- Psychosociale ontwikkeling van Erikson; veranderingen in onze interacties met andere en in hoe we aankijken tegen het
gedrag van anderen en onszelf als onderdeel van de maatschappij. De ontwikkeling van mensen voltrekt in 8 stadia.
- Persoonlijkheid wordt primair gevormd door de ervaringen van het jonge kind.
- Stadium van vlijt-versus-minderwaardigheid; (6-12 jaar) het kind ontwikkeld competenties om problemen met ouders,
leeftijdgenoten, school en de wereld om zich heen het hoofd te kunnen bieden. Als kinderen ouder worden zoeken ze
activiteiten waarbij hen vlijt vruchten afwerpt.
- Stadium van identiteit-versus-verwarring; (12-20 jaar) tieners komen erachter wat hen uniek maakt.
Vygotsky - Psychologische perspectief; cognitief (mentale processen), cultureel (culturele context).
- Sociaal culturele theorie; cultuur en sociale interactie vormen de basis voor cognitieve ontwikkeling. De belangen van
sociale factoren zijn hier groot. Door met andere kinderen te spelen en samen te werken leren kinderen wat er
belangrijk is in hun samenleving.
- Scaffolding = Op school bieden competente personen ondersteuning door af te stemmen op de zone van naaste
ontwikkeling (een zone net boven hen niveau).
- Kinderen zijn leerlingen die vaardigheden, die in hen cultuur van belang zijn van andere overnemen.
- Fantasiespel is belangrijk om de cognitieve vaardigheden te verbeteren.
- Private taal = gesproken taal die niet bedoeld is voor anderen; kinderen gebruiken dat om sturing te geven aan hen
gedrag en gedachten (voorloper van innerlijke taal).
- Interactionele benadering; taal ontwikkeld door sociale interactie met leeftijdgenoten.
Piaget - Stadia van cognitieve ontwikkeling; kwalitatieve groei bij de overgang van het ene naar het andere stadium. De rol van
stadia is hier erg belangrijk. Bepaalde onderwijskundige interventies zijn pas effectief als het kind een bepaald
ontwikkelingsstadium heeft bereikt.
- Assimilatie = bestaande manier van denken gebruiken voor nieuwe ervaringen.
- Accommodatie = verandering in de bestaande manier van denken.
- Stadium 1; sensomotorische periode (0-2 jaar). Het kind is sterk afhankelijk van zijn aangeboren motorische reacties op
stimuli.
- Stadium 2; preoperationeel stadium (2-7 jaar). Het kind maakt gebruik van symbolisch denken (mentaal een symbool te
gebruiken om iets wat niet fysiek aanwezig is te vervangen), het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik
van concepten nemen toe. Centratie; het onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan 1 aspect van een
stimuli te kunnen concentreren. Egocentrisme; het onvermogen om zich te verplaatsen in andere.