Belangrijk
● Voor elke werkgroep moet je een opdracht inleveren
● Deadline: uiterlijk 12:00 uur op de ochtend voorafgaand aan de werkgroep
○ Werkgroep op dinsdag → inleveren maandag vóór 12:00
○ Werkgroep op donderdag → inleveren woensdag vóór 12:00
Tentamen
● Datum: woensdag 28 januari 2026
● Tijd: 15:30–17:45 of 18:15
Herkansing
● Datum: woensdag 25 maart 2026
● Tijd: 15:30–17:45 of 18:15
Opzet van het tentamen
● Open boek tentamen
● Essayvragen
Meenemen naar tentamen
● wettenbundel
● afgedrukte literatuur
● collegesheets
● eigen aantekeningen
● eigen opdrachten
Wat kunnen op tentamen
● Verbanden tussen de weken kunnen leggen.
● Verwijzen naar auteur en jaartal → paginanummer niet nodig
● Leerdoelen vormen de rode draad voor wat je moet weten op het tentamen
● Werkgroepopgaves werken toe naar tentamen
Groen → voorbereid
Rood → aantekeningen tijdens wg
, Bijeenkomst 1 - Sanctiedoelen en straftheorieën
6 januari 2026
Leerdoelen
● Studenten hebben kennis van de verschillende strafrechtstheorieën en kunnen aangeven wat de
heersende strafrechtstheorie is.
● Studenten hebben kennis van opvattingen over de relatie tussen straffen en vergelden en
kunnen benoemen welke consequenties uit die opvattingen voortvloeien.
● Studenten hebben kennis over strafdoelen en kunnen die kennis toepassen op actuele
vraagstukken, zoals de wenselijkheid van korte vrijheidsstraffen.
Literatuur
● W.H.A. Jonkers, ‘De strafrechtelijke straf: inhoud, grondslag, doeleinden’, in: Y. Buruma, 100
jaar strafrecht. Klassieke teksten van de twintigste eeuw, Amsterdam: Amsterdam University
Press 1999, p. 163-175. (via Canvas)
● P.C. Vegter, Vormen van detentie (diss. KUN), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 158-171 (par.
6.3.3-6.3.4). (via Canvas)
● G. Knigge, Het irrationele van de straf (oratie RUG), Arnhem Gouda Quint 1988. (via Canvas)
● F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht (derde, herziene druk), Deventer: Kluwer 2021,
paragraaf 1.5 (via Canvas)
● S. Meijer, In al haar facetten. Over de betekenis van resocialisatie (oratie Radboud), par. 1, 2 en
4. (via Canvas)
● S. Boschman, S. Verweij en G. Weijters, Korte vrijheidsstraffen. Een literatuuronderzoek naar het
bereiken van strafdoelen met korte vrijheidsstraffen ten opzichte van andere straffen, Den
Haag: WODC 2023, par. 1 (t/m 1.2.3.), 2.1.1., 6.1-6.2 (t/m 6.2.1).
Werkgroepvragen
1. Om de vraag te beantwoorden waarom wij straffen wordt in de literatuur onderscheid gemaakt
tussen een drietal clusters van straftheorieën, te weten de retributieve straftheorieën (absolute
vergeldingstheorieën), de relatieve (doeltheorieën) en de verenigingstheorieën. Lees de teksten
van Vegter, Knigge, Bleichrodt en Vegter en Boschman, Verweij en Weijers.
a. Arceer in voornoemde teksten wat in de verschillende straftheorieën als grondslag of
rechtvaardiging van de straf wordt gezien.
b. Arceer in voornoemde teksten wat in de verschillende straftheorieën als doel van de
straf wordt gezien.
c. Arceer in voornoemde teksten kenmerken van elke strafrechtstheorie.
d. Arceer in voornoemde teksten in welke tijd de betreffende theorie kan worden
geplaatst. Wat is thans de heersende strafrechtstheorie?
e. Maak tot slot een overzicht waarin u de belangrijkste verschillen en overeenkomsten
tussen de verschillende straftheorieën uiteenzet aan de hand van vraag 1a-1d (dit
schema zal in de werkgroep gezamenlijk worden gereconstrueerd).
,1. Retributieve straftheorie (absolute) - Kant & Hegel - Verlichting + Klassieke
a. Kernidee
i. Straf is gerechtvaardigd omdat de dader een strafbaar feit heeft gepleegd en
daarvoor schuld draagt. Straf is een uitdrukking van rechtvaardigheid die op de
misdaad dient te volgen, ongeacht het effect ervan. De strafmaat dient
afgestemd te worden op de ernst van de misdaad en niet op de gevolgen van de
eventuele straf.
b. Grondslag / rechtvaardiging
i. Vergelding
ii. Morele schuld en normschending
iii. Straf is een reactie op het verleden
c. Doel van de straf
i. Het toedienen van verdiende straf
ii. Herstel van het morele evenwicht
iii. Bevestiging van de geschonden norm
iv. Genoegdoening
d. Kenmerken
i. Terugkijkend
ii. Straf is doel op zichzelf
iii. Proportionaliteit essentieel
iv. Geen nadruk op effectiviteit
v. Geen instrumenteel gebruik van de dader
e. Tijdsplaatsing
i. Klassieke theorie
1. Gaat uit van een bepaald mensbeeld, namelijk homoeconomicus, zolang
het nadeel van de straf groter is dan het voordeel van de misdaad zal
men zich weerhouden van het plegen tot de misdaad.
ii. Sterk in de 18e en 19e eeuw (maar ook al eerder dan 18)
f. Kant → oog om oog, tand om tand. Maar dan ook niet meer dan dat. Het moet in
proportie zijn. Mens is autonoom en onderscheidt ons van dieren en is rationeel. Het
strafrecht is categorisch imperatief. Dat wil zeggen dat als morgen de wereld vergaat
moet vandaag nog de laatste misdadiger worden gestraft. Het doel doet er dus niet toe.
2. Relatieve straftheorie (doel/utalistisch) - modern - Bentham
a. Kernidee
i. Straf is gerechtvaardigd vanwege het nut dat zij heeft voor de toekomst.
Burgers geven een deel van hun persoonlijke vrijheid aan de gemeenschap en in
, ruil voor bescherming door de gemeenschap tegen inbreuken op hun rechten
en vrijheden door anderen. Het doel van de bestraffing is de dader te beletten
en medeburgers af te schrikken en staat in het teken van preventie. De
grondslag van en de rechtvaardiging voor het straffen wordt gezocht in het te
verwachten toekomstige effect ervan. Het straffen moet een middel zijn tot
beïnvloeding van het gedrag van burgers. Straffen moet niet hoger dan
noodzakelijk vanuit het oogpunt van het preventieve doel. Het dient niet alleen
als instrument met het oog op de veiligheid maar ook als een waarborg ter
voorkoming van wrede, ongelijke en onvoorspelbare bestraffingen. Generale en
speciale preventie.
b. Grondslag / rechtvaardiging
i. Preventie en bescherming van de samenleving
ii. Straf als middel om doelen te bereiken
iii. Toekomstgerichte legitimatie
c. Doel van de straf
i. Generale preventie
ii. Speciale preventie
iii. Beveiliging
iv. Resocialisatie
d. Kenmerken
i. Vooruitkijkend
ii. Instrumenteel karakter
iii. Focus op effectiviteit
iv. Sterke rol voor risico-inschatting
v. Kans op vergaande of langdurige sancties
e. Tijdsplaatsing
i. Ontwikkeling eind 19e en 20e eeuw
1. De relatieve doeltheorie ontwikkelt zich eind 19e en begin 20e eeuw en
wordt gezien als een moderne stroming binnen het strafrecht. Deze
ontwikkeling valt samen met de totstandkoming van het Wetboek van
Strafrecht van 1886, dat aanvankelijk sterk werd beïnvloed door
klassieke vergeldingstheorieën. Parallel daaraan ontstaat echter een
nieuw denken waarin straf niet langer alleen wordt gelegitimeerd door
vergelding, maar door het doel dat zij voor de toekomst dient.
2. Dit nieuwe denken staat onder invloed van een veranderend
wetenschapsideaal, waarin de mens niet langer uitsluitend wordt gezien
als een autonoom en rationeel handelend individu met een volledig
vrije wil. Strafbaar gedrag wordt steeds meer verklaard vanuit
biologische, psychologische en sociale factoren, zoals opvoeding,
omgeving en armoede. Hierdoor verschuift de aandacht in het