Onderzoek
Blok 2.
Wee Hoofdstuk Vanaf
k pagina
1 Hoofdstuk 1: Waarom onderzoek doen? 2
2 Hoofdstuk 3: Theorie en onderzoek 7
Hoofdstuk 6: Strategieën voor het onderzoeksontwerp
3 Hoofdstuk 2: Wat zijn de voornaamste typen van sociaal 18
wetenschappelijk onderzoek?
Hoofdstuk 9: Experimenteel onderzoek
4 Hoofdstuk 4: De betekenissen van methodologie 26
Hoofdstuk 5: Hoe beoordeel je literatuur en voer je ethisch
onderzoek uit?
5 Hoofdstuk 7: Kwalitatieve en kwantitatieve metingen 34
Hoofdstuk 8: Kwalitatieve en kwantitatieve
sampling/steekproeven
6 Hoofdstuk 10: Survey/Enquêteonderzoek 42
Hoofdstuk 13: Veldonderzoek en focus groep onderzoek
7 Hoofdstuk 15: Het schrijven van het onderzoeksrapport en 54
de politiek van sociale wetenschap
1
,Week 1
Het doel van wetenschap
- Nieuwe kennis produceren: inzicht krijgen in de wereld om ons heen.
- Algemene uitspraken: uitspraken die gelden voor een hele groep of categorie,
gebaseerd op systematische waarnemingen of gegevens.
- Sociaalwetenschappelijk onderzoek: is een academische discipline die zich
bezighoudt met het bestuderen van menselijk gedrag en maatschappelijke
structuren om complexe sociale vraagstukken te begrijpen en oplossingen te
vinden. Het combineert kennis uit diverse vakgebieden zoals sociologie,
psychologie, politicologie en antropologie om te analyseren hoe individuen en
groepen interageren binnen hun sociale omgeving.
- Fundamenteel vs. praktijkgericht onderzoek:
o Fundamenteel: kennis opbouwen en verklaren.
o Praktijkgericht: kennis toepassen voor oplossingen en beleid.
Alternatieven voor sociale wetenschap
Mensen verkrijgen kennis niet alleen via onderzoek. Er zijn verschillende alternatieve
bronnen, maar die hebben beperkingen:
1. Persoonlijke ervaringen en algemene kennis
o Overgeneralisatie: iets kleins als universeel aannemen.
o Selectieve observatie: alleen opmerken wat je verwachtingen bevestigt.
o Voorbarige conclusies: snel een oorzaak-gevolg verband trekken zonder
bewijs.
o Halo-effect: een positieve indruk op één eigenschap beïnvloedt je oordeel
over andere eigenschappen.
o Valse consensus: denken dat iedereen hetzelfde denkt of doet als jij.
2. Kennis van experts en autoriteiten
o Kan nuttig zijn, maar ook bevooroordeeld of foutief.
3. Kennis uit populaire media
o Vaak oppervlakkig, sensationeel en niet systematisch.
4. Kennis ondergeschikt aan ideologie of waarden
o Als men overtuigingen belangrijker vindt dan bewijs, kan dit de objectiviteit
beperken.
Conclusie: Sociale wetenschap is nodig om systematisch, kritisch en betrouwbaar kennis
te verkrijgen.
Wat hebben we nodig om deze problemen te voorkomen/op te lossen
Wetenschappelijke geletterdheid
Betekenis: het vermogen om wetenschappelijke kennis, concepten, principes en
theorieën te begrijpen en toe te passen om problemen op te lossen, en beslissingen te
nemen op basis van wetenschappelijk redeneren.
- Quantitative literacy (numeracy): het vermogen om met cijfers en wiskundige
concepten te redeneren, data te interpreteren, en grafieken of tabellen te
begrijpen. Een gebrek hieraan wordt innumeracy genoemd.
- Scientific literacy: het vermogen om wetenschappelijke kennis te begrijpen en
toe te passen, wetenschappelijke processen te gebruiken om problemen op te
lossen en beslissingen te nemen, en handelen in overeenstemming met
kernwaarden van de wetenschap.
Wetenschap vs pseudo/junk science
Wetenschap is een systematische, objectieve methode om kennis te produceren.
Pseudo science / junk science: ogenschijnlijke wetenschap, maar niet toetsbaar of
methodologisch correct.
2
,De Wetenschappelijke gemeenschap
Een groep mensen die een systeem van houdingen, overtuigingen, en regels delen dat de
productie en vooruitgang van wetenschappelijke kennis bevorderd.
Normen en waarden
1. Universalism (Universeel beoordelen)
o Onderzoek wordt beoordeeld op inhoudelijke kwaliteit, ongeacht wie het
uitvoert of waar het wordt uitgevoerd.
2. Organized skepticism (Georganiseerd scepticisme)
o Wetenschappers accepteren geen nieuwe ideeën of bewijs zonder
kritische evaluatie.
o Kritiek is gericht op methoden, niet op personen, en waarborgt
zorgvuldigheid en betrouwbaarheid.
3. Disinterestedness (Onpartijdigheid)
o Wetenschappers blijven neutraal en open voor onverwachte
resultaten.
o Ze accepteren bewijs dat hun standpunten tegenspreekt en baseren
conclusies op kwalitatief hoogstaand onderzoek.
4. Communalism (Gemeenschappelijk bezit van kennis)
o Wetenschappelijke kennis behoort aan iedereen en moet gedeeld
worden.
o Resultaten worden pas formeel geaccepteerd na peer review en
publicatie.
5. Honesty (Eerlijkheid)
o Eerlijkheid is essentieel in onderzoek; fraude of bedrog is een groot
taboe.
Regels over methodes
Deze regels gaan over hoe onderzoek op een systematische en betrouwbare
manier wordt uitgevoerd. Ze helpen ervoor te zorgen dat bevindingen geldig en
controleerbaar zijn:
- Observatie: Wetenschappers moeten objectief en zorgvuldig waarnemen wat er
gebeurt. Bijvoorbeeld: systematisch registreren van gedrag of gebeurtenissen in
een studie, in plaats van te vertrouwen op willekeurige indrukken.
- Dataverzameling: Gegevens moeten consistent, volledig en op een
reproduceerbare manier verzameld worden. Dit kan via experimenten, enquêtes,
interviews, of veldonderzoek.
- Betrouwbaarheid en validiteit: Onderzoekers moeten methoden gebruiken die
ervoor zorgen dat resultaten betrouwbaar zijn (zelfde resultaat bij herhaling) en
valide (het meten van wat je wilt meten).
Houding van de onderzoeker
De houding van de onderzoeker is cruciaal voor goede wetenschap. Belangrijke aspecten:
- Georganiseerde scepsis: Altijd kritisch zijn op bevindingen, zowel van anderen
als van jezelf. Je accepteert niets blindelings.
- Belangeloosheid: Onderzoekers laten persoonlijke voorkeuren, politieke of
financiële belangen niet meespelen in de interpretatie van data.
- Eerlijkheid en transparantie: Onderzoekers moeten open zijn over hun
methoden, data en conclusies. Fouten of beperkingen moeten worden gemeld.
- Wetenschappelijke houding: nauwkeurig, logisch, flexibel, open,
langetermijnperspectief, en bereid om kennis te delen.
- Nonscientific thinking: ongeduldig, wil snelle antwoorden, deelt informatie
terughoudend.
Oriëntatie van de wetenschap
Dit gaat over hoe wetenschappers wetenschap zien en wat het doel van
onderzoek is:
- Communalisme: Wetenschappelijke kennis is een gemeenschappelijk bezit.
Resultaten worden gedeeld zodat anderen kunnen leren en voortbouwen.
- Doelgerichtheid: Wetenschap streeft naar het verklaren, begrijpen of
voorspellen van verschijnselen in de werkelijkheid.
3
, - Universalisme: Beoordeling van kennis gebeurt op basis van inhoud en bewijs,
niet op basis van status, afkomst of reputatie van de onderzoeker.
Variaties van sociale wetenschap
- Kwantitatief: meetbare data, cijfers, statistieken, statistische analyse, causale
verbanden.
- Kwalitatief: woorden, afbeeldingen, diepgaande, contextuele kennis, begrip van
betekenis en sociale processen.
Grounded theory: is een kwalitatieve onderzoeksmethode waarbij een theorie wordt
ontwikkeld op basis van verzamelde data, in plaats van dat je begint met een bestaande
theorie
Stappen in een kwantitatief onderzoeksproces
1. Select a topic (Kies een onderwerp)
o Begin met een breed interessegebied zoals armoede, criminaliteit, media of
scheiding.
o Nog geen concrete onderzoeksvraag, alleen een algemeen thema.
2. Focus the question (Focus de onderzoeksvraag)
o Vernauw het brede onderwerp tot een specifieke onderzoeksvraag.
o Hulpmiddelen: literatuuronderzoek, theorie, formuleren van hypotheses.
o Voorbeeld:
Brede vraag: “Redenen voor delinquentie”
Specifieke vraag: “Zijn tiener-immigranten uit Oost-Azië met sterke
cultuurbanden vaker delinquent dan die met zwakke banden?”
3. Design the study (Ontwerp de studie)
o Kies de methode en aanpak:
Wie of wat wordt onderzocht (steekproef)
Hoe variabelen gemeten worden
Methode (enquête, experiment, etc.)
o Alles wordt vooraf gestructureerd.
4. Collect data (Verzamel data)
o Systematisch verzamelen van numerieke data:
cijfers, meetresultaten, gestructureerde
antwoorden.
o Data worden opgeslagen in datasets of software.
5. Analyze the data (Analyseer data)
o Statistische verwerking: tabellen, grafieken,
correlaties, regressies.
o Geeft een samengevat beeld van de bevindingen.
6. Interpret the data (Interpreteer data)
o Betekenis geven aan resultaten:
Ondersteunen ze de hypothese?
Hoe verhouden ze zich tot eerdere studies?
Zijn er alternatieve verklaringen?
o Verbindt data met theorie.
7. Inform others (Rapporteer resultaten)
o Schrijf een gestructureerd rapport of artikel: doel, methode, resultaten,
discussie.
o Communiceer bevindingen naar academische of professionele
gemeenschap
Stappen in een kwalitatief onderzoeksproces
1. Acknowledge self and context (Erken jezelf en de context)
o Begin met een onderwerp én zelfreflectie: jouw achtergrond, waarden en
ervaringen.
o Plaats het onderwerp in een sociaal-historische context.
o Vaak persoonlijke motivatie of maatschappelijke kwestie als startpunt.
2. Adopt a perspective (Adopteer een perspectief)
4
, o Kies een theoretisch denkkader of perspectief:
Feministische theorie, symbolisch interactionisme, postkoloniaal
perspectief, etc.
o Dit bepaalt van welke “bril” je naar het onderwerp kijkt en opent meerdere
mogelijke vragen.
3. Design the study (Ontwerp het onderzoek)
o Flexibel ontwerp: bepaal wie/waar je onderzoekt, welke methoden gebruikt
worden (interviews, observaties, etnografie, archiefonderzoek), en hoe je
toegang krijgt tot het veld.
o Het ontwerp kan evolueren tijdens het onderzoek.
4. Collect data (Verzamel data)
o Niet-numerieke data: veldnotities, interviewtranscripten, documenten,
observaties.
o Verzamelen en analyseren vaak parallel.
5. Analyze data (Analyseer data)
o Iteratief proces: thema’s identificeren, patronen herkennen, categorieën
vormen.
o Teruggaan naar het veld als nieuwe inzichten ontstaan.
6. Interpret data (Interpreteer data)
o Betekenis geven aan patronen: theorie gebruiken, nieuwe concepten
creëren, perspectief van deelnemers begrijpen (verstehen).
o Kan leiden tot nieuwe theorieën.
7. Inform others (Rapporteer resultaten)
o Presentatie vaak verhalender, rijk aan context en interpretatief:
Narratieve analyses, dieptecases, “thick descriptions”.
o Verschilt van de strakke structuur van kwantitatieve rapporten.
Kwantitatief Kwalitatief
Meet objectieve feiten Construeert sociale realiteit, culturele
betekenis
Focus op variabelen Focus op interactieve processen,
gebeurtenissen
Betrouwbaarheid Authenticiteit belangrijk
belangrijk
Waarde-vrij Waarden expliciet aanwezig
Theorie en data Theorie en data geïntegreerd
gescheiden
Onafhankelijk van Situationeel gebonden
context
Waarom leren hoe Veel cases/deelnemers Weinig cases/deelnemers
sociaal wetenschappelijk Statistische analyse Thematische analyse
onderzoek te doen? Onderzoeker Onderzoeker betrokken
- Systematische afstandelijk
kennisverwerving is betrouwbaarder dan persoonlijke ervaring of opinies.
- Onderzoek helpt complexe sociale fenomenen te begrijpen, verklaren en
voorspellen.
- Het ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden verbetert kritisch denken en
besluitvorming.
- Wetenschappelijk onderzoek draagt bij aan beleid, praktijk en theoretische kennis.
Drie kernbegrippen in sociale wetenschap
- Theorie: een samenhangend geheel van logisch verbonden ideeën; probeert
verschijnselen te beschrijven, verklaren of voorspellen.
- Data: informatie en bewijs dat zorgvuldig is verzameld volgens de regels of
vastgestelde procedures. (kwalitatieve en kwantitatieve data)
5
, - Empirische observaties: Beschrijving van wat we kunnen observeren en ervaren
op een directe manier via onze zintuigen of op een indirecte manier door middel
van technieken die onze zintuigen versterken.
o Directe manier: sensorisch: zien, ruiken, horen, proeven en voelen
o Indirecte manier: abstracte concepten die niet sensorisch
waarneembaar zijn.
Wetenschappelijke kennis is georganiseerd in theorieën en gestoeld op
empirische observaties
Het proces van wettenschappelijk onderzoek
Onderscheid tussen deductief en
inductief:
Inductief: van specifiek naar
algemeen. Van theorie naar
observatie
Data/observatie → patronen → theorie
Deductief: van algemeen naar
specifiek. Van observatie naar theorie
Theorie → hypothese → data →
conclusie
Kenmer Deductief Inductief
k
Startpun Theorie Data/observaties
t
Richting Algemeen → Specifiek Specifiek → Algemeen
Doel Testen van hypothese Ontwikkelen van theorie
Typisch Kwantitatief onderzoek Kwalitatief onderzoek
Voorbeel “Sociale steun vermindert Patronen van isolatie leiden tot
d stress” delinquentie-theorie
Inductie: op basis van specifieke gevallen een algemene regel afleiden
Deductie: algemene regel gebruiken om specifieke uitspraken af te leiden
6
,Week 2
Introductie
- Theorie helpt sociale fenomenen te beschrijven, verklaren en voorspellen.
- Het vormt de brug tussen empirische observaties en abstracte concepten.
Wat is theorie?
een samenhangend geheel van logisch verbonden ideeën; probeert verschijnselen te
beschrijven, verklaren of voorspellen.
- Parsimony: theorieën moeten zo eenvoudig mogelijk zijn, maar nog steeds de
werkelijkheid verklaren. (eenvoud = beter)
- Een goede theorie moet:
o Logisch consistent zijn
o Ondersteund worden door empirisch bewijs
o Transparant zijn in aannames en concepten
De structuur van een theorie
Deductief-nomologisch verklaringsmodel:
Kernidee:
Je verklaart een specifiek verschijnsel door het logisch af te leiden uit:
algemene wetten + concrete omstandigheden.
📌 Deductief = van algemeen → specifiek
📌 Nomologisch = gebaseerd op wetten (nomos = wet)
De drie onderdelen
1️⃣ Algemene regel (wet)
Een algemene, wetmatige uitspraak die altijd (of meestal) geldt.
👉 Vorm:
Als X, dan Y
Voorbeeld
Mensen met minder opleiding hebben gemiddeld een hoger risico op werkloosheid.
Dit is:
- Algemeen
- Theoretisch
- geldt voor een groep
7
,2️⃣ Assumptie / aanname (beginsituatie)
Een specifieke feitelijke uitspraak over het concrete geval dat je wilt verklaren.
Voorbeeld
Jan heeft geen afgeronde opleiding.
Dit zegt iets over:
- één persoon / geval
- de context of beginsituatie
3️⃣ Hypothese (gevolg / verklaring)
Dit is de logisch afgeleide conclusie:
wat je verwacht dat er gebeurt in dit specifieke geval.
Voorbeeld
Jan heeft een verhoogde kans om
werkloos te zijn.
📌 Dit is geen losse gok, maar:
→ logisch afgeleid uit (1) + (2)
Sociale theorie versus ideologie
Centrale vraag:
Is het een wens? → ideologie
Is het een verklaring of analyse? → theorie
Onderdelen van een sociale theorie / een theorie bestaat uit:
1. Aannames / Assumpties (zijn uitgangspunten of overtuigingen die nodig
zijn om een theoretische verklaring te bouwen)
o Achtergrondassumpties: impliciet, niet direct getest. Dit zijn de
fundamentele, vaak vanzelfsprekende, aannames over hoe de wereld in
elkaar zit, die de basis vormen van iemands wereldbeeld of een specifiek
theoretisch kader
o Handelbare assumpties: expliciet, gebruikt in theorie en voorspellingen.
Deze aannames worden bewust geformuleerd en expliciet vermeld in een
theorie, model of onderzoeksopzet.
2. Concepten
🔹 Symbool en definitie
- Een concept is een naam (symbool) + een betekenis (definitie)
- Het staat voor iets in de sociale werkelijkheid dat je wilt bestuderen
👉 Voorbeeld:
- Symbool: sociale cohesie
- Definitie: de mate waarin mensen zich verbonden voelen met hun gemeenschap
Concepten zijn bouwstenen van theorie. Theorieën gaan over het verband
tussen concepten.
🔹 Abstractieniveau
Concepten kunnen meer of minder abstract zijn:
- Concreet: direct waarneembaar
8
, o bijv. aantal vrienden, inkomen in euro’s
- Abstract: theoretisch, niet direct zichtbaar
o bijv. macht, identiteit, vertrouwen
💡 Hoe abstracter het concept, hoe meer interpretatie nodig is.
🔹 Alleenstaand vs. cluster concepten
- Alleenstaand concept: kan zelfstandig bestaan
o bijv. leeftijd, inkomen
- Clusterconcept: bestaat uit meerdere deelconcepten
o bijv. sociaal kapitaal =
netwerken
vertrouwen
wederkerigheid
➡️Clusterconcepten moeten vaak worden opgesplitst om ze te kunnen onderzoeken.
🔹 Simpel vs. Complex
- Simpel concept: één duidelijke eigenschap
o bijv. geslacht, stemgedrag
- Complex concept: samengesteld, meerdere dimensies
o bijv. democratie (verkiezingen, rechtsstaat, vrijheid, participatie)
👉 Complexe concepten vereisen meerdere indicatoren.
🔹 Ideaaltype
- Een ideaaltype is een theoretisch hulpmiddel
- Geen beschrijving van de werkelijkheid, maar een zuivere, vereenvoudigde
versie
Voorbeelden:
- De rationele kiezer
- De bureaucratische organisatie (Weber)
➡️ De echte wereld wijkt altijd af, maar het ideaaltype helpt om verschillen te analyseren.
🔹 Conceptclassificatie / typologie
- Manier om concepten systematisch in te delen
- Vaak gebruikt om patronen zichtbaar te maken
Voorbeeld:
- Democratieën:
o liberaal
o illiberaal
o autoritair
➡️ Typologieën helpen bij vergelijking tussen cases.
Scope (omvang van concepten): gaat over de reikwijdte van een concept. hoe breed
het toepasbaar is? Over hoeveel contexten, tijden en plaatsen?
Smalle scope
- Gebonden aan specifieke tijd/plek/situatie
- Meer detail, minder algemeen.
Voorbeeld:
Schooluitval onder mbo-studenten in Nederland
✅ Voordeel: concreet en precies
❌ Nadeel: moeilijk te generaliseren
Brede scope
- Geldt voor veel verschillende groepen of situaties
- Meer algemeen
Voorbeeld:
Sociale ongelijkheid
✅ Voordeel: goed te vergelijken, breed toepasbaar
❌ Nadeel: vaak abstracter en vager
3. Relaties
🔹 Soorten relaties
9
, Relaties beschrijven hoe concepten met elkaar samenhangen
Voorbeelden:
- Meer opleiding → hogere politieke participatie
- Meer stress → minder welzijn
Relaties kunnen:
- positief
- negatief
- causaal (verband aangeeft tussen twee
variabelen)
- correlatief (een oorzaak-gevolgrelatie beschrijft)
🔹 Propositie
- Een theoretische uitspraak over de relatie tussen twee of meer concepten.
- Nog niet direct meetbaar
Voorbeeld:
“Sterke sociale netwerken vergroten vertrouwen.”
➡️ Dit is een idee op theoretisch niveau.
🔹 Hypothese
- Een toetsbare versie van een propositie
- Geformuleerd zodat je hem met data kunt testen
Voorbeeld:
“Mensen die minstens wekelijks contact hebben met buren, scoren hoger op vertrouwen
dan mensen die dat niet hebben.”
Vijf kenmerken:
- Gelinkt aan onderzoeksvraag en theorie
- Om te voorspellen of verklaren
- Tenminste 2 variabelen (X en Y)
- Falsifieerbaar
- Beschrijven causale relaties tussen variabelen Als X, dan Y. of Positief of negatie
4. Units of analysis
De unit of analysis is:
👉 wie of wat bestudeer je eigenlijk?
Veelgemaakte units:
- Individuen: personen (burgers, studenten)
- Groepen: gezinnen, klassen, etnische groepen
- Organisaties: bedrijven, scholen, overheden
- Sociale processen: migratie, globalisering, discriminatie
⚠️ Belangrijk: verwissel dit niet met niveau van analyse
- Je kunt data verzamelen over individuen, maar uitspraken doen over groepen (of
andersom)
Aspecten van sociale theorie
Richting van theorievorming
Dit gaat over waar je begint: bij theorie of bij data?
🔹 Deductief
Theorie → hypothese → data
- Je start met een bestaande theorie
- Daaruit leid je verwachtingen (hypothesen) af
- Die test je met data
📌 Typisch voor kwantitatief onderzoek
Voorbeeld
- Theorie: sociale controle vermindert criminaliteit
- Hypothese: jongeren met sterke gezinsbinding plegen minder criminaliteit
- Data: survey + statistische analyse
👉 Je toetst of de theorie klopt
🔹 Inductief
Data → concepten → theorie
10