Bestuurswetenschap Blok 1
Eerst wordt het boek ‘De Bestuurlijke Kaart van Nederland’
behandeld. Dit was voor de midterm van OBBW.
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1. De bestuurlijke kaart van Nederland.................................................2
Hoofdstuk 2. De Nederlandse staat........................................................................3
Hoofdstuk 3. De politiek-bestuurlijke instituties.....................................................5
Hoofdstuk 4. De organisatie van de rechtsspraak (hoeft niet voor midterm).........9
Hoofdstuk 5. Nationaal besluit: het Rijk................................................................11
Hoofdstuk 6. Middenbestuur: provincie en waterschap........................................13
Hoofdstuk 7. Lokaal bestuur: de gemeente..........................................................16
Hoofdstuk 8. Samenwerkend bestuur...................................................................18
Hoofdstuk 9. Bestuur en maatschappelijke omgeving..........................................20
Hoofdstuk 10. Europees bestuur..........................................................................21
Hoofdstuk 11. De internationale context van bestuur..........................................26
Alles wat hieronder behandeld wordt, is van het boek ‘Openbaar Bestuur’. Dit was
voor het tentamen................................................................................................ 29
Hoorcollege 1. (sommige dingen staan wel in het boek, andere niet)..................30
Hoorcollege 3. Deze komt overeen met H1 t/m 4.................................................35
Hoofdstuk 1. De wereld van het openbaar bestuur..............................................38
Hoofdstuk 2. Beleid en sturing............................................................................. 41
Hoofdstuk 3. De beleidsomgeving........................................................................42
Hoofdstuk 4. Beleidsprocessen............................................................................. 43
Hoofdstuk 5. Organisatie en omgeving................................................................45
Hoofdstuk 6. Managementbenaderingen..............................................................50
Hoofdstuk 7. Leiderschap en gedrag....................................................................53
Hoofdstuk 8. De politieke omgeving van het openbaar bestuur...........................55
Hoofdstuk 9. Politiek-ambtelijke verhoudingen.....................................................56
Hoofdstuk 10. Politiek bestuur en media..............................................................60
1
,Hoofdstuk 1. De bestuurlijke kaart van
Nederland
Wat is openbaar bestuur?
Juridisch gezien behoren alle organisaties met een publiekrechtelijke grondslag tot het
openbaar bestuur. Met publiekrechtelijke grondslag wordt bedoeld dat het bestaan van
een organisatie wettelijke is vastgeerlegd.
Kenmerken Nederlands openbaar bestuur
- Nederland is een constitutionele monarchie: dat wil zeggen dat een koning het
staatshoofd is. In tegenstelling tot een absolute monarchie is het handelen van de
koning gebonden aan een grondwet of constitutie. Dit is een geheel van
elementaire geschreven en ongeschreven regels met betrekking tot de organisatie
van een staat.
- Nederland is rechtsstaat: het overheidshandelen is onderworpen aan de regels van
het recht. Dit heet ook wel het legaliteitsbeginsel: de overheid mag alleen
handelen op grond van wettelijke bevoegdheden.
- Nederland kent een scheiding der machten, dat wil zeggen dat de wetgevende,
uitvoerende en rechtsprekende macht. Belangrijk bij dit onderscheid is dat de
organen die deze functies vervullen, zelfstandig zijn en elkaar in evenwicht
moeten houden door elkaar te controleren (checks-and-balances)
- Nederland heeft een scheiding tussen kerk en staat.
- Nederland heeft een parlementair stelstel, wat inhoudt dat de bevolking
rechtstreeks het hoogste besluitvormende orgaan kiest de Tweede Kamer.
Bij het parlementaire stelstel hoort het beginsel van ministeriële
verantwoordelijkheid: de ministers zijn verantwoordelijk, ook voor het
optreden van het staatshoofd en voor het doen het laten van de
rijksambtenaren.
Vertrouwensregel: ministers worden geacht af te treden zodra zij het
vertrouwen van de volksvertegenwoordigers verloren hebben.
Het parlementaire stelsel is daarnaast dualistisch, dit wil zeggen dat er
een duidelijke scheiding is tussen kabinet en parlement ministers
kunnen geen deel uitmaken van de Staten-Generaal.
- De Nederlandse bevolking kiest geen bestuurders.
- Het kiesstelstel is gebaseerd op een stelsel van evenredige vertegenwoordiging ,
wat wil zeggen dat het aantal zetels voor een partij in overeenstemming is het de
aanhang van die partij onder de bevolking. Dit is anders dan het districtenstelsel.
Ook hebben we hier geen kiesdrempel geen minimaal stemmenpercentage
- Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. De rijksoverheid kan
zaken/taken geven aan lagere overheden
- Geen constitutioneel hof, zij toetsen wetten aan de Grondwet
- Geen juryrechtspraak
- Nederland is lid van de Europese Unie. Veel nationale wet- en regelgeving wordt
direct of indirect door de Europese wetgeving bepaald.
- Nederland kent een functioneel bestuur: bestuursorganen hebben een beperkt,
wettelijk vastgelegd takenpakket.
Het Nederlandse openbaar bestuur is als inclusief te typeren besluiten worden pas
genomen als er brede steun voor bestaat onder de betrokken politieke actoren
draagkracht in de besluitvorming.
De Nederlandse bestuursstijl is te karakteriseren met behulp van 6 co’s: coalitie,
compromis, consensus, collegialiteit, coöperatie en coöptatie (snelle opname van
nieuwkomers in het bestel)
2
,Hoofdstuk 2. De Nederlandse staat
Wanneer spreek je van een staat (4 kenmerken):
1. Er is sprake van een specifiek grondgebied (territorium)
2. Er is een bevolking
3. Er is een wettelijke ordening en er is een bestuurlijke organisatie die
gezaghebbend de wet- en regelgeving kan handhaven
4. Een staat is erkend door andere staten
De Staat der Nederlanden is een rechtspersoon en is dus bevoegd om rechtshandelingen
te verrichten.
Nederland is onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, dat ook Aruba, Curaçao en
Sint Maarten omvat. De Nederlandse koning is het staatshoofd van het gehele Koninkrijk.
Op de eilanden wordt de koning vertegenwoordigd door een gouverneur, met elk eiland
zijn eigen.
De regering van het Koninkrijk bestaat uit de koning en de Raad van Ministers (ook wel
Rijksministerraad). alle Nederlandse ministers + drie gevolmachtigde ministers (van
elk eiland 1, die namens de regering van het eigen land optreedt)
Zoals hierboven gezegd is Nederland dus een rechtsstaat. Globaal kunnen we zeggen dat
een rechtsstaat de volgende kenmerken heeft:
- Overheidsbevoegdheden zijn vastgelegd in de wet
- Er dient sprake te zijn van een machtenscheiding. De Nederlandse staat voldoet
niet volledig aan dit beginsel. Zo is de regering actief betrokken bij
wetsvoorbereiding Grondwet bepaalt dat wetten door de regering + Staten-
Generaal worden vastgesteld.
- Er is sprake van vrije en geheime verkiezingen
- Er zijn grondrechten
- Er bestaan vrije en onafhankelijke media (persvrijheid)
Ontwikkeling openbaar bestuur
Verzuiling (circa 1880 tot medio jaren 1970)
- gezondheidszorg, onderwijs, wonen en armenzorg door maatschappelijke groepen
geregeld (georganiseerd langs levensbeschouwelijke lijnen).
- Dat werd particulier initiatief genoemd (PI). Daarnaast waren er openbare
voorzieningen (vaak gemeentelijk)
Verzorgingsstaat (circa 1930 tot medio jaren 1980)
- uitgebreid stelsel van voorzieningen, uitkeringen, verzekeringen
- Koerswijziging (vanaf jaren 1980)
heroriëntatie op verzorgingsstaat (gevolg economische crises: bezuinigingen en
verminderd geloof in centrale overheidssturing)
- Hervormingen: decentralisatie (verhevelen van macht, taken, bevoegdheden en
middelen naar lagere overheden), verzelfstandiging
(overheidsorganisatieonderdeel omgevormd naar zelfstandig publiekrechtelijk of
privaatrechtelijk bedrijf ZBO, agentschappen), privatisering (naar de markt
brengen van staatsbedrijven) en deregulering (verminderen of afschaffen van
overheidsregels)
Na de ontzuiling wordt meer verwacht van de burger
• Burgerparticipatie (meedenken, meebeslissen, meedoen)
• Zelfsturing: meer zelf doen (zelfredzaamheid) in de buurt en opvang en zorg voor
naasten
• Dat wordt ook wel de Participatiesamenleving genoemd
3
,Gedecentraliseerde eenheidsstaat (Huis van Thorbecke)
Dit bestaat eigenlijk uit 2 begrippen.
1. Decentralisatie: dit heeft betrekking op de overdracht van taken en bevoegdheden
aan lagere rechtsgemeenschappen of bestuurslagen.
2. Eenheidsstaat: dit wijst op de samenhang en coördinatie die centraal, van
bovenaf, worden opgelegd.
De verhouding hiertussen komt tot uitdrukking in de volgende begrippen:
- Autonomie: De eigen bevoegdheid van gemeenten en provincies (denk aan de
APV)
- Medebewind: de provincie of de gemeente moeten dan een regel van de regering
uitvoeren.
- Toezicht: Het principe van de eenheid is uitgewerkt in het zogenoemde toezicht.
de nationale overheid kan alle besluiten van lagere overheden vernietigen wanner
die in strijd zijn met de wet of het algemeen belang
Voordelen samenwerken:
- Het is in sommige gevallen doelmatiger en rechtvaardiger
- Lagere bestuursorganen en vooral gemeenten weten vaak beter wat de
problemen op lokaal niveau zijnen waar hun inwoners behoefte aan hebben.
- Vele problemen waarmee overheden te maken hebben, beperken zich niet alleen
tot hun eigen grondgebied. Denk aan verkeer en vervoer
Gemeenten krijgen hiervoor geld vanuit het Rijk, maar dat is vaak niet genoeg. Daarom
zijn er gemeentelijke belastingen, zoals honden- en parkeerbelasting. Ook heb je
heffingen, zoals rioolheffing. En moet inwoners tarieven betalen, bijvoorbeeld voor het
afgeven van vergunningen en paspoorten.
De provincie is vaak de tussenliggende of overlappende bestuurslaag en wordt dan ook
belast met de afstemming en coördinatie.
Territoriaal bestuur: bestuur met een in principe onbeperkt takenpakket (open
huishouding) binnen het eigen territorium)
Functioneel bestuur: bestuur met een beperkt wettelijk vastgelegd takkenpakket.
4
,Hoofdstuk 3. De politiek-bestuurlijke
instituties
Volgens artikel 42, lid 1 van de Grondwet vormen de koning en de ministers in Nederland
samen de regering.
De functie van de koning was vroeger anders dan nu. Aanvankelijk was de koning
bijzonder invloedrijk. De ministers waren aan de koning ondergeschikt ministers waren
dienaar van de koning. In de Grondwet van 1848 werden de principes van ministeriële
verantwoordelijkheid en het parlementaire stelstel ingevoerd. De invloed van de monarch
is in de loop der tijd steeds verder afgenomen. Ook het benoemen van een (in)formateur,
tijdens de kabinetsformatie, wordt niet meer door de koning gedaan. (nu door Tweede
Kamer)
De informateur onderzoekt mogelijkheden tot samenwerking van twee of meer partijen
in een kabinet, hier komen zowel programmatische aspecten als verdeling van
portefeuilles aan de orde.
Een formateur (vaak beoogde premier) wordt ook door de Tweede Kamer aangewezen.
Deze rondt de vorming van het kabinet af door voor de verschillende portefeuilles
personen te zoeken.
In het regeerakkoord behelst de afspraken tussen de coalitiepartijen over het te voeren
regeringsbeleid. Hier zijn de fracties van de coalitiepartijen in de Tweede Kamer aan
gevonden, maar in de Eerste Kamer niet.
Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers zijn verantwoordelijk voor al het doen en
laten van de onder hen vallende ambtenaren. De volksvertegenwoordiging kan ze daarop
aanspreken. Een minister is in beginsel belast met de leiding van een ministerie of
departement van algemeen bestuur.
Sinds de grondwetherziening van 1938 kunnen er ook ministers zonder portefeuille
worden benoemd, zij zijn belast met een specifieke taak. Dit wordt ook wel een
projectminister genoemd.
Formeel is er geen hiërarchie onder de ministers, maar de minister-president of premier is
wel uitgegroeid tot de belangrijkste bewindspersoon. sinds 1983 is de premier
voorzitter van de ministerraad bevoegdheden als vaststellen van de agenda van de
ministerraad. Speciaal voor de minister is het Ministerie van Algemene Zaken in het leven
geroepen verantwoordelijk voor Rijksvoorlichtingsdienst en Wetenschappelijke Raad
voor het Regeringsbeleid.
De ministerraad heeft de taak te beraadslagen en namens het kabinet te besluiten over
het algemene regeringsbeleid. Dit moet de eenheid van regeringsbeleid bevorderen.
Onder het algemeen regeringsbeleid vallen de voorstellen van de wet, de ontwerpen van
Algemene Maatregelen van Bestuur, de bekrachtiging van de door de Staten-Generaal
aangenomen initiatiefwetsvoorstellen, nota’s, belangrijke benoemingen en internationale
verdragen.
Er kunnen ook nog onderraden en ministeriële commissies bestaan. Het enige
verschil tussen raden en commissies is dat een onderraad een blijven karakter heeft; een
commissie blijft vaak bestaan voor zolang het specifieke onderwerp actueel is. Elke
onderraad heeft een vaste samenstelling ministers, eventueel aangevuld met
staatssecretarissen en ambtenaren. De minister-president is altijd voorzitter van zo’n
5
,onderraad of commissie. Alle besluiten die daar genomen worden, moeten door de
ministerraad worden goedgekeurd.
Minister van Staat: in uitzonderlijke gevallen toegekende eretitel aan een voormalige
politicus of staatsman.
3 categorieën wet- en regelgeving:
- Wetten
- Algemene Maatregelen van Bestuur
- Ministeriële regelingen
Staten-Generaal
Evenredige vertegenwoordiging: wordt het totale aantal uitgebrachte stemmen
gedeeld door het aantal zetels. De uitkomst daarvan heet de kiesdeler. Het aantal zetels
dat een partij behaalt, wordt berekend door het aantal stemmen op die partij te delen
door de kiesdeler, en de uitkomst hiervan op het eerstvolgende gehele getal naar
beneden af te ronden. Een partij die minder stemmen haalt dan de kiesdeler krijgt geen
zetel.
Om verkiesbaar voor de Staten-Generaal te kunnen zijn (het passieve kiesrecht) moeten
kandidaten de Nederlandse nationaliteit bezitten, minimaal 18 jaar zijn en niet van het
kiesrecht zijn uitgesloten. Dezelfde eisen gelden voor het actieve kiesrecht.
Parlementaire onschendbaarheid: Kamerleden kunnen niet gerechtelijk worden
vervolgd wegens uitspraken die zij tijdens een vergadering in een van de Kamers hebben
gedaan.
Zowel de Eerste als Tweede Kamer kan commissies instellen die zich bezighouden met
specifieke onderwerpen, zoals landbouw of defensie. Deze taakverdeling voorkomt dat
ieder Kamerlid zich moet verdiepen in alle mogelijk onderwerpen. De leden van een
Kamercommissie worden vaak aangeduid als de fractiespecialisten; zij zijn dan meestal
dan de woordvoerders op dat bepaalde onderwerp
Beide Kamers toetsen of wetgevingsvoorstellen die de Europese Commsie naar het
parlement stuurt, voldoen aan de subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginselen.
Die beginselen houden in dat de Europese Unie allen regels maakt als dat doelmatiger is
dan regelgeving op nationaal niveau.
De Tweede Kamer heeft 2 taken: wetgeving en controle. De wetgever bestaat op
nationaal niveau uit de regering en de Staten-Generaal.
- Recht van initiatief: mogelijkheid om wetsvoorstellen in te dienen.
- Recht van amendement: wijzigingen aanbrengen in regering- en
initiatiefvoorstellen
- Recht van interpellatie: maakt het voor Kamerleden mogelijk om een debat te
houden over een onderwerp dat nog niet eerder op de agenda van de Kamer
stond. Hieraan verwant is het spoeddebat, dat wordt gehouden indien ten minste
30 leden dit verzoek steunen.
- Recht van enquête:
- Budgetrecht:
Eerste Kamer
Wordt gekozen door leden van de Provinciale Staten. De Eerste Kamer staat ook bekend
als de senaat; haar leden worden ook wel senatoren genoemd. De Eerste Kamer heeft
evenals de Tweede Kamer (mede)wetgeving en controle als hoofdtaken.
Echter zijn er ook enkele verschillen tussen de Eerste en Tweede Kamer op het punt van
de bevoegdheden:
- Geen recht van initiatief
- Geen recht van amendement
- Geen mondelinge vragenrecht.
De Eerste Kamer heeft de laatste decennia aan gewicht gewonnen. Vooral de
omstandigheid dat een kabinet wel een meerderheid in de Tweede Kamer heeft, maar
niet in de Eerste Kamer.
6
,Tegenstanders wijzen op het dubbele werk dat wordt verricht en op de vertraging in het
wetgevingsproces die daarvan het gevolg is. Bovendien zou de indirecte wijze van
verkiezing niet democratisch zijn.
Voorstander wijzen op het nut van een heroverwerving van allerhande
regeringsvoorstellen. Ook zijn de senatoren parttimepolitci , waardoor maatschappelijke
overwegingen op een andere wijze, namelijk vanuit posities van buiten de politiek, bij het
debat betrokken worden.
Overige Hoge Colleges van Staat en vaste colleges van advies
Hoge Colleges van Staat: dit zijn de Staten-Generaal, Raad van State, Algemene
Rekenkamer en de Nationale ombudsman. Deze zijn ingesteld om de democratische
rechtsstaat goed te laten functioneren.
1. Raad van State
Formeel is de koning voorzitter van de Raad van State; in de praktijk wordt het
voorzitterschap echter uitgeoefend door de vicepresident van de Raad. De Raad
van State bestaat uit maximaal 10 leden. De benoeming loopt als volgt:
o De leden worden op voordracht van de minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en in overeenstemming met de minister
van Justitie en Veiligheid bij Koninklijk Besluit ‘voor het leven’
benoemd. De selectie van de leden en de vicepresident verloopt via
een open sollicitatieprocedure. De Raad doet zelf een aanbeveling
voor de benoeming van de leden; bij de selectie van de
vicepresident wordt de Raad gehoord.
Taken:
- Tijdelijke uitoefening van het koninklijk gezag wanneer een troonopvolger
ontbreekt.
- Adviestaak: advisering over wetsvoorstellen, ontwerpen van Algemene
Maatregelen van Bestuur, voorstellen tot goedkeuring of opzegging van een
verdrag en ontwerpen van Koninklijke Besluiten tot vernietiging.
- Rechtsprekende taak: uitspraken in geschillen van bestuur (tussen burger en
overheid en ook tussen verschillende overheden)
Voor de laatste twee taken beschikt de Raad over aparte afdelingen, de Afdeling
advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak. Deze afdelingen bestaan uit leden van de
Raad van State en zogenoemde staatsraden. Dit zijn burgers die hun ‘bekwaamheid of
deskundigheid hebben bewezen op het gebied van wetgeving, bestuur of rechtspraak’.
Ook zij worden onder Koninklijk Besluit benoemd
2. De Algemene Rekenkamer.
Taken:
- De ontvangsten en uitgaven van het Rijk te onderzoeken. Dat onderzoek betreft
rechtsmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek van de ontvangsten en uitgaven.
Dus of zijn ze in overeenstemming met de begrotingswetten en hoe kunnen
verspillingen van middelen worden tegengegaan. De vraag ‘hebben burgers waar
voor hun geld gekregen’ staat vaak centraal bij de onderzoeken.
- Bezwaar indienen tegen het gevoerde financiële beheer of de verantwoording
daarvan.
De regering dient daar binnen een maand op reageren. Wordt dat niet gedaan
moeten ze een indemniteitswet indienen: hierin wordt gevraagd het bezwaar van
de Rekenkamer op te heffen.
- Verder moet de Algemene Rekenkamer elk jaar het overzicht van alle
gerealiseerde verplichten, uitgaven en ontvangen goedkeuren.
- Bedrijven/rechtspersonen controleren waarin de staat aandelen bezit
Het bestuur wordt gevormd door het college, dat drie leden stelt. Leden worden bij
Koninklijk Besluit en voor het leven benoemd, nadat de Tweede Kamer drie personen
heeft voorgedragen van een aanbevelingslijst van zes kandidaten die van de Algemene
Rekenkamer zelf afkomstig is. Naast de reguliere leden heeft het college maximaal drie
7
,leden in buitengewone dienst voor specifieke, meestal tijdelijke werkzaamheden. (voor de
uitvoering beschikt het over een staf van circa 250 ambtenaren, die ten dele zijn
gehuisvest bij de ministeries)
3. De Nationale Ombudsman
Taken:
- De eerste taak is de klachtenbehandeling: klachten van burgers beoordelen en
waar mogelijk oplossen. Iedereen heeft het recht om de ombudsman schriftelijk te
vragen een onderzoek in te stellen naar de handelswijze van een bestuursorgaan.
De taak van de Nationale ombudsman vult de bestaande rechtsbescherming aan.
Dat wil zeggen dat pas een beroep kan worden gedaan op de Nationale
ombudsman wanneer alle andere vormen van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming zijn benut.
Zelf kan de ombudsman na afloop van het eigen onderzoek slechts een rapport
uitbrengen dat ter inzage wordt gelegd.
- Het verstrekken van informatie over de relatie tussen de overheid en burgers en
het verbeteren van die relatie. Gebeurt vooral in de vorm van eerdergenoemde
openbare rapportages
De Nationale ombudsman wordt voor de duur van 6 jaar benoemd. De benoeming is in
handen van de Tweede Kamer, nadat deze een gezamenlijke aanbeveling met daarop de
namen van ten minste drie personen heeft ontvangen van de vicepresident van de Raad
van State, de president van de Hoge Raad (hoogste rechter in civiele zaken, strafzaken en
belastingzaken) en de president van de Algemene Rekenkamer.
De ombudsman beschikt over een ambtelijk apparaat van circa 230 medewerkers.
Vaste colleges van advies
Volgens artikel 79 van de Grondwet kunnen bij of krachtens de wet vaste colleges van
advies in zaken van de wetgeving en bestuur van het Rijk worden ingesteld. Dit zijn
externe (niet-ambtelijke) colleges.
1. Sociaal-Economische Raad (SER)
De belangrijkste taken betreffen het op aanvraag of op eigen initiatief adviseren van de
regering over sociale en economische aangelegenheden en het bevorderen van het
bedrijfsleven, voor zover dit van algemeen belang is. De SER bestaat uit minimaal 30 en
maximaal 45 leden. De Raad is tripartiet samengesteld: twee derde van de leden wordt
benoemd door de bij Koninklijk Besluit aangewezen centrale organisaties van
ondernemers en werknemers. De overige leden worden door de regering gekozen en
benoemd (zogeheten kroonleden). Een van deze leden wordt bij Koninklijk Besluit, tot
voorzitter benoemd.
2. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)
Taken:
- De regering wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over
ontwikkelingen die de samenleving op langere termijn kunnen beïnvloeden + de
verwachte problemen.
- Wetenschappelijk kader ontwikkelen dat de regering in staat stelt prioriteiten te
stellen en een samenhangend beleid te voeren.
- Toekomstonderzoek en planning op lange termijn bevorderen. (hiervoor werken ze
samen met planbureaus)
De WRR bestaat uit minimaal 5 en maximaal 8 leden met een wetenschappelijke
achtergrond
3. Centraal Planbureau (CPB)
Verricht werkzaamheden voor de jaarlijks verschijnende Centraal Economisch Plan en
brengt adviezen uit over algemene vragen die zich bij de verwezenlijking van het
Centraal Economisch Plan kunnen voordoen.
4. Sociaal Cultureel Planbureau (SCP)
8
,Heeft onder meer tot taak wetenschappelijke verkenning te verrichten, wat moet leiden
tot een samenhangende beschrijving van het sociaal en cultureel welzijn en van de
ontwikkelingen die op dit gebied te verwachten zijn.
Ook verzamelen ze informatie met betrekking tot de uitvoering van interdepartementaal
beleid op het gebied van sociaal en cultureel welzijn.
5. Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
Is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyses op het gebied van milieu,
natuur en ruimte. Het valt organisatorisch onder het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat, maar is inhoudelijk onafhankelijk.
6. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Leveren van onpartijdige, statistische informatie, zowel voor het ondersteunen van de
besluitvorming in de overheidsinstanties ne het bedrijfsleven als ten behoeve van
maatschappelijke discussies.
Kaderwet adviescolleges: volgens deze wet berust de coördinatie van het adviesstelsel bij
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De regering is niet langer
verplicht advies in te winnen bij bepaalde adviesorganen. Wel moet de regering verplicht
is om binnen drie maanden na ontvangst van een gevraagd of ongevraagd een
schriftelijke reactie aan te bieden aan de Staten-Generaal
Koninklijk Besluit (KB): besluit van de regering.
Algemeen verbindend voorschrift: door de overheid vastgestelde regels die bindend
zijn voor de burgers. 3 categorieën: wetten, algemene maatregel van bestuur en
ministeriële regelingen.
Algemene Maatregel van besluit: een KB dat een algemeen bindende werking heeft.
Ministeriële regeling: bindend besluit van een individuele minister met een algemeen
verbindende werking.
Hoofdstuk 4. De organisatie van de
rechtsspraak (hoeft niet voor midterm)
De rechtshandhaving en de rechtspraak zijn zeer belangrijke en oude overheidstaken.
Politie en justitie zijn hiermee in het bijzondere belast.
- De politie houdt zich onder andere bezig met de opsporing van verdachte
- Het is de taak van het Openbaar Ministerie (uitvoerende macht) om verdachten te
vervolgen en veroordeelden in bewaring te stellen.
Rechterlijke macht en Openbaar Ministerie
- De griffier: die is een ambtenaar van de rechtbank. Hij/zij staat de rechter bij,
noteert wat er gezegd wordt en biedt de rechter juridische ondersteuning.
- De advocaat: is een gespecialiseerd jurist die de belangen van de verdachte
verdedigt.
- De rechter: is een onafhankelijke publieke functionaris die de zitting leidt en het
uiteindelijke oordeel velt. Is functie is hij autonoom, onpartijdig en onafhankelijk
van het parlement en de regering. zittende magistratuur
- De officier van justitie: werkt bij het OM, dat onderdeel is van het Ministerie van
Justitie en Veiligheid, en komt met een eis. De OvJ is niet met rechtspraak belast.
staande magistratuur
Privaat vs. Publiekrecht.
9
, - Privaatrecht: burgers (natuurlijke personen) of organisaties (rechtspersonen) als
gelijken tegenover elkaar.
- Publiekrecht: overheid en burger staan als niet als gelijken tegenover elkaar. De
overheid bekleed een hogere positie een heeft bijzondere bevoegdheden en heeft
het alleenrecht om bepaalde handelingen te verrichten. Binnen het publiekrecht
heb je twee belangrijke rechtsgebieden:
1. Strafrecht: is van toepassing op het moment dat iemand een
strafbaar feit pleegt waarvoor deze persoon veroordeeld kan
worden.
2. Administratief recht/bestuursrecht: dit heeft betrekking op
overheidshandelen.
Ondanks dat de uitvoerende macht (OM en Ministerie van J&V) en de rechterlijke macht
onafhankelijk van elkaar zijn, is er wel degelijk onderlinge invloed:
Budgetten rechterlijke macht bepaald door de het Minister van J&V
Omgekeerd kan de rechter uitspraken doen over overheidshandelingen en beleid
en heeft deze zo invloed op het openbaar bestuur
De grote invloed van de rechter op het openbaar bestuur leidt soms tot klachten van
bestuurder over zogenoemde juridisering: de toename van wet- en regelgeving, waardoor
er ook steeds vaker een beroep op de rechter wordt gedaan bij een conflict.
Juryrechtsspraak (zoals in Amerika) vs. Professionele rechtsspraak
In Nederland hebben wij geen constitutionele toetsing. Hierbij heeft het hof de
bevoegdheid om wetten, verdragen en andere juridische vraagstukken te toetsen aan de
grondwet.
Een rechter spreekt recht aan de hand van geschreven en ongeschreven recht en
rechtsbeginselen.
Ongeschreven rechtsbeginselen zijn de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur (aantekening HBO)
Geschreven rechtsbeginselen is vastgelegd in wetgeving, bijvoorbeeld in de
Algemene wet Bestuurskunde.
Raad van de rechtspraak: bevordert de kwaliteit en eenheid in de rechtsspraak en let er
onder andere op dat de rechtspraak aansluit ‘de behoeften in de samenleving’
‘Gewone’ rechter houdt zich bezig met geschillen van privaatrechtelijke of strafrechtelijke
aard.
De beslechting van geschillen van burgers met de overheid niet ondergebracht bij de
‘gewone’ rechter, deze wordt binnen de uitvoerende macht zelf geregeld met het
zogenoemde administratief beroep: toetsing van een besluit van een bestuursorgaan
door een ander (vaak hoger) bestuursorgaan.
Wanneer er beroep kan worden aangetekend bij een onafhankelijke rechter, is er sprake
van administratieve rechter.
Bezwaarschrift: een formeel verzoek aan een overheidsinstantie (bestuursorgaan) om een
door haar genomen beslissing (besluit) te heroverwegen.
Een belangrijke functie van de bezwaarschriften is dat deze ervoor zorgt dat er niet al te
veel beroepen op de rechter worden ingesteld.
Hoe ziet zo’n procedure eruit?
Het bestuursorgaan kijkt naar de juistheid van het oorspronkelijke besluit. Een
bezwaarschrift wordt vaak afgehandeld door een bijzondere afdeling binnen het
bestuursorgaan, waar vooral de juridische correctheid van het besluit wordt beoordeeld.
Omdat een bezwaarschrift eerst een interne procedure doorloopt, kan nog tamelijk
‘informeel’ en snel naar een oplossing worden gezocht voordat de rechter eraan te pas
komt.
Hoofdstuk niet afgemaakt
10