Oefentoets Aardrijkskunde (HBO – Pabo)
Instructie:
Bij elke vraag is één antwoord juist, tenzij anders vermeld.
Vraag 1
Wat wordt bedoeld met geografisch besef bij kinderen?
A. Het kennen van topografische namen
B. Het begrijpen van ruimtelijke vraagstukken en relaties
C. Het kunnen lezen van kaarten
D. Het uitvoeren van veldonderzoek
Vraag 2
Welke drie kernconcepten vormen samen de geografische kubus?
A. Schaal, tijd en plaats
B. Kennis, vaardigheden en houding
C. Geografische zienswijze, multiperspectief en meervoudig
bronnengebruik
D. Mens, natuur en economie
Vraag 3
Welke activiteit hoort primair bij meervoudig bronnengebruik?
A. Het vergelijken van landen
B. Het wisselen van schaalniveau
C. Het analyseren van kaarten, foto’s en veldwerkgegevens
D. Het bespreken van voor- en nadelen
Vraag 4
Een leerkracht laat leerlingen bekijken hoe een verschijnsel eruitziet op
lokaal, nationaal en mondiaal niveau. Welke bouwsteen staat hier
centraal?
A. Waar is dat?
B. Waarom is dat daar?
C. Wat zie je als je uitzoomt?
D. Hoe verandert dat?
Vraag 5
Welke fase van kaartlezen hoort bij groep 1–2?
A. Aanvankelijk kaartlezen
B. Voorbereidend kaartlezen
C. Voortgezet kaartlezen
D. Functioneel kaartlezen
Vraag 6
Instructie:
Bij elke vraag is één antwoord juist, tenzij anders vermeld.
Vraag 1
Wat wordt bedoeld met geografisch besef bij kinderen?
A. Het kennen van topografische namen
B. Het begrijpen van ruimtelijke vraagstukken en relaties
C. Het kunnen lezen van kaarten
D. Het uitvoeren van veldonderzoek
Vraag 2
Welke drie kernconcepten vormen samen de geografische kubus?
A. Schaal, tijd en plaats
B. Kennis, vaardigheden en houding
C. Geografische zienswijze, multiperspectief en meervoudig
bronnengebruik
D. Mens, natuur en economie
Vraag 3
Welke activiteit hoort primair bij meervoudig bronnengebruik?
A. Het vergelijken van landen
B. Het wisselen van schaalniveau
C. Het analyseren van kaarten, foto’s en veldwerkgegevens
D. Het bespreken van voor- en nadelen
Vraag 4
Een leerkracht laat leerlingen bekijken hoe een verschijnsel eruitziet op
lokaal, nationaal en mondiaal niveau. Welke bouwsteen staat hier
centraal?
A. Waar is dat?
B. Waarom is dat daar?
C. Wat zie je als je uitzoomt?
D. Hoe verandert dat?
Vraag 5
Welke fase van kaartlezen hoort bij groep 1–2?
A. Aanvankelijk kaartlezen
B. Voorbereidend kaartlezen
C. Voortgezet kaartlezen
D. Functioneel kaartlezen
Vraag 6