen, maar dat zicht ontbreekt vaak.

,Bij vrijheidsbenemende sancties laat Meijer zien dat resocialisatie in Nederland steeds sterker is
gekoppeld aan veiligheid. Re-integratie wordt benadrukt, maar de feitelijke mogelijkheden voor
resocialisatie zijn juist afhankelijker gemaakt van gedrag en selectie, zoals via promoveren en
degraderen, toegang tot programma’s en vrijheden. Daarmee ontstaat een discrepantie: het politieke
verhaal spreekt over re-integratie, terwijl de resocialisatie-instrumenten in de uitvoering worden
ingeperkt en conditioneler worden. Ook worden resocialisatie-instrumenten zoals v.i. steeds vaker in een
vergeldingskader geplaatst, terwijl Meijer benadrukt dat vergelding primair hoort te blijken uit de door
de rechter opgelegde strafduur en strafsoort, niet uit het afknijpen van de uitvoering. Tegelijkertijd ziet
ze een hernieuwde focus op morele elementen, zoals slachtofferbewustzijn en het stimuleren van
andere keuzes.

Bij vrijheidsbeperkende sancties en voorwaarden wordt resocialisatie eveneens vooral een middel om
risico’s te beheersen. Toezicht en voorwaarden zijn uitgebreid in duur en intensiteit en kunnen een sterk
punitief karakter krijgen, met eigen “leed” van toezicht. Meijer waarschuwt ook tegen de gedachte dat
vrijheidsbeperking automatisch resocialiserend is, omdat het ook zeer ingrijpend kan zijn.

Tot slot bespreekt Meijer resocialisatie na afloop van de straf, via het idee van juridische resocialisatie.
Iemand kan sociaal terugkeren, maar juridisch blijft het strafverleden lang doorwerken via bijkomende
gevolgen zoals problemen met VOG of verblijfsrechtelijke gevolgen. In Nederland is die juridische
resocialisatie vooral tijdsafhankelijk en nauwelijks gedrag-afhankelijk, waardoor het verleden lang boven
iemand kan blijven hangen, wat spanning oplevert met het ideaal van een echt nieuwe start.

Boschman ea - Korte vrijheidsstraffen.

Korte vrijheidsstraffen, in dit rapport gedefinieerd als vrijheidsstraffen tot en met drie maanden, komen
in Nederland zeer vaak voor. Een groot deel van de uitstroom uit penitentiaire inrichtingen betreft
mensen die kort vastzaten, niet alleen na een opgelegde korte gevangenisstraf, maar ook na voorlopige
hechtenis of na tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De RSJ heeft betoogd dat korte
detenties weinig effectief zijn: de afschrikwekkende werking zou beperkt zijn, resocialisatie en re
integratie tijdens zo’n korte periode zijn lastig, detenties kunnen schade veroorzaken en het
recidiverisico na detentie is hoog. Volgens de RSJ wordt vergelding wel bereikt, maar dat zou
onvoldoende rechtvaardiging zijn voor het grote aantal korte detenties.

De minister stelde daar tegenover dat korte detenties soms noodzakelijk zijn, onder meer vanwege ernst
van het feit, vergelding en genoegdoening, of omdat eerdere sancties recidive niet voorkwamen, en dat
er bovendien te weinig wetenschappelijke kennis zou zijn over de effecten. Daarom is het WODC
gevraagd onderzoek te doen naar het bereiken van strafdoelen met korte vrijheidsstraffen, ook in
vergelijking met andere straffen zoals boetes, taakstraffen en voorwaardelijke straffen.

Het rapport onderscheidt drie strafdoelen: generale preventie, speciale preventie en vergelding.
Generale preventie gaat over het voorkomen van criminaliteit door potentiële daders af te schrikken en
door normstelling en normbevestiging. Speciale preventie ziet op het voorkomen van recidive bij de
gestrafte zelf, via onschadelijkmaking, individuele afschrikking en resocialisatie. Vergelding betekent dat

, de straf proportioneel leed toevoegt in verhouding tot ernst van het feit en verwijtbaarheid van de
dader, en drukt daarmee afkeuring uit. Genoegdoening wordt in dit onderzoek niet als zelfstandig doel
behandeld, omdat het rapport zich beperkt tot een enge opvatting waarbij genoegdoening vooral
samenvalt met vergelding.

De kernbevindingen over speciale preventie zijn dat recidive na een korte vrijheidsstraf doorgaans even
hoog of hoger is dan na niet vrijheidsbenemende straffen zoals boete, taakstraf of voorwaardelijke straf.
In methodologisch sterke studies zijn de resultaten gemengd, maar er zijn meerdere sterke studies die
wijzen op meer recidive na korte detentie. Slechts één Noorse studie vond minder recidive na een
vrijheidsstraf, mogelijk verklaard door de sterke resocialisatiegerichtheid van het Noorse systeem en de
welvaartscontext. Over het verband tussen detentieduur en recidive is de literatuur onzeker: langer kan
samenhangen met minder, met meer of met geen verschil in recidive, afhankelijk van de studie. Over re
integratie uitkomsten zoals werk en inkomen is er weinig vergelijkend onderzoek, zeker in Nederland,
waardoor niet goed kan worden vastgesteld in hoeverre korte detenties slechter of beter uitpakken dan
andere straffen. Wel zijn er aanwijzingen dat een korte vrijheidsstraf vooral nadelig kan zijn voor mensen
die vóór detentie al werk hadden, omdat detentie bestaande bindingen kan doorbreken.

Voor generale preventie concludeert het rapport dat het afschrikwekkende effect van verschillende
typen straffen moeilijk hard vast te stellen is, omdat veranderingen in strafbeleid vaak samengaan met
veranderingen in pakkans, strafkans en strafsnelheid en omdat regio’s en periodes op allerlei manieren
kunnen verschillen. Het beschikbare internationale onderzoek suggereert dat een eventueel extra
generaal afschrikwekkend effect van vrijheidsstraffen ten opzichte van andere straffen klein of afwezig is.
Belangrijker lijkt de pakkans en de kans om gearresteerd of veroordeeld te worden, zowel in empirisch
onderzoek als in perceptieonderzoek. Verder blijkt dat burgers niet altijd een korte gevangenisstraf als
duidelijk zwaarder ervaren dan alternatieven, omdat bijvoorbeeld langere vrijheidsbeperkende straffen,
elektronische detentie of hoge boetes soms als vergelijkbaar zwaar worden gezien. Ook langere
gevangenisstraffen lijken weinig extra afschrikking te bieden ten opzichte van kortere, mede omdat
mensen gevolgen op langere termijn minder meewegen.

Bij vergelding benadrukt het rapport dat proportionaliteit twee dimensies heeft. Ordinale
proportionaliteit betekent dat zwaardere misdrijven zwaarder worden bestraft en vergelijkbare
misdrijven vergelijkbaar, iets dat in Nederland onder meer zichtbaar is in strafmaxima. Kardinale
proportionaliteit gaat over de absolute hoogte van straf die passend is bij een delict, en juist daarover
bestaat onvermijdelijk maatschappelijke en rechtspolitieke discussie. Daardoor kan niet simpel worden
gezegd dat korte vrijheidsstraffen per definitie vergelding realiseren. Bovendien kan dezelfde
hoeveelheid afkeuring ook met andere strafsoorten worden uitgedrukt. Onderzoek naar ervaren
strafzwaarte en uitwisselbaarheid laat zien dat vrijheidsstraffen vaak als zwaarder worden ervaren dan
niet vrijheidsbenemende straffen, maar het verschil is meestal niet enorm en iets langere alternatieve
straffen kunnen door veroordeelden als even zwaar worden ervaren als een korte gevangenisstraf.

In de discussie wordt geconcludeerd dat de bevindingen grotendeels aansluiten bij de RSJ op het punt
van speciale preventie: korte vrijheidsstraffen leveren niet meer preventie op dan alternatieven en er zijn

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
20 januari 2026
Aantal pagina's
37
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$14.54
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF


Ook beschikbaar in voordeelbundel

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
AcademicFiles Vrije Universiteit Amsterdam
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
16
Lid sinds
3 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
14
Laatst verkocht
1 maand geleden

0.0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen